Wat is mis met de facilitator?

Kunstmest 6 - Impressie door een dochtertjeEen steeds terugkerend fenomeen duidt op een paradox. Steeds opnieuw komt de vraag op (ook bekend als “kwestie”): wat verstaan we onder “facilitator”? Wat is faciliteren? Hoe definieer je “facilitator”? Wat is een goede (lees; betere, andere) naam voor “facilitator”? Welke paradoxale krachten maken het ons onmogelijk om te spreken van “de facilitator”? Wat is er mis met “facilitator”?

Deze dingen overdacht ik mijzelf, terwijl ik weer eens in “Pragmatics of Human Communications” van Paul Watzlawick, Janet Bavelas and Paul Jackson zat te lezen.

Een inkoppertje. Faciliteren betekent verbinding maken.
1. Alle gedrag is faciliteren en alle faciliteren is gedrag (het is onmogelijk om niet te faciliteren)

Dan:
2. Al het faciliteren betreft een inhoud en een relatie, waarbij de relatie de inhoud classificeert. Faciliteren is dus ook meta-faciliteren.

Vandaar dat een definitie van faciliteren door de relatie, betrekking geclassificeerd wordt, ofwel: de definitie zegt ook iets over de subjecten, over de onderlinge betrekkingen. De definitie van faciliteren hangt af of je praat met je partner, deze geeft aan je klant, je te maken hebt met een opdrachtgever, de probleemeigenaar; betreft het een deelnemer die dwars ligt? een deelnemer die mee doet? etc. En tegelijkertijd kan die betrekking veranderen: het is niks mis met faciliteren, tot het mis gaat. En omgekeerd.

Voor u als lezer van deze site, betekent faciliteren een “tweede beroep”. Dat is voor iedereen wat anders en daar ik u niet ken, weet ik niet eens wat u nodig heeft als beschrijving. Zo komen we op de volgende paradox.

Als de betekenis niet in de inhoud, maar in de relatie zit, hoe dragen we de inhoud dan over? Via de interpunctie, zeggen Watzlawick et al. – in ons geval de interventies. De manier waarop je met iemand spreekt over de definitie van facilitator bepaalt (mede) de definitie van faciliteren. Hard of zacht, eerst zuchten (daar gaan we weer..) of juist recht op gaan zitten, je naar de ander toekeren en – daar had ik het met Larissa over – het aanraken van de ander (“begrijpen”), allemaal elementen van wat er mis kan gaan met de definitie van facilitator.

3. De aard van de relatie is afhankelijk van de interventies tussen de partijen (hieruit volgt dat faciliteren pragmatisch is: het gaat om de handeling, gedrag en het verwachtte effect en niet op de juistheid ervan)

Natuurlijk hoort (!) daar een talige uitleg bij (= de inhoud), maar er is ook de betrekking. Zo komen we op het grote schisma in de facilitator wereld: gaat het om de geschreven geeltjes of de tekstuele input in een computer, het brein of gaat het om de beelden, houding, het lichaam. In het eerste geval produceren we heel veel, maar gebeurt er niks (mee), in het tweede geval gebeurt er van alles, maar weten we niet waar het over gaat. Willen we een serieus resultaat, of gezellig met elkaar bezig zijn?

Hier is de volgende paradox:

4. Faciliteren gebeurt zowel digitaal als analoog. Digitaal is via gesproken en geschreven taal, heeft een logische syntax (structuur), maar onvoldoende betekenis geeft ten aanzien van de relaties, terwijl analoog (“lichaamstaal”, “beeldtaal”) voldoende van deze semantiek biedt, maar een adequate syntax ontbeert.

We hanteren beiden, maar kunnen maar aan een van de twee aandacht geven. Daardoor frustreren ze elkaar ook: “als ik zit te bouwen,” zei iemand vorige week in een sessie met LEGO, “kan ik niet nadenken. Ik wil denken, dus ga ik niet bouwen”. …. Vijf minuten eerder had hij tegen mij in de groep gezegd: “wanneer gaan we eindelijk eens wat doen?”. (let op de interpunctie!)

Tenslotte, waar komen alle oplossingen op neer en problemen vandaan? Ze komen tot uiting in elkaar uitsluitende en elkaar aanvullende oplossingen. De kiem van het probleem zit al en de vrucht van de oplossing. Centraliseren of decentraliseren? Marktwerking of solidariteit? Concurreren of samenwerken?

5. Faciliteren kan symmetrisch of complementair zijn. In het eerste geval bestaat er gelijkwaardigheid, die goed aanvoelt, en wat kan leiden tot escalatie, concurrentie en ketterij; in het tweede geval bestaat er ongelijkwaardigheid, waarmee we elkaar aanvullen, en die kan leiden tot stagnatie, tegenwerken en schisma’s.

Zijn we als facilitator gelijkwaardig aan de groep, dan horen we erbij, zijn we één. Maar wat is dan nog onze toegevoegde waarde? Dan kan de groep het zelf ook. Vandaar ook, dat een opdrachtgever zal aarzelen om een facilitator in te huren: het team, de mensen, de groep moet het zelf kunnen!

Zijn we als facilitator een aanvulling op de groep, dan kunnen we iets brengen, maar ontstaat er weerstand omdat we
– nodig zijn, want blijkbaar zijn we als groep niet goed genoeg, dat we iemand nodig hebben
– iets toevoegen wat de groep niet begrijpt (“meditatie”, “met LEGO spelen”)
– iets gaan bespreken, wat we nu juist niet wilden bespreken,
….
Vandaar, dat een opdrachtgever zal aarzelen om een facilitator in te huren, omdat hij of zij het idee heeft het eigenlijk zelf te moeten kunnen.

Dus, wat is er nou mis met de facilitator? Hetzelfde als met een groep. We kunnen niet met groepen leven en we kunnen niet zonder, maar we zijn de groep niet. Een persoon is een ander (logisch) type dan een relatie. Een man (“husband“) met een vrouw (“wife“), is niet hetzelfde als een huwelijk. Maar wanneer je een huwelijk definieert als een relatie tussen een man en een vrouw, heb je een probleem met een zogenaamd “homohuwelijk”. En een relatie heeft verschillen nodig, waarbij een relatie een andere dimensie is, dan een verschil. En tegelijkertijd roepen ze elkaar op. Zo gaat het ook met facilitators (of leiders). In de groep is een facilitator (leider) nodig, en de facilitator is de groep “niet”. De facilitator is iemand die een groep nodig heeft, maar “is” de groep niet. De spanning die daarin bestaat, daaruit bestaat het faciliteren.

Over Jan Lelie

Loves to facilitate groups in complex situations
Dit bericht is geplaatst in Bateson, Begeleiden, Watzlawick met de tags , , , . Bookmark de permalink.