Kunstmest XP – Negen

Deelnemers met certificaatFaciliteren of begeleiden van groepen vormt altijd een uitdaging, juist voor een expert. Wil je de uitdaging beter aangaan?

Op 1 november gaan Larissa Verbeek en ik weer een leergang faciliteren voor professionals geven. Deze keer weer een vierdaagse e-XP-ert leergang. In deze combinatie van training, coaching, intervisie en ervaringsgericht leren, maken we je sterker in het omgaan met groepen in veranderingsprocessen. Naast, nee, door middel van methoden en technieken begeleiden we je in de intake – de meest cruciale stap van een sessie -, ontwerpen, uitvoeren, afronden en rapporteren over een bijeenkomst. We ervaren met elkaar hoe je houding, positie en ademhaling beter te gebruiken, waar je weerstanden zitten (en hoe daar mee om te gaan). Het geheel is gegrondvest op een solide, bewezen metapraxis, beschreven in “Faciliteren als Tweede Beroep”.

Wil je referenties? Laat het ons weten.

Voor meer informatie of aanmelden: check deze site of stuur een mail naar mij, janlelie”at”mindatwork.nl

Hoe hoort het hier

Kunstmest 6 - Impressie door een dochtertjeBij het overdenken van het al dan niet uitbreiden van onze werkgroep, stuitte ik op de volgende pragmatische paradox:

De grenzen van relaties
We definiëren relaties (die hoort er wel en die hoort er niet bij) in termen van grenzen, maar grenzen (wie zijn er binnen en wie staan er buiten) zijn geen relaties. Dit is de essentie van de paradox van Behoren. Daarbij treedt een opmerkelijk fenomeen op: het symbool van de grens valt niet samen met de fysieke manifestatie van een grens. Bijvoorbeeld, een muur of een hek tussen landen, is een fysieke afbakening, die echter niet de band tussen mensen verbreekt. Of omgekeerd, wanneer we een grens hanteren als het einde van een relatie, moeten we een ander mens wel als “geen mens”-zien. Vandaar de neiging ze te ontmenselijken. We vergelijken ze dan met “dieren” of met bepaalde negatieve eigenschappen. Ze zijn niet we. (tussen haakjes: zo werkt het dus ook met teksten tussen haakjes).

Schaarste in overvloed
De paradox van Schaarste treedt altijd op in samenhang met de paradox van Behoren. Immers, wanneer er meer mensen bij ons komen, is er minder voor ons EN tegelijkertijd kunnen we de nieuwe mensen zien als een bron van overvloed. Zo zie je, hoe de Paradox van Schaarste leidt tot discussies over kosten versus opbrengsten. Ze benadrukt ook de paradox van “identiteit”. “Ze” hebben andere normen, waarden en gewoontes dan “we” en omdat “ze” anders zijn, horen ze niet bij “we”. Er ontstaat dan druk op de individuen van “we” tot saamhorigheid, opdat “ze” geweerd kunnen worden. De paradox maakt dan overigens, dat een individu naar voren komt, die weer niet representatief is voor de groep waar hij of zij voor staat. Vervolgens maakt dit weer, dat de symbolen nadrukkelijker benadrukt worden. Uiteindelijk volgt dan het “economisch” argument – het zijn economische vluchtelingen versus de economie kan het niet aan – als begrenzing. En niemand merkt op, dat schaarste ook de oorzaak is van het verlaten van “het huis”.

De discussie in Duitsland – over de satire – gaat nu zelfs zover, dat het gebruik va symbolen (“vrijheid van meningsuiting”) tot een symbool gemaakt is.
Trouwens, ook de hele Panama Papers affaire is een mooie illustratie van de paradox van grenzen, schaarste en wat wel en niet (be)hoort.

Verlossing
In dit verband (sic) lijkt het woord verlossing op haar plaats. Er zijn geen oplossingen voor de paradoxen van Behoren, en/of de paradox van Schaarste. De paradoxen staan beide als tekens, als symbolen, voor een (komende) transformatie: die van verlossen zelf. Net zoals (maken van) relaties van een ander logisch type is als (leggen van) grenzen, zo is verlossen van grenzen van een ander logisch type als opheffen van relaties. In de woorden van Po: “Er is geen geheim, het duurde even voor ik het door had”.

Als je begrijpt wat ik bedoel

haas eendEen Jung werkgroeplid stuurde me een mail:

Eend en Haas
“Je kent het plaatje in de bijlage ongetwijfeld. Is het een haas, of is het een eend?

Stel je voor, dat twee mensen aan het tekenen zijn. Zij maken hun tekeningen op grond van een aanwijzingen door een derde en het voeren van een gesprek met elkaar, inclusief de derde. Het object dat getekend wordt vormt zich aldus: het is niet concreet van te voren gegeven. En ze hebben geen zicht op elkaars werk. Het resultaat is dat de een een haas en de ander een eend heeft getekend. Uiteraard zijn beide tekenaars zeer verwonderd elkaars werk tenslotte te zien.

In het dagelijkse samenwerken doet zich dit waarschijnlijk doorlopend voor, zonder dat dit ooit duidelijk wordt noch problemen veroorzaakt. Tenzij er uit de uitkomsten juist wel problemen ontstaan. Naarmate de belangen groter zijn en ieder op zijn manier zich enorm heeft ingespannen zal zich dat ook in emotie en drama vertalen. De boel slaat los, er is geen contact en ook geen wederkerigheid meer. Het tendeert naar (symbolische) oorlogsvoering. Nadat de escalatie is uitgewoed en ieder zichzelf wat hersteld ontstaat pas weer de ruimte om naar elkaar te kijken. De schade is groot maar nog beroerder is het dat pas dan het inzicht in elkaars goede intenties naar voren komt. Dat besef maakt duidelijk dat het allemaal heel anders had gekund. Maar dat is achteraf. Niet bekend is wat hier nu eigenlijk in het spel is geweest.

Herken je wat ik bedoel?”

Möbius Ik herken je voorbeeld; ik vermoed dat een en ander speelt in elke situatie. Net zoals je niet begrijpt wat ik bedoel met het volgende:

Paaps en Turks
het is – zoals de tekening – een paradox. De “oplossing” wordt ook wel het Helsinki-principe genoemd. Bij een vroege conferentie over automatisering in Helsinki, is afgesproken dat betekenis van een boodschap, verzonden door een zender, bij de ontvanger voor 100% de betekenis is, als bedoeld door de zender. In alle andere gevallen bestaat er nl onzekerheid over de “echte” betekenis.Dit principe wordt door vrijwel iedereen impliciet gehanteerd. Belangrijke uitzonderingen zijn cabaretiers, het is immers de basis van een goede grap. Als voorbeeld kan je de huidige controverse over Erdogan in de Duits-Turkse verhouding gebruiken.”

Vanaf hier begrijp je me weer 🙂

Verzoek en opdracht?
Dit houdt in, dat iedere boodschap een meta-boodschap bevat die in een proefschrift van ene Pieter Wisse genoemd wordt Every sign is a request for compliance . In jouw mail maak je dat expliciet, maar het zit verscholen in elk (mail) bericht en verklaart de explosieve groei van berichtuitwisseling. (Wat ik interessant vond in mijn contact met Pieter Wisse, is dat hij zelf niet de (paradoxale) implicaties hiervan begreep, en een “taal” heeft ontwikkeld om dit “op te lossen”.) In het kader van je vraag, is dit “request” natuurlijk een (impliciete) “opdracht”.

Ik en ander
In iedere boodschap hanteren we naast de expliciete structuur van een zin, een impliciete grammatica. Deze impliciete grammatica maakt gebruik van een netwerk van opvattingen en aannames, die we “cultuur”, “wereldbeeld” of “werkelijkheidsopvatting” kunnen noemen. Dat laatste woord past het best, omdat het gaat over “wat werkt”. Dit zijn de pragmatische aspecten van menselijke communicatie. In communiceren dienen we steeds rekening te houden met “de ander”, opdat onze boodschap overkomt. Paradoxaal genoeg, kan het zijn, dat wanneer we juist het tegendeel zeggen van wat we willen beweren, de boodschap – in termen van betekenis – beter overkomt. Kort gezegd, wanneer iemand ander het niet met ons eens is – of zelfs boos wordt – heeft zij of hij de boodschap beter begrepen, dan na een kort instemmend “hmm”.

Ik en zelf
Verder heeft het Helsinki-principe nog een ander “aspect”: het veronderstelt, dat de zender de eigen boodschap begrijpt. Ik zelf zeg altijd, dat ik pas weet wat ik denk, wanneer ik mezelf hoor praten. Met andere woorden, er is een feed-back loop waarin ik ook op mijzelf het Helsinki-principe toepas. Verder zal de ontvanger begrijpen dat dit het geval is, of doet alsof dat niet het geval is. “Als je begrijpt wat ik bedoel” (overigens een mooie naam voor deze paradox).

Escalatie en stagnatie
In je vraag beschrijf je de paradox en haar “oplossing”: elke communicatie “veroorzaakt” escalatie (symmetrische situatie noemt Bateson dit) en stagnatie (complementaire situatie). “Veroorzaakt” tussen “”, omdat het niet de communicatie is, die dit veroorzaakt, maar de paradoxen van Expressie. Alleen in de beweging van de ene situatie naar de andere – wat jij “in-between” noemt en wat Hannah Ahrendt aanduidt met de “inter-esse“, het “tussen-zijn” – vindt betekenis overdracht plaats. (Merk op, dat ik hier de betekenis tussen – – zet). Dit fenomeen wordt wel “coupling” genoemd.

Wat het zo lastig maakt om dit te begrijpen, is deze “coupling” een proces is. Dit proces vindt plaats in het tweedimensionale (ofwel “complexe”) vlak, waarbij wij, door de aard van onze materiële existentie, alleen zichtbaar toegang hebben tot de reële as. De andere – de “irrationele” of beter “laterale” as – ervaren we wel, maar ze manifesteert zich niet concreet. We kunnen haar alleen in de realiteit representeren, door een tekening. Stel je een spiraalbeweging voor, waarvan je alleen de afbeelding in het platte vlak of een doorsnede ervaart. Dit is een cirkel. Ontbindt de cirkel in twee assen en je hebt een kruis in een cirkel. “Als je begrijpt wat ik bedoel”

Begrip en onbegrip
Een (waargebeurde) anekdote: tijdens een van de uitvoeringen van onze Leergang Kunstmest, zie op de derde dag Carolien – een van de meest intelligente vrouwen die ik ken – tegen me:
“Jan, ik begrijp niets van wat je bedoelt met je uitleg (over mijn boek)”.
Waarop ik haar bij de bovenarm “begreep” en zie: “ik begrijp je Carolien”.
“Nee”, zei ze, “ik begrijp je echt niet”.
Ik begreep haar weer en herhaalde “ik begrijp je Carolien”. Ze zei het nog een derde keer en ik herhaalde mijzelf opnieuw.
Een paar uur later bleek – uit haar gedrag – dat ze me volkomen begrepen had.

Paradox
appel peer paradoxWellicht ten overvloede: paradox vormt de grond voor betekenis. Betekenis vat ik op als een emergente eigenschap van wisselwerken. Je kan wisselwerking opvatten als gebruiken van spanning uit de complementaire tegenstellingen Vergelijk “appel” en “peer”. Een “peer” is geen “appel” en “appel” is niet “geen appel”. Een peer is ook niet “geen appel” en niet “geen peer”. Maar iets wat niet “geen peer” is, is nog geen “appel”. In onze pogingen om te begrijpen, gebruiken we de verschillen en scheppen we daarmee (vandaar “eigenschap”) de gewaarwording die we als “betekenis” ervaren. Betekenis is dus niet alleen contextueel, ze is ook subjectief en “imaginair”. De reële kant daarvan is het voorwerp – laten we zeggen “de appel” – de appel die we zien. De laterale of imaginaire kant vormt zich tot het symbool, betekenissen van “appel”. En dat kan van alles zijn, daarom gebruik ik ook bewust “appel”. (Merk op, dat je een appel kunt verschillen :-)). De “echte” betekenis van de appel, zit in het opeten. Maar dan houden we alleen een klokkenhuis over.

In de paradoxale tegenstelling is altijd sprake van een, of ander (=twee), een en ander en noch een noch ander. In communicatie is altijd sprake van begrip, of onbegrip, begrip en onbegrip en noch begrip, noch onbegrip. Merk overigens op, dat dit onafhankelijk van het bestaan van (gesproken) taal is.

Nous y sommes tous Français

Naar aanleiding van 22/3: “We zijn ook allemaal Belgen / Nous y sommes tous Belges”

Marijn Kruk stelt in De Correspondent de vraag Waarom de Fransen liever in een veiligheidsstaat dan in een democratie lijken te willen leven. Ik heb een notoire hekel aan waarom-vragen. Waarom? Daarom! Welke vraag speelt hier echt?

In de titel staat al aan wat er aan de hand is: begrenzen (Frans / On-Frans), perceptie (zeggen / doen) en macht (democratie / autoritair ). De drie basis paradoxen. Dit is niet een Frans fenomeen, maar universeel. “Nous y sommes tous Français”.

Inleiding
Lelie constellationDeze verschijnselen zijn al door Bateson beschreven in de jaren dertig van de vorige eeuw. De term hiervoor luidt: “schismogenese“. Ze gelden voor alle groepen, in alle situaties. Het enige verschil is de orde van grootte. Waren het “tot voor kort” (ik denk dan aan 200 jaar) lokale verschijnselen, nu zijn ze mondiaal. Kort gezegd: omdat de (wereld) economie vastloopt, een “Tragedy of the Commons“, zoals onder meer blijkt uit de klimaatproblematiek, manifesteert zich een (universeel) onderliggend verdelingsprobleem, dat zich uit in escalatie, “meer van hetzelfde”. Door het inzetten van “macht”, maskeren we onze machteloosheid in het verlossen van onszelf uit een situatie die we zelf geschapen hebben.


Verschillen verschillen
Schismogenese, is meer dan het ontstaan van verschillen. In iedere groep treedt “splitsing op”, sterker nog, splitsen is noodzakelijk voor het vormen van groepen. Of de verschillen natuurlijk of kunstmatig zijn, daar kan je over van mening verschillen (ook dat is een verschil). Een groep gaat altijd over zij/wij, in/out, wel/niet. De problematiek is er echter altijd een van apart/samen, meer/minder, …

Met ander woorden, een analoge situatie (meer/minder samenwerken) wordt altijd “geframed” in digitale termen (nee/ja samenwerken, zie het komende referendum). De framing zelf is ook een vorm van verschil maken. En dus betrekken we die vervolgens op onze eigen groep. Onze groep is “goed”, de anderen minder en dus “niet”. Daar gaan we meestal aan voorbij: framing, inclusief deze discussie, wordt onderdeel van het probleem (vandaar: “perceptie”). Dit noem ik, in navolging van Bateson, de dubbele binding, “double bind“.

De splitsing kan complementair zijn, de groepen vullen elkaar aan, of symmetrisch, de groepen lijken op elkaar. In het eerste geval spreken we meestal over een organisatie (waarin de functie verdeeld zijn), in het tweede geval over een gemeenschap (waaraan we betekenis ontlenen). Dit is ook weer een verschil in perceptie en dus onderdeel van het probleem. Het interessante is, dat we allebei nodig hebben: elke gemeenschap organiseert zich en elke organisatie heeft zaken gemeenschappelijk. Het een is niet beter dan het ander, ze zijn allebei nodig en lijken elkaar uit te sluiten. In de “vluchtelingen” (alweer framing) treedt de Tragedie van de Gemeenschappelijke Weide het duidelijkste op. De hele vluchtelingenproblematiek, is een manifestatie hiervan: organisatie en gemeenschap. Sommigen zitten daadwerkelijk vast in een tentje op een weide, de paradoxen kennen hun eigen ironie.

De complementaire splitsing leidt altijd tot stagnatie; de symmetrische tot escalatie. De eerste noemen we – bijvoorbeeld – economie, de tweede oorlog. Deze zijn niet alleen onverbrekelijk met elkaar verbonden, ze roepen elkaar ook op. Oorlog is “goed” (merk op dat “goed” en “slecht” ook weer een verschil betekent) voor de economie – ze groeit ervan – en economie – als ze stagneert – is “goed” voor de oorlog. De verschillen in dynamiek – escaleren en stagneren – hebben dezelfde bron en dezelfde bestemming: elkaar.

Nu zijn deze twee verschillen ook weer symmetrisch en complementair. Dit maakt, dat machtsverschillen (complementair) leiden tot stagnatie (vandaar de opmerkelijke trend naar een verdeling van 50-50 in verkiezingen) en tot de escalatie van “symmetrische” partijen (links/rechts). Die vervolgens weer om de macht gaan strijden. Daaronder ligt een universeel en onoplosbaar probleem: verdelingen. Er bestaat geen eerlijke verdeling. Verdelen, houdt in splitsen. Schismogenese is haar eigen oorzaak en gevolg.

Van lokaal naar globaal

Deze dynamiek was tot zo’n 200 jaar geleden vrij “onschuldig”, of in ieder geval “lokaal”. Dankzij het ontwikkelen van nieuwe technologie (overigens oorspronkelijk een vraag naar een ethische keuze: hoe goed te handelen) is ze thans “globaal”. We verkeerden al op de rand van de chaos, ze is nu alleen mondiaal.

Deze dynamiek heeft haar eigen logica, haar eigen wetten en regels. En ze zijn ook nog eens onvermijdelijk, omdat deze wetten aan hun eigen wetten moeten voldoen. Ze heeft ook geen oplossing en het kan daarom ook geen probleem zijn. Juist door haar te problematiseren (= perceptie), doet ze zich voor als een probleem. En zoeken we, hopen we op een antwoord, op de verkeerde plek. De sleutel ligt niet in het licht van de lantaarn, maar in het donker, waar we haar kwijt raakten.

En nu allemaal…
Wat is de vraag? Hoe in te zien dat angst om iets te vermijden wat we zelf geschapen hebben, de bron is van die angst. De stagnatie, onmacht en de wanhoop die we voelen is onvermijdelijk. Menselijk. Wat we zouden kunnen doen, is het accepteren, dat ook onze leiders onmachtig zijn. Ze gedragen zich als de machtige tovenaar van Oz – let niet op de mens achter het gordijn. De opdracht van de leider is niet langer het geven van antwoorden, noch het benoemen van de problemen. Het gaat om het ontwarren van de vraag, het vraagstuk. De vraag is, hoe te weten, dat je het ook niet weet. We zullen er met elkaar uit moeten komen, niet omdat we verschillend zijn, maar omdat we anders zijn.Net als Fransen.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Brussel
1. Ik leg ook de nadruk op “ook”. We hebben de neiging om te denken dat we alleen maar het een kunnen zijn, met uitsluiting van iets anders. Dat categorieën wederzijds uitsluitend zijn. Dat leidt ertoe dat we – wellicht onbewust – ook “de andere” buitensluiten.
2. We hebben moeite met kansen. Wanneer er een (kleine) kans is, dat iets gebeurt, zal het een hele tijd niet gebeuren en dan toch. De kans dat het dan (toch) gebeurt is 1.
3. Waanzin is steeds hetzelfde proberen in de hoop op een andere uitkomst. Zowel terroristen als staten zijn in die valkuil gevallen.

Voor meer informatie: raadpleeg “Paradoxes of Group Life

Lachen als dialoogprincipe

IMG_5167In een recent door mij begeleidde dialoog, vroeg ik na afloop aan de deelnemers om de dialoogprincipes te noemen. (Ik ga ervan uit, dat wanneer er principes zijn, ze niet verteld hoeven te worden, want “in principe” moeten we ze al kennen. Hier staan de officiële principes, op een bericht van Judith de Bruijn.). Daarbij kwam ook “humor” ter sprake als dialoogprincipe. Als één van de laatste en ook pas nadat ik de uitspraak “er zijn geen anderen, alleen mensen” drie keer herhaald had. Dat gaf aanleiding tot veel (opluchtend) gelach (vooral omdat ik verder ging met de opmerking “Andere?“). Uit een parallel gevoerde dialoog door een collega, was “humor” ook naar voren gekomen (dus N=2). Dat gaf mij weer aanleiding om een en ander nader te onderzoeken. Waarom staat lachen niet op één bij dialoogprincipes Waarom zo serieus?

Lachen heeft een aantal functies: lachen bevrijdt en verbindt. Lachen is daarmee een manifestatie van een paradoxale situatie.
Lachen ontspant, omdat het ons (even) bevrijdt van de paradoxale tegenstellingen (in dit geval onder meer binnen (ons departement) – buiten (de burgers), debat – dialoog, probleem – oplossing, vertrouwen – wantrouwen, …). De spanningen komen los. Merkwaardig genoeg, zonder dat er een “oplossing” bestaat.

Lachen verbindt, omdat dat de functie van lachen is. Uit onderzoek naar humor is gebleken, dat de meeste mensen helemaal niet lachen om wat er gezegd wordt. Onderzoekers constateerden tot hun verbazing, dat het meeste waarom gelachen wordt, gewoon niet grappig is. Ze/we lachen om aan te geven dat ze/we erbij (willen) horen. Door te lachen geef je bijvoorbeeld aan, dat je de ander gehoord hebt, waardeert, ziet. En een ander geeft je, door te lachen aan, dat jij gehoord bent.

Lachen kan je zien als “elixer*” (in termen van het verhaal van de held), waarmee “held” beter terugkeert in de realiteit, de gemeenschap, eigenlijk zonder dat er iets concreet is opgelost. Het is meer opluchting dan oplossing. Lachen, denk ik dan, is heilige graal van dialoog. Immers, niemand houdt van een serieus gesprek, toch?

Tegelijkertijd is lachen ook paradoxaal, omdat het wel spontaan moet komen (of is het gaan?). Je mag er eigenlijk niet op aansturen. Als facilitator, moet je soms de spanning opbouwen, kunnen uithouden. Hopen dat de lach komt, en zelfs dat niet.

Ik weet nog, dat ik jaren geleden als projectleider in een bijzonder beladen vergadering zat met twee directies tijdens een zware reorganisatie. Ik maakte een opmerking, waarop mijn directeur vroeg: “Meneer Lelie, bedoelt u dat serieus of als grapje?”.
Waarop ik zei: “Dat weet ik nog niet, dat bepaal ik pas achteraf”.
Een collega zei toen: “Dat is het. Zo werkt jij nou altijd!”.

O ja, ik spit altijd wat door. Dus ik heb de deelnemers ook gevraagd, wat ze verstaan onder “humor”. Er werd gezegd, “niet het masker (laten zien), relativeringsvermogen.” Dat zegt het opnieuw. Vooral dat laatste woord, waarin we “relatie” terug zien. Ons vermogen te relativeren bouwt relaties. Zo tonen we onszelf in lachen.

*) ik gebruik geen lidwoord, wanneer ik een archetype aanduid. Het is niet “het elixer” of “de oplossing”, maar elixer of oplossing. Merk overigens op, dat “oplossen” wel heel erg klinkt als “verlossen” en “bevrijden”. “Humor ist es, wenn man trotzdem lacht.”

Iedere dag een tip

beste wensen voor een gezond en succesvol 2016. Een van mij goede voornemens is, om iedere dag een tip voor betere vergaderingen, meetings, bijeenkomsten te publiceren via twitter. De hashtag is #sbbb, samen beslist beter besluiten.

Zwarte Pieten

hoofdstuk 1 paradoxDit is een voorbeeld van de paradox van “behoren”, identiteit. De waarden en normen van een groep – elke groep – bepalen welk uiterlijk of gedrag (= inhoud) wel en niet hoort (= proces). Wanneer het gedrag van het al dan niet behoren tot inhoud wordt, wordt duidelijk dat beide partijen vergelijkbaar gedrag vertonen EN elkaar daarop uitsluiten. Dit heet een “double bind”: hier is geen oplossing voor.

In schema Zwart –/ analoge tegenstelling –> wit –/ digitale tegenstelling –> niet zwart —-/ analoge tegenstelling –> niet wit — / paradox —> “niet wit” is NIET “zwart”.

Verschil trainen en faciliteren

hoofdstuk 4 wijzen-09Verschillen tussen trainen (en andere interventies) en faciliteren leg ik uit in mijn eerste boek, “Faciliteren als Tweede Beroep” en in de inleiding bij het Engelstalige boek. Ik ga ervan uit, dat een interventie altijd een beweging is, van één werkelijkheidsopvatting naar een andere. Er zijn 4 – voor het gemak – archetypische opvattingen: werkelijkheid bestaat uit actie (werk, rood), de werkelijkheid is waarheid (unitair, regels, blauw), werkelijkheid is wat we er met elkaar van vinden (sociaal, groen) en werkelijkheid als wat ik (werkelijk) wil (mythisch, unitair). Trainen vind altijd in een concrete realiteit plaats en kan bestaan uit vaardigheid in toepassen van regels (rood <--> blauw, analytisch), uit omgaan met gevoelens en emoties (dan noemen we het vaak coaching, rood <---> groen) of uit het uitdrukken van betekenis (rood <----> geel, vaak heet het dan repeteren). Faciliteren is een emergente beweging, het combineren van sociale werkelijkheid met ideeën en betekenis (groen <----> geel) In werkelijkheid (sic) zijn de verschillen diffuus en moet bijvoorbeeld ook faciliteren getraind worden en kan je faciliterend trainen. Het verschil, dat we maken, heeft vaak te maken met een achterliggende kwestie, aannames of situatie: wat maakt, dat je op zoek bent naar de verschillen?

Vertrouw je autoriteit

cropped-vazeqeurez-2.jpgConnie vroeg me wat er paradoxaal is aan “vertrouwen” en “autoriteit”.

Vertrouw het vertrouwen. De paradox is: “vertrouwen is goed, controle is beter“. Ik heb me daar altijd tegen verzet: controle versterkt het wantrouwen. We zeggen natuurlijk, dat dat niet het geval is, maar het voelt echt anders. Bij elke controle merk je, dat je niet vertrouwd wordt. Wat is anders het nut van controle? De controleur kan alleen maar zijn nut bewijzen door wantrouwen aan te tonen. De poortjes bij de NS zijn een perfect voorbeeld daarvan. De NS en de politiek – autoriteiten – MOETEN wel mensen vinden die erover heen springen, want anders is het “weggegooid geld”. Wat het overigens is.

De “double bind” is: “wanneer je te vertrouwen bent, hoef je ook niets te vrezen”. En wie wil er nu in angst leven? Wanneer we elkaar vertrouwen, is controle niet nodig. En leven we zonder angst. Maar hoe weten we dat we elkaar kunnen vertrouwen? Door te controleren. Maar als we wat te controleren hebben, is er blijkbaar grond voor wantrouwen? …. Dit is de oneindige regressie, het kenmerk van een paradox. In wezen is het leven zelf onbetrouwbaar. Je gaat er aan dood. Hoe kunnen we dan nog leven vertrouwen?

Vertrouwen is zowel een proces (ontwikkelen van vertrouwen) als een toestand (het vertrouwen). Je kan de toestand van vertrouwen alleen bereiken door die te ontwikkelen vanuit een toestand van wantrouwen, gebrek aan vertrouwen, onzekerheid, onveiligheid. Wat we meestal doen is het opbouwen van zekerheid door middel van controle. Dit heet ook wel “beheersing”. Uiteindelijk, kan je alleen op je zelf vertrouwen. En tegelijkertijd, kan je je zelf (jezelf?) niet vertrouwen (hoe weet je wat waar is? is leven geen illusie? wat als ik toch teleurgesteld wordt? Hoe verzeker ik me van geluk? # there’s someone in my head, but it isn’t me # (Pink Floyd)… ). Wanneer je jezelf vertrouwt, bevrijd je jezelf. Dat doorbreekt de beheersing en is een vorm van zelfbeheersing. De emergente kwaliteit van vertrouwen is vrijheid door middel van zelfbeheersing, een andere paradox. Zie hier “de wet van behoud van paradox” (= energie), de Eerste Hoofdwet van Groepsdynamica. In alle groepsprocessen is paradox behouden.

Let op trouwens: met trouwen gaan we een gelijkwaardige band aan, we worden in “de echt” verenigd. Waarin we elkaar zeggen te zullen blijven vertrouwen. Vandaar – denk ik dan – dat het schaduwwerk – omgaan met het complex in jezelf – in het huwelijk plaats vindt. Wie zei daar “vrijen”? Wanneer dit werk (!) niet goed gedaan wordt, ontstaat “van zelf” ontrouw en daarmee echt-scheiding. Die trouw, wordt ten overstaan van een autoriteit bevestigd: hier komt de andere paradox. Overigens, een bekend verhaal, hebben Rian en ik voor ons huwelijk de scheiding geregeld. Dat kan je dan maar beter doen, wanneer je elkaar vertrouwt …. .

Bevestig de Autoriteit is op dezelfde wijze zowel een proces – het proces van autorisatie – als een toestand. Het is vergelijkbaar met “quisque custos custodiet?“, wie zal de autoriteit autoriseren. We hebben daarvoor de Trias Politica, Politiek, Rechtspraak en Politie (!). Maar die zitten ook in een eeuwigdurende strijd over wie het laatste woord heeft: de rechter die de grondwet toetst, de politiek, die haar gezag aan het volk ontleent (zie de samenstelling van de Eerste Kamer 🙂 ) of de macht van de kracht? Uiteindelijk ligt de autoriteit bij G’d (geëxternaliseerd) en bij “volk” (geïnternaliseerd).

De autoriteit is altijd ook verwikkeld in een proces van (zelf-)autorisering. Een mooi voorbeeld daarvan is “Fuck de koning(in)“. Was z(h)ij een echte autoriteit, zou het bij de ondergeschikte niet opkomen om dat te zeggen. Tegelijkertijd, wanneer de autoriteit ertegen optreedt, wordt pas echt duidelijk dat deze autoriteit “nergens” op gebaseerd is. De dwang moet dus “in de wet” worden opgenomen. De wet is echter nutteloos, wanneer er geen overtredingen zijn… De nieuwe wet van Poetin is daarvan weer een kraakhelder voorbeeld: om de eenheid van de natie te beschermen, moeten we beschermd worden tegen de vrijheid om ons zelf te beschermen. En die kan natuurlijk alleen van buiten komen.

Vertrouw de autoriteit. Vandaar dat de paradox van autoriteit verwoven is met die van expressie en die van vertrouwen met verbinden, met “de ander”. De paradoxen zijn ook met elkaar verbonden, omdat Autoriteit “vanzelf” vertrouwd moet worden. Immers, wanneer dat niet het geval is, deugen zowel ondergeschikte als autoriteiten niet. Hier speelt “ouder”-positie versus “kind”-positie een rol. Wanneer kind tegen ouder in verzet komt, is het duidelijk, dat het kind nog geen “ouder” kan worden en terecht “tegen zichzelf beschermd moet worden”. Mooi voorbeeld is de alcoholwetgeving, waarbij de autoriteit van de wetenschap gebruikt, om aan te tonen dat wat al eeuwenlang goed werkt, drinken in je jeugd, niet werkt. Wie vertrouwt het oordeel van de wetenschap nu niet? Omgekeerd, zal ouder die nalaat kind te ontwikkelen autoriteit verliezen. “Volwassen” kunnen we dus zien als de autonome kwaliteit van de vertrouwde autoriteit EN de onvertrouwde onmacht.

Over trouwen trouwens: hoe kan autoriteit vaststellen (! let op de letterlijke betekenis) in hoeverre de twee elkaar vertrouwen en trouw zullen blijven? Dat moet wel aan een hogere macht, een super autoriteit worden toegewezen. Die G’d “is” de autonome kwaliteit van het verbond. Vandaar, waar we ook zijn, geroepen of niet, G’d is aanwezig.

De ene pool roept niet alleen de andere op, met elkaar roepen ze een nieuwe paradox op. Varela (Watzlawick (ed) “The Invented Reality“) wijst er op, dat elke paradox ook een emergente kwaliteit heeft, die zich uit in een “autonoom” fenomeen. Het enige wat ik eraan toevoeg, is dat dit autonome, zich zelfscheppende, fenomeen ook weer een paradox (of maar beter: paaradox) zal zijn. Vertrouwen “roept” ik en de ander op (en vice versa) en Autoriteit macht en onmacht. Hoe weet je dat ik te vertrouwen ben? Omdat ik autoriteit heeft. Deze roepen weer elkaar of andere paradoxen op, zoals elektrische stroom (plus en min) een magnetisch veld oproept (noord en zuid) en we met een stroom bijvoorbeeld een motor kunnen aandrijven, die beweging brengt (hier en daar) of een koelkast (warm – koud) mogelijk maakt … . Autonoom is in dat geval een interessant woord: “de eigen (auto) wet (nomos)”: alleen het stel zelf – het echte echtpaar – kan zich zelf trouwen. Maar dan wel eerst voor de wet en niet gaan samenhokken, want daar komt alleen maar ellende van …

Verder vroeg ze zich af: “Ik werk (tamelijk beperkt en simpel) met dat de ene pool de andere ‘oproept’. Daar zit dus weerstand en kun je ruzie krijgen.”

Maken van verschil, roept keuze op. Dit is precies – denk ik dan – waarom je het woord “werk” gebruikt: paradoxen “werken” en ook werken is paradoxaal, omdat we onderscheid maken tussen “nuttig” werk (echt werk) en onnut werk (of weerstand) en dat dit werk het echte werk is. In termen van Spinoza: G’d is het werkende werk, wat werkt “is” G’d, het werk zelf. G’d is ook het autonome fenomeen waaruit (en waarin) de werkelijkheid (!) is ontstaan en bestaat.

Bedankt voor de gedachte aan weerstand: dat is precies wat voorkomt dat de ene pool gelijk de andere opheft. De weerstand is noodzakelijk om de verschillen in stand te houden, lang genoeg om hun werk te doen. De kwalificatie “ruzie” heeft te maken met het autonome, emergente fenomeen dat weerstand “slecht” is. Zonder wrijving geen glans.

Het valt me in, dat wat in het Engels “realiteit” (Watzlawick (ed) “The Invented Reality”) genoemd wordt, in het Nederlands “werkelijkheid” heet. Dit zijn de twee aspecten van werkelijke werkelijkheid, reële realiteit. Wat werkt “is” de relatie. Daarmee schept deze werkelijkheid zich zelf. Onze taak is, dat te benoemen. Veel duidelijker kan ik het helaas niet maken.

Spiegels spiegelen jezelf

4 elementenOp een bijeenkomst van IPMA Nederland (International Project Management Association) en IAF Nederland, bespraken we verschillen modellen over gedragen teamwerk. Aan bod kwamen Belbin, Emergenetics, MBTI en Spiral Dynamics. In korte sessies van 20 minuten werden de kenmerken van de typologieën besproken. Aan het eind van de avond gaf ik een overzicht van de verschillen en overeenkomsten tussen de modellen. Het levendige gesprek is lastig te reproduceren. Een uitwerking van de presentatie staat hier:
Instrumenten van facilitators – interessegroep IPMA – v3

Modellen werken als een spiegel: we zien ons zelf er in, maar links en rechts zijn verwisseld. In de presentatie schets ik hoe alle modellen voort lijken te komen uit één grondmodel, een twee bij twee matrix. Daarbij heeft elk model een maker, ontwerper, bedenker of ontwikkelaar. Omdat we ons zelf in ons model zien, vertonen we de neiging om dubbelzinnige informatie uit te leggen als passend binnen ons model. Geen model past echter altijd en overal. Door verschillende modellen te kunnen hanteren, vergroten we ons vermogen om met situaties om te gaan, ten koste van de eenduidigheid.

De presentatie met bewegende beelden volgt later.