Inscholing 19 juni zeer succesvol

De inscholing van 19 juni kwam wat moeizaam op gang. De groep was wat groter dan verwacht, de koffiemelk ontbrak nog, het was vroeg, deelnemers waren afwachtend. De deelnemers waren in verwarring. Het duurde even voordat de “klik” er was. Eigenlijk pas na de pauze. Maar toen ging het van een leien dakje.

Stap voor stap bespraken we de verschillende hoofdstukken, nu eens aan de hand van een vraag van een deelnemers, dan weer met een anekdote. De deelnemers stelden vast dat het een zeer nuttige inleiding was en eigenlijk noodzakelijk om te goed te begrijpen hoe dit boek werkt. Het is – zei ook weer één van de deelnemers – geen gewoon managementboek, geen gewoon boek over leiderschap. Eigenlijk is het te moeilijk. Of, zoals ik in de inleiding zei, het boek is niet moeilijk, maar ongemakkelijk.

In de komende tijd zal ik een aantal van de vragen uit de bijeenkomst bespreken. Hier de eerste twee.

1. Facilitator wil verbinden – teamlid wil praktische afspraken
2. Hoe krijg ik mensen uit “taak”denken/praten en naar “gedrags & gevoel” denken/praten?

1. Facilitator wil verbinden – teamlid wil praktische afspraken
De dispositie van een facilitator is om te verbinden. “Li” komt van “yui“, verbinding. We vinden het ook in “relatie” en “realiteit”. Faciliteren houdt in mensen met elkaar en hun ideeën te verbinden. Veel “normale” mensen – deelnemers die niet faciliteren – prefereren dingen doen. De echte doener komt niet naar een vergadering, want er gebeurt daar niets. Daarbij hebben mensen de neiging om snel in oplossingen te denken en die te gaan uitvoeren. Mensen hebben behoefte aan concrete resultaten van hun inspanning, en concreet is concreet, tastbaar en niet het concreet van voelbaar. Het is afhankelijk van de context hoe ik hiermee zou omgaan.

Wanneer deelnemers verder willen, terwijl ik denk dat we nog langer in verbinding moeten blijven, beschouw ik dat als een teken dat een aantal deelnemers al verder is dan de rest van de groep. Misschien is het tijd door te pakken. Dit zijn voorlopers. Ik bevestig dat, bijvoorbeeld door te zeggen: “dat – ik ga ervan uit dat er een praktische afspraak voorgesteld wordt – klinkt als een goed voorstel. We gaan daar zo meteen mee verder, wanneer we hebben vastgesteld dat iedereen verder kan.” Of: “heel goed, dat is precies het volgende punt waarmee ik wil verder gaan. Ik ga eerst even kijken of iedereen zover is”.

Het kan zijn dat één of een paar deelnemers verder willen en de rest niet. Ook hier test ik weer even mijn veronderstelling. Soms geef ik ze de ruimte en gaan ze vast aan de slag, bijvoorbeeld in een hoek van de ruimte. Het kan ook zijn dat ze trachten een pijnlijk onderwerp te vermijden of inderdaad niet de verbinding met de rest van de groep willen aangaan. Het kan zijn dat dit incidenteel en passend is en dan zou ik daar niet te lang bij stil staan. Laat ze maar even “afhaken”.

Wanneer het echter structureel en een symptoom van disfunctioneel gedrag is, dan heb ik dat meestal al bij de intake of de voorbereiding gemerkt. Voorbereiden is de cruciale stap in faciliteren. Ik gebruik dan een concrete, op verbinding gerichte techniek, zoals krachtenveld analyse of “bewegen naar waar het speelt”, een eenvoudige vorm van opstellen.

Bedenk dat mensen gehoord en gezien willen worden en dat sommigen daar heel concreet in zijn: ze menen dat ze alleen door hun resultaat erkend worden. Laat merken dat het aangaan van een verbinding met een ander – in eerste instantie met jou als facilitator – ook een praktisch resultaat is.

Over Jan Lelie

Loves to facilitate groups in complex situations
Dit bericht is geplaatst in metapraxis, paradox, Samenscholing, Uncategorized, werkelijkheidsopvatting, workshop met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.