Lichamelijke representatie

Bij familie en organisatie opstellingen maken we gebruik van representaties. Dat houdt in dat we deelnemers vragen om in een houding een positie in te nemen die de situatie representeert. Representeert is het juiste woord, omdat de houding altijd in het hier en nu is “present” en een boodschap presenteert, die door onze eigen lichaam in samenwerking met onze hersenen tot betekenis gemaakt wordt: gerepresenteerde betekenis. Alle expressieve kunst, van tekening tot opera, is gebaseerd op ons vermogen om lichamelijke houdingen te interpreteren. Vandaar dat ik tegenwoordig de term “vertegenwoordiging” hanteer.

Lichaamstaal (houdingen) en gearticuleerde taal (uitspraken) vullen elkaar aan. Deze twee talen vormen samen een geheel. De talen hebben echter verschillende kenmerken.

Lichaamstaal Gearticuleerde taal
Drie deelnemers, een man, twee vrouwen, overleggen met elkaar. De man legt iets uit wat op een papiertje staat; de rechter vrouw lijkt het niet met hem eens, de linker lijkt het met hem eens.
Analoog Digitaal
Geheel Onderdelen in een structuur
Relaties, verhoudingen Inhoud
Onmiddellijk Achteraf
Weinig precies Zeer precies
Kan niet ontkennen Ontkent met “niet”

Toneel, dans, drama, opstellingen, representaties etc. werken omdat onze lichamen onbewust de houdingen van anderen spiegelt. Het brein “leest” de situatie en vertaalt deze naar bewuste, gearticuleerde taal. Bij het maken van een opstelling gebruiken we deze onbewuste vaardigheid intentioneel: de bedoeling dat het spiegelen van een houding het hoofd informeert over de situatie. Omgekeerd, denk ik, dat de uitdrukkingen die we hanteren ook op het lichaam geprojecteerd worden; dit uit zich in gebaren die de gearticuleerde taal ondersteunen. Daarnaast zijn we in staat om waar te nemen wanneer de gebruikte woorden en de gehanteerde houding niet met elkaar overeenstemmen.

We verstaan (tegenwoordige tijd = lichaamstaal) met ons verstand (voltooid verleden tijd van verstaan = gearticuleerde taal).

Lichaamstaal kent geen ontkenning (je kan niet “niet” uitdrukken, nooit geen houding aannemen), terwijl de gearticuleerde taal wel kan ontkennen (“dat is niet waar”). Deze dichotomie veroorzaakt de paradoxale spanning waaruit de betekenis voortkomt.

We hebben beide talen nodig om te begrijpen waarover we het hebben, maar de nadruk ligt meestal op de gearticuleerde taal (voorgrond), die we ook wel “bewust” noemen. Deze is immers “duidelijk”. Lichaamstaal vormt meestal de achtergrond, ook omdat deze ambigue is. Wanneer we werken met houdingen (acteurs, drama, dans, opstellingen) zetten we de lichaamstaal op de voorgrond. Omdat deze weinig precies is, vragen we vaak om “verduidelijking”. De werking, het effect van opstellingen etc. komt voort uit deze omkering. Ik ga ervan uit dat de lichamelijk taal altijd – op haar manier – waar is. Ze kan immers niet ontkennen. De lichamelijke boodschap “overvalt” (of neemt over) de articulatie en deze vertelt op symbolische wijze wat er “echt” speelt. Dit uit zich in samenhang met wat sterkere expressie van emoties en meestal onverwacht.

Voor de verklaring van de werking van opstelling is dus geen wetend veld nodig, geen collectief onderbewuste of morphogenetische velden. Opstellingen werken omdat we een lichaam hebben dat weet, een weten met een eigen taal.

Over Jan Lelie

Loves to facilitate groups in complex situations
Dit bericht is geplaatst in Brein, Lichaam, organisatieopstelling, Verdieping met de tags , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.