Wat werkt

We hebben alleen toegang tot onze waarnemingen over een werkelijkheid en niet tot “een echte werkelijkheid”. Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat “werkelijkheid” (geen lidwoord) niet bestaat; er bestaat werkelijkheid “out there”. Of dat het een sociale constructie is; ze bestaat ook wanneer we het er niet over hebben. Ook denk ik dat we geen werkelijkheid dromen of een onderdeel zijn van een “matrix” of dat er een werkelijkheid achter de werkelijkheid schuilgaat. Werkelijkheid is wat werkt, “wat het geval is”. Ik denk dat we onderdeel uitmaken van werkelijkheid en neem het idee van het “realiseren van de werkelijkheid” (wel een lidwoord) ook letterlijk. Door ons te verbinden – li, als in relatie – met de zaak – res – worden we wat werkt gewaar. We nemen waar, letterlijk en figuurlijk, door waarnemen waar. We hebben geleerd om waar te nemen, zoals we hebben geleerd te zien, te horen, te proeven. te voelen en te ruiken. Waarnemen neemt de indrukken samen. We kunnen daarbij maar moeilijk onderscheid maken tussen proces (waarnemen) en resultaat (waar-heid). Ik denk, getipt door Spinoza, dat werkelijkheid samenvalt met wat werkt. Elders licht ik toe dat ik vermoed dat in “werkelijkheid” kaart en landschap samenvallen. Er bestaat geen onderscheid tussen waarnemer en waarnemen.

Als we alleen onze waarnemingen hebben, hoe weten we dan wat er werkelijk bestaat? Allereerst kunnen we op basis van onze waarnemingen in de concrete wereld zaken onderzoeken. We begrijpen door te grijpen. Zo leerden we onze weg in de wereld te vinden. Hier geldt “wat werkt, werkt”. Naast wat werkt ontdekken we ze ook wat iets betekent, iets inhoudt – voor ons. Echter, de betekenis van wat werkt en wat werkt komen niet overeen. De techniek die we hiervoor gebruiken noemen we meestal projecteren, maar we kunnen het ook afbeelden noemen. Dit kunnen we beschouwen als afbeelden: we vormen – mentale, intuïtieve, gevoelsmatige – beelden van wat werkt. Deze afbeeldingen komen niet noodzakelijker wijs overeen met werkelijkheid. Hieruit volgt mijn stelling dat we in geval van twijfel altijd de voorkeur moet geven aan de concrete werkelijkheid. En we kunnen hier meer mee.

Op de tweede plaats kunnen we onze waarnemingen waarnemen. Daarvoor bestaan verschillende technieken. Byron Katie (p. 112) biedt met de “TheWork” een bruikbare methode of techniek om onze werkelijkheidsopvattingen te onderzoeken. Hoewel sommigen de werkwijze zweverig vinden, weerstand voelen of het enthousiasme van “de gelovigen” maar moeilijk kunnen accepteren, werkt de techniek, wanneer we daarover heen stappen, goed. De naam “het werk”, is goed gekozen, want het werk is wat werkt. Ons werk bestaat in de eerste plaats uit werken en in de tweede plaats uit het bewerken van onze indrukken. Dit laatste kan leiden tot problemen, kwesties. De meningen, betekenissen of interpretaties die we hechten aan onze indrukken kunnen inadequaat worden. Leren heeft een dubbel effect: we leren hoe ons te gedragen en het gedrag wordt in onze hersenen en ons lichaam opgeslagen. Omdat het gedrag “werkte”, blijft de werking aanwezig. We herhalen ook vaak – repeteren, oefenen – het geleerde. Wanneer we geen adequate voorstellingen hebben – wanneer we last krijgen van onze eigen ideeën en vooral gevoelens -, wanneer we ons ergeren, kunnen we van Katie leren hoe hiermee om te gaan.

Ze werkt met vier eenvoudige vragen die iemand – in de rol van een coach – aan een ander stelt. De eenvoud schuilt in het gebruik van standaardvragen, waardoor de coach niet verleid wordt tot eigen interpretaties of waarnemingen. De vragen dienen met aandacht op de ander, maar zo neutraal mogelijk gesteld te worden.

Ze hanteert – met enige variatie – deze vragen over met name een stressvolle waarneming. (Er bestaan andere; ik heb zelf een voorkeur voor open vragen, die zal ik een andere keer stellen).

Schrijf op (ik denk dat opschrijven ook essentieel is) waar je mee zit, waar of met wie je een probleem hebt. Geef dat aan een ander die de dat herhaalt en er de volgende vragen over stelt.

  1. Is het waar? (soms herhaal ik wat er opgeschreven staat, in plaats van “het”)
  2. Kun je absoluut weten dat het waar is? (idem)
  3. Hoe reageer je, wat gebeurt er, wanneer je die gedachte hebt? (hier begint de omkering: heb jij de gedachte, of heeft de gedachte jou?)
  4. Wie zou je zijn zonder de gedachte? (hier nemen we de identificatie waar)
  5. en keer het om.

De laatste stap vormt natuurlijk de twist, het contrapunt, de verandering van de waarneming. Hier ontstaat soms ook onduidelijkheid over het “hoe omkeren”. Veel mensen keren de stressvolle gedachte om door deze te ontkennen. “Ik voel me teleurgesteld wanneer X zo reageert” wordt dan “Ik ben niet teleurgesteld wanneer ..”. Persoonlijk heb ik de neiging om geen ontkenningen te accepteren, omdat we in gedrag niet kunnen ontkennen. Mijn omkering zou eerder luiden: “wanneer ik zo reageer, is X in mij teleurgesteld” of “ik wil, verlang, mag zo reageren als X”. Veel van onze problemen komen voort uit onze pogingen een ontkenning te negeren: daarom ontwikkelde ik het Semiotisch vierkant als uitbeelding van een paradoxale situatie (p. 37).

Over Jan Lelie

Loves to facilitate groups in complex situations
Dit bericht is geplaatst in Begeleiden, paradox, zelf met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.