Evoluerend Universum

Naar aanleiding van een bijdrage in de Correspondent van Tamar Stelling, heb ik mijn gedachten laten opkomen over evolutie. [Tussen [] wat aanvullingen]

hoofdstuk7paden-02Evolutie, of evolueren – ik vermijd reïficeren -, is een emergent, autonoom fenomeen, ontstaan uit de paradox van “behoren” (Belonging), ofwel de schijnbare tegenstelling tussen samenwerken (overvloed) of concurreren (schaarste). Ik hanteer een inclusieve of: het kan ook allebei. Deze twee zijn niet tegengesteld aan elkaar, maar complementair. Ze vullen elkaar aan en de één is niet beter dan de ander. Eigenlijk is het één en hetzelfde proces, wat we aanduiden als evolueren. Omdat we om gewaar te worden onderscheid moeten maken1) , ontstaat daarbij een illusie van tegenstellingen. Deze fictieve tegenstellingen verwoorden we in zelfstandig naamwoorden, waardoor ze feiten lijken. 2)3)

Zoals evolueren altijd uit het best aangepaste (fittest) systeem bestaat – er kan geen ander bestaan, anders had dat wel bestaan -, zo ontwikkelt zich ook ons denken over evolueren. 4) Ons denken over evolutie past zich aan, evolueert ook.

[op ieder moment bestaat ons denken uit het begrijpen-tot-dan-toe. Ze is aangepast aan de situatie waarin we verkeren. Wat werkt werkt en wordt werkelijk. Omdat gewaarworden en oordelen onverbrekelijk met elkaar en de gegeven situatie verbonden zijn, kunnen we niet anders dan de gewaarde werkelijkheid verwerkelijken en voor waar houden. Ons wereldbeeld is noodzakelijkerwijs begrensd door – zie de paradoxen van behoren -, zowel ons eigen denken als het denken door anderen. Hieruit ontstaat de beleving van samenwerken (“eens”) of concurreren (“oneens”).

appel peer paradoxIn termen van het gehanteerde model van paradoxen, vertalen we oneens in niet-eens, een digitale tegenstelling. In beide gevallen kunnen we dit aanduiden met het woord “school” (werk zelf uit).

Het moge duidelijk worden, dat daarmee “denken” een noodzakelijk bijproduct is van “evolueren”. Vanuit een bepaald standpunt, zou je de hele evolutie kunnen beschouwen als een denkende, analoge computer, die haar eigen resultaten ontwikkelt. Met de DNA/RNA-“machine” code ontwikkelt zich de eiwit-“programmeertaal”. Een bacterie kunnen we dan opvatten als een stukje samenhangende code of “object”. Deze ontwikkelen zich – de term Agile dringt zich op – tot grotere systemen, met complexe interfaces. Het proces van evolueren omvat het product van evolutie. Zo werkt alles aan haar eigen betekenis.

Wanneer alles een uitdrukking is van paradoxen 5) – in dit geval de paradoxen van “expressie” of uitdrukken -, roepen deze processen een emergent fenomeen op. Ik kan dan zo verklaren, hoe het product van deze processen – in casu de mens – een schepper, designer of ontwikkelaar aanroept. Wat wellicht lastiger te begrijpen valt, is dat deze universele “maker” samenvalt met zijn of haar schepping en dat de geschapene als deel, noodzakelijkerwijs een “afbeelding” is van het geheel. Vandaar dat we in elke religie “verantwoording” dienen af te leggen over onze handelingen en dat ze tegelijkertijd de saamhorigheid (!) bevordert. Waar menige religie in doorslaat, is het verkondigen van een absolute waarheid.]

1) [uitvinden van de werkelijkheid, wat werkt]
2) [ik gebruik hier dus weer het verschijnsel dat feit en fictie “gemaakt” zijn. Reïficeren is dus een emergent fenomeen van waarnemen en denken, de paradox van engageren (Engaging, ofwel percipiëren. Je ziet hoe de paradoxen elkaar oproepen.)]
3) [In het artikel wordt beschreven dat darmflora en andere bacteriën bij ons horen. Dat geldt ook voor al onze “andere” cellen en zich daarin bevindende resten van bacteriën. In termen van de paradox van behoren, begrijp ik nu. hoe de samenhang bestaat tussen

  • identiteit (wellicht beter: identificeren of identfying)iedere cel heeft eigen eigenschappen EN die zijn “onteigent” (oneigenlijk gebruikt) uit algemene eigenschappen
  • individualiteit (en dus hier individualiseren of individualsing) iedere cel is zowel uniek als een deel van het collectief, dat de expressie van die individualiteit mogelijk maakt
  • betrokkenheid (betrekken, betrokken zijn of worden of involving iedere cel betrekt zich op nabije cellen, is tegelijkertijd afhankelijk en onafhankelijk van andere celle
  • grenzen (begrenzen of limiting iedere cel heeft grenzen en wordt begrensd door andere cellen.]

4) [Hiermee valt het universum dus samen met evolutie – niet voor niets allebei woorden die “draaiende beweging” suggereren – en het enigmatische godsbegrip. Niet voor niets begint de bijbel met “in de beginne scheidde (!) god hemel en aarde”]

5) Energie en paradox zijn equivalent. De “spanning” tussen de polen uit zich in de vorm van “energie” en “kracht”, die zich omzetten in “werk”. Omdat energie behouden is, is ook paradox behouden.

Drie regels voor productieve bijeenkomsten

Active participationTaal maakt de mens, zoals mensen taal maken. Onze taal is van oorsprong een “command-and-control“-taal. “Pas op!”, “Doe dat!”, “Hoe gaat het?”. Communicatie bestaat dan uit éénrichtingsverkeer.

In principe verstaan we een boodschap, zoals deze door de zender is bedoeld. Dit heet ook wel het Helsinki-principe, naar een afspraak op een conferentie over computers in de jaren ’50 in Helsinki. Generaliserend vormt het nog steeds de basis van onze bijeenkomsten en conferenties. Na de presentaties weten de deelnemers waar het over gaat. Eenrichtingverkeer.

Is het niet duidelijk? Dan moet het duidelijker gebracht worden. De spreker beter leren presenteren. Of neem een groter scherm, een illustratie of een (teken)filmpje. Niet verkeerd, maar het gaat voorbij aan een elementair principe: communiceren bestaat uit informatie delen. Minder mededelen, meer medeleden.

In bijgaand artikel geeft Dr Ravn duidelijk aan waarom en hoe we informatie daadwerkelijk moeten delen om tot resultaten te komen.

In bijeenkomsten moeten
(1) mensen autonoom (zelfstandig) informatie uit presentatie verwerken door
(2) betrokken (in kleine groepen) hun kennis te delen
(3) gericht op door hen bereikbare resultaten.

Meetings must transform (1) information delivered in presentations, through (2) knowledge sharing into (3) action that creates results.

Professionals moeten leren bijeenkomsten te faciliteren. Begrepen?

from_one-way_communication_to_active_involvement_0, White paper published by by Ib Ravn, Ph.D., Associate Professor, Aarhus University, 2015

Geld geldt

Yuval Harari schetst in zijn twee boeken – Homo Sapiens en Homo Deus – een beeld van de geschiedenis van de mensheid in respectievelijk het verleden en de toekomst. Geld en geloof of vertrouwen in elkaar, speelt daarin een hoofdrol, omdat “betekenen” het sleutelbegrip is, om mensen te begrijpen.

Een van zijn conclusies (en ook de mijne) is, dat we als mensen in twee werelden tegelijkertijd leven: een objectieve, feitelijke wereld en een fictieve, imaginaire wereld. De woorden feiten en fictie verwoorden dat al: beide zijn afgeleid van “facere”, maken.

Hetzelfde geldt voor het woord “geld”. Geld is zowel reëel, objectief en feitelijk als imaginair, subjectief en fictief. Het gebruik van het woord “geld” geldt als geldigheid voor deze bewering.

Een kenmerkend verschil tussen de reële en imaginaire werkelijkheid is, dat de eerste van nature begrensd is en de tweede vanzelfsprekend onbegrensd. Onze fantasieën, dromen en verhalen, zie de boekhandel, bioscoop of tv, kennen geen maat. Onze aardbol en alle voorwerpen, zijn eindig en begrensd. Sterker: ze begrenzen ook onze dromen. Dat noemen we de harde werkelijkheid. Dit verschil houdt overigens ook in, zoals Harari betoogt, dat een echt mens echte pijn en vreugde voelt, maar een groep mensen of organisaties niet.

Geld is een manifestatie van het Thomas Principe (“If men define situations as real, they are real in their consequences.”). Het verhaal dat we elkaar vertellen over geld heet “economie”. De fictie houdt ook in, dat het feit dat iets meer waard is, ook meer kost (“moet kosten”) of opbrengt (“prijzen” (!)) (dit is in een notendop het verhaal van de uitgaven in de zorg). En in het verhaal, vertellen we elkaar, dat de economie eeuwig moet groeien. En gelukkig kunnen we de cijfers op papier laten groeien. Wat we voelen, zien en horen, is dat het fictieve verhaal feitelijk niet meer klopt. Maar ja, wat dan?

Een van de gevolgen van het geloof in ons verhaal, is dat iemand die meer geld heeft, meer waard is. Dat houdt in meer macht en genereert de scheefgroei in het individuele kapitaal. De lengte van mensen heeft een natuurlijke verdeling, niemand groeit tot in de hemel. De verdeling van geld is “onnatuurlijk”. Het verhaal gaat, dat dat “verdient” is. Het is het sprookje van de kleren van de keizer: niemand staat te wachten op een tante Mathilde die gilde: “dat geld is niet echt, je bezit niet meer dan je lichaam”.

De taak waar we voorstaan, denk ik dan, is NIET het verzinnen van een ander verhaal. (Dit is een paradoxale opdracht, ik weet het) Het vraagstuk vraagt om een paradigma verschuiving. Het oude verhaal is niet waardeloos, het is niet langer waar en niet onwaar. We moeten terug naar de bron: “wat verstaan we onder elkaar, onze gemeenschap?”. Ik vermoed, dat het niet te maken heeft met het vertellen van verhalen, maar het vermogen om naar elkaar te luisteren. Een vermogen tot het voeren van een dialoog, zoals mijn lieve vriendin Sofia doet, over de verschillen. We dienen te gaan zoeken in het duister – in onszelf -, waar we de sleutel verloren hebben, en niet in het licht dat straalt op de deur.

Legenda als metamodel

Brein als metafoor voor werkelijkheidsopvattingenIk kreeg van Danny Greefhorst de vraag of ik het model van Nedd Herrmann (HBDI) kende. Jazeker ken ik dat, al uit de jaren ’90. (Ik bespreek het in het boek op pagina pagina 129)

Ik gebruik een vierdeling al in mijn afstudeerscriptie (1984), omdat ik geleerd had dat managers een matrix die ingewikkelder is dan twee bij twee niet kunnen begrijpen. Vanuit Kolb’s leerstijlen via Herrmann ben ik tot de opvatting van McWhinney gekomen. Hij presenteert het viervoudige model op basis van zijn studie naar veranderprocessen. Op basis van de Analytische Psychologie, de fenomenologie en Laws of Form meen ik, dat een archetypische of oorspronkelijke dubbele tweedeling de structuur van het universum vormt. Vandaar dat alle modellen in basis uit een vierdeling bestaat (bij een driedeling is er vaak een achtergrond als “vierde”; vijf is de “kwintessence”, de combinatie van de vier; verfijndere indeling zijn prima).

De kritiek op het model van Herrmann ( http://skepsis.nl/hbdi/ ) herken ik ook. Ze geldt ook voor MBTI, Management Drivers, Insights … etc. (Niet voor het enneagram, dat is een echte hoax). Ik heb een onderzoeksrapport van Coffield e.a. waarin maar dan 100 (leer)modellen (in 13 groepen) onderzocht zijn, waaronder HBDI. Ik verwijs daarnaar in mijn boek (p 103). De validiteit / voorspelbaarheid van modellen over mensen is nooit meer dan 70%, hetgeen mij als natuurlijk overkomt. De breuk tussen Jung en Freud, niet veel mensen weten dat, heeft ook te maken met de stelling van Jung, dat elk model van de menselijke psyche gemaakt is door een mens en derhalve ook de kenmerken bezit van zijn of haar bedenker. Dit geldt ook voor modellen in de natuurkunde, maar die “herkennen” hun bedenker of uitvinder niet. Freud meende dat zijn model wel degelijk universeel was.

Ik ben zelf een aanhanger van het radicaal constructivisme : we vinden modellen uit (in plaats van ze te ontdekken – dat is de achterliggende gedachtefout, overigens ook in de natuurkunde, dat we een model ontdekken) omdat ze (voor ons) werken. Het is een andere verwoording van “werkelijkheid is wat werkt”. Hierin schuilt wel een fundamentele menselijke behoefte om de (onzekere) werkelijkheid te beheersen. Zoals we vroeger de goden aanriepen, zo hanteren we nu modellen. Vandaar, dat de goden ook weer de psychologische aspecten van de mens uitdrukken. En dat de modellen nooit alle menselijke gedrag kunnen verklaren. Het universum zelf, trekt zich niets van onze modellen aan. Net zo, als onze god of goden.

Herrmann presenteert zijn model (in ieder geval later) met nadruk als metafoor. En zo zijn alle modellen metaforen, godsbeelden. Vandaar, dat hij de gebieden ook aanduidt als A,B,C en D. Het door mij gepresenteerde model is eigenlijk een “legenda” (lees ook”legendarisch“): de aanwijzing hoe een kaart of model te lezen. Het is een metamodel. En fractaal: binnen elk kwadrant, kan je weer een viervoudig model maken.

Oproep

kringgesprekHet woord faciliteren betekent verbinding maken. En omdat niemand “geen verbinding” kan maken, faciliteert iedereen.

Omdat iedereen toch faciliteert, doet niemand het perfect. Het is als het grapje, “my name is Nobody, because nobody is perfect“.

Om ons zelf te bekwamen in faciliteren zijn we een aantal jaren geleden gestart met een leergang”: Kunstmest; Faciliteren voor professionals”. Met professionals bedoelen we natuurlijk degenen die zich uitroepen tot facilitator. We staan nu aan de vooravond van de negende leergang, ingekort naar 4 dagen, van Kunstmest XP. Je kan nog meedoen, of je opgeven voor de volgende keer, begin 2017. Voor meer informatie: kijk op deze site.

Geen manieren om beter te leren faciliteren

You - Presenting Situation - Resources - Youdan door te doen.

Zelf doen – praxis – staat centraal in onze leergang Kunstmest; Faciliteren voor Professionals. Action learning, experiental learning, ontdekken en ontwikkelen met elkaar. Gebaseerd op een overkoepelend model. Dit is de laatste oproep voor deelnemers aan de 9e leergang, die 1 november van start gaat. Meer lees je op: http://www.faciliteren-als-2e-beroep.nl/kunstmest-xp/

Kunstmest XP – Negen

Deelnemers met certificaatFaciliteren of begeleiden van groepen vormt altijd een uitdaging, juist voor een expert. Wil je de uitdaging beter aangaan?

Op 1 november gaan Larissa Verbeek en ik weer een leergang faciliteren voor professionals geven. Deze keer weer een vierdaagse e-XP-ert leergang. In deze combinatie van training, coaching, intervisie en ervaringsgericht leren, maken we je sterker in het omgaan met groepen in veranderingsprocessen. Naast, nee, door middel van methoden en technieken begeleiden we je in de intake – de meest cruciale stap van een sessie -, ontwerpen, uitvoeren, afronden en rapporteren over een bijeenkomst. We ervaren met elkaar hoe je houding, positie en ademhaling beter te gebruiken, waar je weerstanden zitten (en hoe daar mee om te gaan). Het geheel is gegrondvest op een solide, bewezen metapraxis, beschreven in “Faciliteren als Tweede Beroep”.

Wil je referenties? Laat het ons weten.

Voor meer informatie of aanmelden: check deze site of stuur een mail naar mij, janlelie”at”mindatwork.nl

Hoe hoort het hier

Kunstmest 6 - Impressie door een dochtertjeBij het overdenken van het al dan niet uitbreiden van onze werkgroep, stuitte ik op de volgende pragmatische paradox:

De grenzen van relaties
We definiëren relaties (die hoort er wel en die hoort er niet bij) in termen van grenzen, maar grenzen (wie zijn er binnen en wie staan er buiten) zijn geen relaties. Dit is de essentie van de paradox van Behoren. Daarbij treedt een opmerkelijk fenomeen op: het symbool van de grens valt niet samen met de fysieke manifestatie van een grens. Bijvoorbeeld, een muur of een hek tussen landen, is een fysieke afbakening, die echter niet de band tussen mensen verbreekt. Of omgekeerd, wanneer we een grens hanteren als het einde van een relatie, moeten we een ander mens wel als “geen mens”-zien. Vandaar de neiging ze te ontmenselijken. We vergelijken ze dan met “dieren” of met bepaalde negatieve eigenschappen. Ze zijn niet we. (tussen haakjes: zo werkt het dus ook met teksten tussen haakjes).

Schaarste in overvloed
De paradox van Schaarste treedt altijd op in samenhang met de paradox van Behoren. Immers, wanneer er meer mensen bij ons komen, is er minder voor ons EN tegelijkertijd kunnen we de nieuwe mensen zien als een bron van overvloed. Zo zie je, hoe de Paradox van Schaarste leidt tot discussies over kosten versus opbrengsten. Ze benadrukt ook de paradox van “identiteit”. “Ze” hebben andere normen, waarden en gewoontes dan “we” en omdat “ze” anders zijn, horen ze niet bij “we”. Er ontstaat dan druk op de individuen van “we” tot saamhorigheid, opdat “ze” geweerd kunnen worden. De paradox maakt dan overigens, dat een individu naar voren komt, die weer niet representatief is voor de groep waar hij of zij voor staat. Vervolgens maakt dit weer, dat de symbolen nadrukkelijker benadrukt worden. Uiteindelijk volgt dan het “economisch” argument – het zijn economische vluchtelingen versus de economie kan het niet aan – als begrenzing. En niemand merkt op, dat schaarste ook de oorzaak is van het verlaten van “het huis”.

De discussie in Duitsland – over de satire – gaat nu zelfs zover, dat het gebruik va symbolen (“vrijheid van meningsuiting”) tot een symbool gemaakt is.
Trouwens, ook de hele Panama Papers affaire is een mooie illustratie van de paradox van grenzen, schaarste en wat wel en niet (be)hoort.

Verlossing
In dit verband (sic) lijkt het woord verlossing op haar plaats. Er zijn geen oplossingen voor de paradoxen van Behoren, en/of de paradox van Schaarste. De paradoxen staan beide als tekens, als symbolen, voor een (komende) transformatie: die van verlossen zelf. Net zoals (maken van) relaties van een ander logisch type is als (leggen van) grenzen, zo is verlossen van grenzen van een ander logisch type als opheffen van relaties. In de woorden van Po: “Er is geen geheim, het duurde even voor ik het door had”.

Als je begrijpt wat ik bedoel

haas eendEen Jung werkgroeplid stuurde me een mail:

Eend en Haas
“Je kent het plaatje in de bijlage ongetwijfeld. Is het een haas, of is het een eend?

Stel je voor, dat twee mensen aan het tekenen zijn. Zij maken hun tekeningen op grond van een aanwijzingen door een derde en het voeren van een gesprek met elkaar, inclusief de derde. Het object dat getekend wordt vormt zich aldus: het is niet concreet van te voren gegeven. En ze hebben geen zicht op elkaars werk. Het resultaat is dat de een een haas en de ander een eend heeft getekend. Uiteraard zijn beide tekenaars zeer verwonderd elkaars werk tenslotte te zien.

In het dagelijkse samenwerken doet zich dit waarschijnlijk doorlopend voor, zonder dat dit ooit duidelijk wordt noch problemen veroorzaakt. Tenzij er uit de uitkomsten juist wel problemen ontstaan. Naarmate de belangen groter zijn en ieder op zijn manier zich enorm heeft ingespannen zal zich dat ook in emotie en drama vertalen. De boel slaat los, er is geen contact en ook geen wederkerigheid meer. Het tendeert naar (symbolische) oorlogsvoering. Nadat de escalatie is uitgewoed en ieder zichzelf wat hersteld ontstaat pas weer de ruimte om naar elkaar te kijken. De schade is groot maar nog beroerder is het dat pas dan het inzicht in elkaars goede intenties naar voren komt. Dat besef maakt duidelijk dat het allemaal heel anders had gekund. Maar dat is achteraf. Niet bekend is wat hier nu eigenlijk in het spel is geweest.

Herken je wat ik bedoel?”

Möbius Ik herken je voorbeeld; ik vermoed dat een en ander speelt in elke situatie. Net zoals je niet begrijpt wat ik bedoel met het volgende:

Paaps en Turks
het is – zoals de tekening – een paradox. De “oplossing” wordt ook wel het Helsinki-principe genoemd. Bij een vroege conferentie over automatisering in Helsinki, is afgesproken dat betekenis van een boodschap, verzonden door een zender, bij de ontvanger voor 100% de betekenis is, als bedoeld door de zender. In alle andere gevallen bestaat er nl onzekerheid over de “echte” betekenis.Dit principe wordt door vrijwel iedereen impliciet gehanteerd. Belangrijke uitzonderingen zijn cabaretiers, het is immers de basis van een goede grap. Als voorbeeld kan je de huidige controverse over Erdogan in de Duits-Turkse verhouding gebruiken.”

Vanaf hier begrijp je me weer 🙂

Verzoek en opdracht?
Dit houdt in, dat iedere boodschap een meta-boodschap bevat die in een proefschrift van ene Pieter Wisse genoemd wordt Every sign is a request for compliance . In jouw mail maak je dat expliciet, maar het zit verscholen in elk (mail) bericht en verklaart de explosieve groei van berichtuitwisseling. (Wat ik interessant vond in mijn contact met Pieter Wisse, is dat hij zelf niet de (paradoxale) implicaties hiervan begreep, en een “taal” heeft ontwikkeld om dit “op te lossen”.) In het kader van je vraag, is dit “request” natuurlijk een (impliciete) “opdracht”.

Ik en ander
In iedere boodschap hanteren we naast de expliciete structuur van een zin, een impliciete grammatica. Deze impliciete grammatica maakt gebruik van een netwerk van opvattingen en aannames, die we “cultuur”, “wereldbeeld” of “werkelijkheidsopvatting” kunnen noemen. Dat laatste woord past het best, omdat het gaat over “wat werkt”. Dit zijn de pragmatische aspecten van menselijke communicatie. In communiceren dienen we steeds rekening te houden met “de ander”, opdat onze boodschap overkomt. Paradoxaal genoeg, kan het zijn, dat wanneer we juist het tegendeel zeggen van wat we willen beweren, de boodschap – in termen van betekenis – beter overkomt. Kort gezegd, wanneer iemand ander het niet met ons eens is – of zelfs boos wordt – heeft zij of hij de boodschap beter begrepen, dan na een kort instemmend “hmm”.

Ik en zelf
Verder heeft het Helsinki-principe nog een ander “aspect”: het veronderstelt, dat de zender de eigen boodschap begrijpt. Ik zelf zeg altijd, dat ik pas weet wat ik denk, wanneer ik mezelf hoor praten. Met andere woorden, er is een feed-back loop waarin ik ook op mijzelf het Helsinki-principe toepas. Verder zal de ontvanger begrijpen dat dit het geval is, of doet alsof dat niet het geval is. “Als je begrijpt wat ik bedoel” (overigens een mooie naam voor deze paradox).

Escalatie en stagnatie
In je vraag beschrijf je de paradox en haar “oplossing”: elke communicatie “veroorzaakt” escalatie (symmetrische situatie noemt Bateson dit) en stagnatie (complementaire situatie). “Veroorzaakt” tussen “”, omdat het niet de communicatie is, die dit veroorzaakt, maar de paradoxen van Expressie. Alleen in de beweging van de ene situatie naar de andere – wat jij “in-between” noemt en wat Hannah Ahrendt aanduidt met de “inter-esse“, het “tussen-zijn” – vindt betekenis overdracht plaats. (Merk op, dat ik hier de betekenis tussen – – zet). Dit fenomeen wordt wel “coupling” genoemd.

Wat het zo lastig maakt om dit te begrijpen, is deze “coupling” een proces is. Dit proces vindt plaats in het tweedimensionale (ofwel “complexe”) vlak, waarbij wij, door de aard van onze materiële existentie, alleen zichtbaar toegang hebben tot de reële as. De andere – de “irrationele” of beter “laterale” as – ervaren we wel, maar ze manifesteert zich niet concreet. We kunnen haar alleen in de realiteit representeren, door een tekening. Stel je een spiraalbeweging voor, waarvan je alleen de afbeelding in het platte vlak of een doorsnede ervaart. Dit is een cirkel. Ontbindt de cirkel in twee assen en je hebt een kruis in een cirkel. “Als je begrijpt wat ik bedoel”

Begrip en onbegrip
Een (waargebeurde) anekdote: tijdens een van de uitvoeringen van onze Leergang Kunstmest, zie op de derde dag Carolien – een van de meest intelligente vrouwen die ik ken – tegen me:
“Jan, ik begrijp niets van wat je bedoelt met je uitleg (over mijn boek)”.
Waarop ik haar bij de bovenarm “begreep” en zie: “ik begrijp je Carolien”.
“Nee”, zei ze, “ik begrijp je echt niet”.
Ik begreep haar weer en herhaalde “ik begrijp je Carolien”. Ze zei het nog een derde keer en ik herhaalde mijzelf opnieuw.
Een paar uur later bleek – uit haar gedrag – dat ze me volkomen begrepen had.

Paradox
appel peer paradoxWellicht ten overvloede: paradox vormt de grond voor betekenis. Betekenis vat ik op als een emergente eigenschap van wisselwerken. Je kan wisselwerking opvatten als gebruiken van spanning uit de complementaire tegenstellingen Vergelijk “appel” en “peer”. Een “peer” is geen “appel” en “appel” is niet “geen appel”. Een peer is ook niet “geen appel” en niet “geen peer”. Maar iets wat niet “geen peer” is, is nog geen “appel”. In onze pogingen om te begrijpen, gebruiken we de verschillen en scheppen we daarmee (vandaar “eigenschap”) de gewaarwording die we als “betekenis” ervaren. Betekenis is dus niet alleen contextueel, ze is ook subjectief en “imaginair”. De reële kant daarvan is het voorwerp – laten we zeggen “de appel” – de appel die we zien. De laterale of imaginaire kant vormt zich tot het symbool, betekenissen van “appel”. En dat kan van alles zijn, daarom gebruik ik ook bewust “appel”. (Merk op, dat je een appel kunt verschillen :-)). De “echte” betekenis van de appel, zit in het opeten. Maar dan houden we alleen een klokkenhuis over.

In de paradoxale tegenstelling is altijd sprake van een, of ander (=twee), een en ander en noch een noch ander. In communicatie is altijd sprake van begrip, of onbegrip, begrip en onbegrip en noch begrip, noch onbegrip. Merk overigens op, dat dit onafhankelijk van het bestaan van (gesproken) taal is.

Nous y sommes tous Français

Naar aanleiding van 22/3: “We zijn ook allemaal Belgen / Nous y sommes tous Belges”

Marijn Kruk stelt in De Correspondent de vraag Waarom de Fransen liever in een veiligheidsstaat dan in een democratie lijken te willen leven. Ik heb een notoire hekel aan waarom-vragen. Waarom? Daarom! Welke vraag speelt hier echt?

In de titel staat al aan wat er aan de hand is: begrenzen (Frans / On-Frans), perceptie (zeggen / doen) en macht (democratie / autoritair ). De drie basis paradoxen. Dit is niet een Frans fenomeen, maar universeel. “Nous y sommes tous Français”.

Inleiding
Lelie constellationDeze verschijnselen zijn al door Bateson beschreven in de jaren dertig van de vorige eeuw. De term hiervoor luidt: “schismogenese“. Ze gelden voor alle groepen, in alle situaties. Het enige verschil is de orde van grootte. Waren het “tot voor kort” (ik denk dan aan 200 jaar) lokale verschijnselen, nu zijn ze mondiaal. Kort gezegd: omdat de (wereld) economie vastloopt, een “Tragedy of the Commons“, zoals onder meer blijkt uit de klimaatproblematiek, manifesteert zich een (universeel) onderliggend verdelingsprobleem, dat zich uit in escalatie, “meer van hetzelfde”. Door het inzetten van “macht”, maskeren we onze machteloosheid in het verlossen van onszelf uit een situatie die we zelf geschapen hebben.


Verschillen verschillen
Schismogenese, is meer dan het ontstaan van verschillen. In iedere groep treedt “splitsing op”, sterker nog, splitsen is noodzakelijk voor het vormen van groepen. Of de verschillen natuurlijk of kunstmatig zijn, daar kan je over van mening verschillen (ook dat is een verschil). Een groep gaat altijd over zij/wij, in/out, wel/niet. De problematiek is er echter altijd een van apart/samen, meer/minder, …

Met ander woorden, een analoge situatie (meer/minder samenwerken) wordt altijd “geframed” in digitale termen (nee/ja samenwerken, zie het komende referendum). De framing zelf is ook een vorm van verschil maken. En dus betrekken we die vervolgens op onze eigen groep. Onze groep is “goed”, de anderen minder en dus “niet”. Daar gaan we meestal aan voorbij: framing, inclusief deze discussie, wordt onderdeel van het probleem (vandaar: “perceptie”). Dit noem ik, in navolging van Bateson, de dubbele binding, “double bind“.

De splitsing kan complementair zijn, de groepen vullen elkaar aan, of symmetrisch, de groepen lijken op elkaar. In het eerste geval spreken we meestal over een organisatie (waarin de functie verdeeld zijn), in het tweede geval over een gemeenschap (waaraan we betekenis ontlenen). Dit is ook weer een verschil in perceptie en dus onderdeel van het probleem. Het interessante is, dat we allebei nodig hebben: elke gemeenschap organiseert zich en elke organisatie heeft zaken gemeenschappelijk. Het een is niet beter dan het ander, ze zijn allebei nodig en lijken elkaar uit te sluiten. In de “vluchtelingen” (alweer framing) treedt de Tragedie van de Gemeenschappelijke Weide het duidelijkste op. De hele vluchtelingenproblematiek, is een manifestatie hiervan: organisatie en gemeenschap. Sommigen zitten daadwerkelijk vast in een tentje op een weide, de paradoxen kennen hun eigen ironie.

De complementaire splitsing leidt altijd tot stagnatie; de symmetrische tot escalatie. De eerste noemen we – bijvoorbeeld – economie, de tweede oorlog. Deze zijn niet alleen onverbrekelijk met elkaar verbonden, ze roepen elkaar ook op. Oorlog is “goed” (merk op dat “goed” en “slecht” ook weer een verschil betekent) voor de economie – ze groeit ervan – en economie – als ze stagneert – is “goed” voor de oorlog. De verschillen in dynamiek – escaleren en stagneren – hebben dezelfde bron en dezelfde bestemming: elkaar.

Nu zijn deze twee verschillen ook weer symmetrisch en complementair. Dit maakt, dat machtsverschillen (complementair) leiden tot stagnatie (vandaar de opmerkelijke trend naar een verdeling van 50-50 in verkiezingen) en tot de escalatie van “symmetrische” partijen (links/rechts). Die vervolgens weer om de macht gaan strijden. Daaronder ligt een universeel en onoplosbaar probleem: verdelingen. Er bestaat geen eerlijke verdeling. Verdelen, houdt in splitsen. Schismogenese is haar eigen oorzaak en gevolg.

Van lokaal naar globaal

Deze dynamiek was tot zo’n 200 jaar geleden vrij “onschuldig”, of in ieder geval “lokaal”. Dankzij het ontwikkelen van nieuwe technologie (overigens oorspronkelijk een vraag naar een ethische keuze: hoe goed te handelen) is ze thans “globaal”. We verkeerden al op de rand van de chaos, ze is nu alleen mondiaal.

Deze dynamiek heeft haar eigen logica, haar eigen wetten en regels. En ze zijn ook nog eens onvermijdelijk, omdat deze wetten aan hun eigen wetten moeten voldoen. Ze heeft ook geen oplossing en het kan daarom ook geen probleem zijn. Juist door haar te problematiseren (= perceptie), doet ze zich voor als een probleem. En zoeken we, hopen we op een antwoord, op de verkeerde plek. De sleutel ligt niet in het licht van de lantaarn, maar in het donker, waar we haar kwijt raakten.

En nu allemaal…
Wat is de vraag? Hoe in te zien dat angst om iets te vermijden wat we zelf geschapen hebben, de bron is van die angst. De stagnatie, onmacht en de wanhoop die we voelen is onvermijdelijk. Menselijk. Wat we zouden kunnen doen, is het accepteren, dat ook onze leiders onmachtig zijn. Ze gedragen zich als de machtige tovenaar van Oz – let niet op de mens achter het gordijn. De opdracht van de leider is niet langer het geven van antwoorden, noch het benoemen van de problemen. Het gaat om het ontwarren van de vraag, het vraagstuk. De vraag is, hoe te weten, dat je het ook niet weet. We zullen er met elkaar uit moeten komen, niet omdat we verschillend zijn, maar omdat we anders zijn.Net als Fransen.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Brussel
1. Ik leg ook de nadruk op “ook”. We hebben de neiging om te denken dat we alleen maar het een kunnen zijn, met uitsluiting van iets anders. Dat categorieën wederzijds uitsluitend zijn. Dat leidt ertoe dat we – wellicht onbewust – ook “de andere” buitensluiten.
2. We hebben moeite met kansen. Wanneer er een (kleine) kans is, dat iets gebeurt, zal het een hele tijd niet gebeuren en dan toch. De kans dat het dan (toch) gebeurt is 1.
3. Waanzin is steeds hetzelfde proberen in de hoop op een andere uitkomst. Zowel terroristen als staten zijn in die valkuil gevallen.

Voor meer informatie: raadpleeg “Paradoxes of Group Life