Grenzenloos faciliteren

cropped-hoofdstuk-1-verandereninwerkelijkheid-11.jpgDit is het thema van de facilitator conferentie 2015: “Grenzenloos Faciliteren“.

Samenvatting
Grenzen bepalen ons gedrag. Grenzen en relaties horen bij elkaar, als een echt-paar. We kunnen niet zonder en we kunnen niet met grenzen. En daaruit ontstaan de fenomenen van vechten/vluchten, veiligheid, schaarste en de vraag aan een facilitator, om ons daarvan te bevrijden. Jammer dat alleen een groep zichzelf kan bevrijden. Daar liggen de grenzen van faciliteren.

Vergrenzen
Tot hier en niet verder. Daar ligt de grens. Van jongs af aan leren we waar onze grenzen liggen. En daar binnen te blijven. Een paar jaar geleden had ik deze conversatie:
“Lelie, je gaat over grenzen”.
“Dat weet ik, maar hoe kan ik weten waar de grens ligt, zonder er overheen te gaan”.
“Je bent een professional, dat hoor je te weten”.

Grenzen, begrenzen, is een paradoxaal fenomeen. Met paradoxaal bedoel ik een schijnbare tegenstelling. Begrenzen – het maken van een binnen en buiten, die aansluiten en elkaar uitsluiten -, maken paradoxen mogelijk. Onderscheid in ruimte, voor, achter en naast. Onderscheid in tijd, voor en na. Alleen het hier-en-nu is onbegrensd, want altijd. In een sociale context bepaalt de groep de grenzen. Van gezin en familie, via stam en kerk tot organisatie en natie.

Onderscheid maken is een noodzakelijke en voldoende voorwaarde voor paradoxen. Spencer Brown toont in Laws of Form zelfs aan dat niet alleen logica, maar zelfs het hele universum op dit principe gebaseerd is. Leven is paradoxaal, zoals blijkt uit Paradoxical Life. En ook bij leven vormt de grens, het celmembraan, de cruciale stap. Leven in groepen is inherent paradoxaal, immers een groep begrenst en opent. Deze paradox hoort tot de klasse “Behoren“, samen met Identiteit, Inzet en Individualiteit. (Zie “Smith en Berg, Paradoxes of Group Life“).

In het faciliteren komen we talloze grenzen tegen. Te behalen resultaten vormen een grens. De opdrachtgever schrijft im- en expliciete grenzen voor. Daarnaast begrenzen de muren en de tijd plaats en handeling. Zelfs papier heeft grenzen. We trekken een grens rond een cluster.

We kunnen niet zonder grenzen. En tegelijkertijd vraagt een opdrachtgever van een facilitator om een “doorbraak”, een oplossing, het verlost worden van een grens. In het meest neutrale geval wordt het “een innovatie” genoemd. Hoe gaan we daarmee om? Dat geen we met elkaar onderzoeken. Hier alvast een voorschot.

Oproepen en erbij horen
Het praten over een groep roept grenzen op. Of wellicht is het andersom: maken groepen door hun bestaan geluid, praten en taal. Mensen en dieren herkennen elkaar aan hun geluiden. De grens bepaalt wie erbij horen en wie niet. Let op het gebruik van “horen“. Bij mensen staat de taal zo op de voorgrond, dat wat er gezegd wordt soms belangrijker is dan wat er gedaan wordt. Maar ja, “actions speak louder then words“.

Grenzen bepalen je identiteit. Elke groepsidentiteit bepaalt een persoonlijke identiteit en deze wordt ook een groepsidentiteit. Zo ben ik een man en hoor bij de groep “mannen”, die vervolgens bepaalt hoe ik me dien te gedragen als “man”. Grappig woord, in dit verband, “bepalen“: het gebruiken van palen om iets te begrenzen. Het woord geeft het dilemma al aan: is er ruimte tussen de palen? De paradox wordt compleet, wanneer we mannen ook laten bepalen wie wel en wie geen echte mannen zijn. Of moeten we dat aan vrouwen overlaten? Wie bepaalt, betaalt. Begrenzen heeft ook een prijs.

Groepen ontstaan spontaan, uit verschillen die zoeken naar overeenkomsten. De overeenkomsten vormen de grens, de criteria, de kenmerken. Een groep biedt veiligheid – ook wel solidariteit genoemd. Laat eens zien hoe dat gaat.

Veiligheid
Ik kan niet alles alleen. Daarbij voel ik me alleen en incompleet. Ik ga bij een groep, om met elkaar meer te doen, om me minder alleen te voelen en omdat ik iets kan brengen wat de groep niet heeft. Ik heb de groep nodig en de groep heeft mij nodig. Zo biedt een groep veiligheid, geborgenheid en mogelijkheden. Toch?

Een groep organiseert zich in eerste instantie niet op basis van verschillen, maar op overeenkomsten. Mannen bij mannen, vrouwen bij kinderen, familie bij familie, achtergrond bij achtergrond, organisaties op doelstelling. Dus ik moet meedoen aan een gezamenlijk doel – niet mijn doel. En ik moet me gedragen, zoals de anderen zich gedragen. Verder is een groep groter dan ik alleen, maar daardoor wil de groep eerst iets van mij, voordat ze zal voorzien in iets wat ik nodig heb. Dat begint bij een organisatie al met “de goede vooropleiding”.

Types
Wat een en ander zo ongrijpbaar maakt, is het verschil in wat wel genoemd wordt “logische types“. Om een klasse of verzameling elementen te beschrijven, hebben we andere concepten nodig dan de concepten die we gebruiken om de elementen te beschrijven. Kort gezegd: een groep mannen is geen man. We kunnen wel bepalen wat een man is. Op basis van allerlei eigenschappen die we dan kenmerken noemen. We noemen dat een typische man. Vervolgens kunnen we mensen met gelijke kenmerken samennemen tot een groep en deze “mannen” noemen. Die doen mannen dingen, zoals voetbal kijken, bier drinken … . Dat is een typische groep mannen. Maar de kenmerken van de groep zijn niet “mannelijk” en vaak ook niet dezelfde kenmerken als die van een typische man. Iedere keer weer lopen we in discussies tegen deze grens op: hier ligt de grens van ons begrip. We zeggen dan: “ik begrijp die mannen niet”. Ik kom straks nog even terug op de begrenzende werking van taal.

Heel lang werd gedacht dat gebruiken van “logische types” dit soort problemen zou oplossen. Maak onderscheid tussen wat een man is, iemand die zijn baard scheert, en wat een klasse van mannen is, degenen die hun baard scheren. We moeten die niet over één kam scheren, zogezegd. Maar strijk en zet liepen de redeneringen vast. Totdat Gödel bewees, dat er geen oplossing voor is. Iedere grens is onhoudbaar of open. In het eerste geval, moet de grens doorbroken worden. Maar dat kan alleen met nieuwe grenzen. In het tweede geval voldoet de grens niet en moeten er nieuwe grenzen komen. Dat houdt ook in, dat we niet zonder grenzen kunnen. En dat ook grenzen hun beperkingen hebben, zogezegd.

Over en onder de grens
Om bij een groep te horen, moeten we “een grens over”. We moeten iets van onze individualiteit opgeven, een stukje identiteit inleveren en er zal van ons gevraagd worden ons in te zetten voor de groep. Vandaar de noodzaak van een paspoort om over de grens te gaan. Kijk maar: het uitschrijven er van (vroeger een laissez-passé, een laat door), het gebruik om iemand ermee te identificeren (wat niet zo is, want je gezicht bepaalt wie je bent, niet je paspoort), de vraag of iemand meer dan één paspoort mag hebben (natuurlijk) en het intrekken ervan, wanneer je “over een grens gaat”. Illegalen is dan ook het verkeerde woord voor de groep. Het zijn mensen zonder papieren, die zonder papieren een grens overschreden hebben. Ergens moet een grens liggen.

Tegelijkertijd heeft een groep nu juist dat andere nodig, om zich te ontwikkelen, om verder te komen, ja zelfs, om over haar grenzen te gaan. Wanneer ik me aanpas en niet mijn eigen stem laat horen, krijgen we wel een eenheid. Tegelijkertijd beperkt het zowel mijn mogelijkheden – ik doe niet wat ik kan – als de mogelijkheden van groep om van alle beschikbare mogelijkheden gebruik te maken. Nou heb ik daar persoonlijk niet veel last van, maar ik merk wel hoe sterk de druk is om te conformeren. We zien het terug bij het verbreken van de relatie.

De relatie met de grens
Grenzen zijn noodzakelijk om een relatie te vormen. Of eigenlijk, ze roepen elkaar op. De relatie, de verbinding, bepaalt de grens en de grenzen bepalen de relatie. Ze horen bij elkaar, zoals liefde en een huwelijk. Wanneer we trouwen, stellen we elkaar een grens. De man is dan geen echte “man” meer, onder meer gesymboliseerd door de vrijgezellennacht. Deze grens schept spanning, want relaties zijn altijd open en meervoudig. “Een huwelijk maakt je niet blind”, zei eens een goede vriendin van me. Deze spanning kan je zien als een beperking. En deze spanning kan je ook ervaren als mogelijkheden.

Relatie, verbinding of overeenkomst, en grens, scheiding of verschil, zijn twee verschillende logische types. Hieruit ontstaat het hele fenomeen van groepen, hun grenzen en problemen. Wanneer we een grens overgaan, verbreken we dan ook de relatie? Verlaten we dan ook de groep? We hebben het dan over fight/flight, vluchten of vechten. Moeten we vechten voor onze relatie, of door scheiden, vluchten? En hoe zit dat dan met een “vechtscheiding”. Dit dilemma komt dus rechtstreeks voort uit het fenomeen van (be)grenzen. Hier komt de hele groepsdynamiek vandaan, die ons steeds nieuwe grenzen en steeds andere perspectieven biedt.

Het verlaten van een groep, versterkt paradoxaal genoeg de cohesie binnen een groep. Zo zullen zowel vrouwengroepen als mannengroepen meer cohesie ervaren uit een echtscheiding. En zelfs een huwelijk zal zich gesterkt voelen door een scheiding van een ander. Tegelijkertijd benadrukt een scheiding de band. “Ik ben meer bezig met mijn ex, dan met mijn huidige partner”.

De paradox wordt wellicht duidelijker vanuit het ontstaan van een onderbreking in de grens of de patronen. Een doorbraak of innovatie is nodig, wanneer er iets ontbreekt. Er “ontbreekt” iets of iemand. Ontbreken betekent letterlijk “beginnen (=ont) te breken”. Het is dus geen ontkenning in de letterlijk zin, geen “niet” of “on”, want dan noemen we het onbreekbaar. Een ontmoeting is dus ook het begin van een “meeting” en niet de ontkenning van moeten. Het is een ont(!)kenning in de figuurlijke zin. Meer een vorm van ontwaken, bekend worden van een “opening”. Hier is een interventie nodig, die heel veel groepen lastig vinden om uit zich zelf te doen. De groep of organisatie streeft nu eenmaal naar continuïteit.

Faciliteren begrenzen
Faciliteren betekent verbinding maken. (In het woord “gemakkelijk”, het Franse “facile“, staat ook het woord maken centraal). Een verbinding verbindt gescheiden entiteiten. Verbinden gaat over grenzen. Met groepsfaciliteren doen we interventies in groepen. De facilitator stelt een vraag of onderbreekt een spreker. Hij of zij begeleidt een discussie, gesprek of dialoog door “ertussen te komen”. Soms met het brutale “mag ik u even onderbreken?”. Hier spreekt de paradox. Aan de ene kant komen we ergens tussen, stellen facilitators een grens, terwijl we aan de andere kant verbinden we. Faciliteren is een dubbelzinnig beroep. Ik bedenk het nu pas.

Facilitators maken en maken gebruik van grenzen. We richten de ruimte in, bepalen de agenda en de volgorde. We stellen vragen en interveniëren, al dan niet actief. Daarbij, zorgen we ook voor verbindingen. Door in een kring te gaan zitten, te vertragen wanneer mensen dreigen af te haken. We vragen door, vatten samen. We geven opdracht om in kleinere groepen te werken – scheiden -, ook omdat dat makkelijker praat.

Facilitators gebruiken de grenzen, ze zoeken ze op. Met de opdrachtgever, de probleemeigenaar en de deelnemers zoeken we binnen de ruimte naar de zwakke plekken in de grens. Waar gaat het eigenlijk over? Wat mag er niet gezegd worden? Hoe ziet de olifant in de kamer eruit? Dit gebeurt vaak al voor de bijeenkomst en soms na afloop. En soms niet.

We wachten op de mogelijkheid om te interveniëren, over de grenzen heen te gaan, het onbespreekbare bespreekbaar te maken en zo een doorbraak te forceren. Want, zoals prof Homan ook aangeeft in het voorwoord van Faciliteren zonder Omwegen, een facilitator breekt patronen, intervenieert. Groepen lopen altijd tegen hun grenzen aan en zijn vrijwel niet instaat hun eigen systemen en werkwijzes zelf te doorbreken. Ze kunnen wachten op oorzaken van buitenaf, of van binnenuit zoeken naar een oplossing. En er is een derde mogelijkheid: het vragen van een facilitator.

Hier doet het fenomeen zich voor, dat een facilitator niet bij de te faciliteren groep hoort. Hij of zij is een buitenstaander, soms van binnen dezelfde organisatie, soms een externe professional. Daar vraagt de situatie om (zie de check list in Faciliteren zonder Omwegen). De facilitator loodst een groep door voor haar onbekende wateren naar een oplossing. Laura ten Ham noemt dat in haar beschouwingen in onze boeken, niet voor niets “het elixer”, dat is een ander woord voor “oplossing”. Die bevrijding, de doorbraak of – heel neutraal – innovatie is tegelijkertijd iets wat de groep zelf moet doen. Een groep dient zich zelf te bevrijden.

Tegenspraak
Grenzeloos faciliteren is dus een oxymoron, twee woorden die elkaar letterlijk tegenspreken. Dat vormt ook de essentie van faciliteren: omgaan met tegenspraak. Inspraak, uitspraak, samenspraak. De grenzen scheppen de dynamiek die we nodig hebben om ons te ontwikkelen. En gelukkig houdt het ook in, dat er nooit een einde zal komen aan faciliteren. Op die manier is het toch fijn “grenzeloos faciliteren”.

Niets bestaat zonder grenzen; alles heeft grenzen, komt tot een einde. Deze letters kan je alleen lezen, omdat ze grenzen hebben. Alle gedachten zijn eindig, punt. Iedere groep of organisatie kan alleen bestaan door het trekken van grenzen, alleen (!) staan we er niet bij stil. Zelfs de oneindige liefde kan alleen als eindig ervaren worden. Tenzij je op de grens blijft, maar dat is maar weinigen gegeven. Daar ga ik het een andere keer over hebben. U bent aan het eind van dit verhaal.

PS.
Heel vaak denkt mensen dat paradoxen een gevolg van denken of taal is, of dat het een vorm van onbegrip is. Dat er een uitleg of begrip mogelijk is, waardoor een paradox verdwijnt. Die zijn er, een soort uitleg of een model; met dien verstande, dat elke uitleg weer een nieuwe paradox oproept. Paradoxen roepen elkaar op. Varela wijst er op dat iedere paradox een “emergent” fenomeen inhoudt. “Leven” en ook “taal” lijkt mij daarvan de meest in het oog springende.

Taal maakt het mogelijk om over paradoxen te spreken, maar kan ze niet oplossen. Het lijkt mij dat taal ook zo’n manier van oplossen van een paradox is, de paradoxen van Expressie of “Speaking”, zoals Smith en Berg ze noemen. Taal ontstaat uit de paradoxale spanningen, ontspant even, lijkt een opening in de grens te bieden. Sommigen menen dat we ons moeten beroepen op de letterlijke betekenis van het woord. Maar een woord in een taal die we niet begrijpen? Dan blijkt ook taal haar grenzen te hebben, zoals Wittgenstein al inzag. Taal dient noodzakelijkerwijs de illusie van begrip te behouden.

Juist omdat paradoxen samenhangen met grenzen en we ons vrijwel altijd aan één kant van een grens bevinden, lijkt het alsof er maar één kant aan de zaak zit. Wetenschap tracht paradoxen uit te bannen, maar komt niet verder dan te doen alsof er geen paradoxen meer zijn. Er bestaan ook overzichtelijke niet-talige paradoxen, zoals een aantal van de plaatjes van Escher, muziek van bijvoorbeeld Bach of de smaak van ketchup.

Over Jan Lelie

Loves to facilitate groups in complex situations
Dit bericht is geplaatst in autonoom, engaging, expressie, Innoveren, meaning, paradox, Tijd, zelf met de tags , , , , , , . Bookmark de permalink.