Wie zegt er wat?

Van voorwerpen, dieren en mensen nemen we gedrag waar. Voorwerpen gedragen zich bij een interventie altijd op een voorspelbare en aan de interventie proportionele wijze. Hoe harder je tegen een steen schopt, hoe verder hij weg vliegt. Dieren reageren op minder voorspelbare en niet proportionele wijze. Wanneer je tegen een hond schopt kan deze bevriezen, vluchten, vechten.

Mensen hebben via taal het vermogen ontwikkeld om zelf over hun gedrag te reflecteren. Een mens, indien geraakt, is in staat te bevriezen, te vluchten of te vechten EN zijn of haar gedrag van een verklaring te voorzien. Het vinden van verklaringen, verduidelijken, inzicht of kennis – inclusief het verklaren van “een zelf”, “geest”, “mind” of “ziel” – is een wezenskenmerk van menselijk gedrag. Zowel dieren als mensen beschikken over hersenen of een brein. Het vermogen tot zelfreflectie van mensen gebruik dat brein. Het brein, als bron of oorzaak van zelfreflectie, reflecteert over zich zelf. Wanneer we spreken over een brein, spreken we ook over een mens . Brein – bijvoorbeeld in de titel ” We zijn ons brein” – is een pars pro toto. Dit opent de mogelijkheid van een mereologische drogreden (p. 35): een deel van een verschijnsel gebruikt als verklaring van een geheel. De hersenen vormen een deel van het brein, het deel dat denkt dat het denkt. Echter, om te denken heeft het brein het lichaam nodig.

Met behulp van ons brein nemen wij mensen onze omgeving waar. Aanvankelijk leren we waarnemen in termen van gedrag: naar gedrag (“warmte”, “voedsel”) dat ons bevalt willen we toe en van wat niet bevalt (“hitte”, “honger”) willen we weg. We projecteren ons lichaam op de omgeving. Geleidelijk aan leren we onze waarnemingen in te delen, bijvoorbeeld in “warm” en “koud”, “goed” en “slecht” of “man” en “vrouw”. Op basis van een indeling in categorieën baseren we de verklaringen voor ons gedrag. “Ik koop voedsel omdat ik honger heb”. We projecteren onze woorden op de omgeving.

Ons brein deelt noodzakelijkerwijs de werkelijkheid in, categoriseert of herkent daardoor. Maar geen enkele indeling betreft echte attributen van die werkelijkheid. “De kaart is niet het landschap” en “het woord is niet datgene waar over we spreken”. Daarbij kunnen we geen indeling maken die in alle gevallen altijd iets of iedereen in één van twee (of meer) categorieën indeelt. We maken onderscheid tussen man en vrouw, op basis van allerlei kenmerken. Toch blijkt ongeveer 1 op de 1500 mensen niet in te delen. De indeling is “handig”, maar niet objectief.

The world does not speak – only we do.
Rorty R. – Contingency, Irony, and Solidarity

Verder veroorzaak een indeling de neiging om iets in één categorie in te delen, wanneer het niet tot de andere behoort. Bijvoorbeeld, wanneer we mensen indelen in “man” en “vrouw”, hanteren we de definitie dat “man” niet-vrouwelijk inhoudt en bij de definitie van “vrouw” niet–mannelijk. Omdat we impliciet uitgaan van een tertium non datur (een derde is niet gegeven), zijn we niet instaat “niet-man” en “niet-vrouw” als aparte categorieën naast “man” en “vrouw” te zien. Het kunnen gebruiken van het woordje “niet”, is zowel de sterkte van taal – we kunnen met niet iets ontkennen – als haar zwakte – we kunnen, in termen van gedrag, niets ontkennen.

Over Jan Lelie

Loves to facilitate groups in complex situations
Dit bericht is geplaatst in Brein, paradox met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.