Geld geldt

Yuval Harari schetst in zijn twee boeken – Homo Sapiens en Homo Deus – een beeld van de geschiedenis van de mensheid in respectievelijk het verleden en de toekomst. Geld en geloof of vertrouwen in elkaar, speelt daarin een hoofdrol, omdat “betekenen” het sleutelbegrip is, om mensen te begrijpen.

Een van zijn conclusies (en ook de mijne) is, dat we als mensen in twee werelden tegelijkertijd leven: een objectieve, feitelijke wereld en een fictieve, imaginaire wereld. De woorden feiten en fictie verwoorden dat al: beide zijn afgeleid van “facere”, maken.

Hetzelfde geldt voor het woord “geld”. Geld is zowel reëel, objectief en feitelijk als imaginair, subjectief en fictief. Het gebruik van het woord “geld” geldt als geldigheid voor deze bewering.

Een kenmerkend verschil tussen de reële en imaginaire werkelijkheid is, dat de eerste van nature begrensd is en de tweede vanzelfsprekend onbegrensd. Onze fantasieën, dromen en verhalen, zie de boekhandel, bioscoop of tv, kennen geen maat. Onze aardbol en alle voorwerpen, zijn eindig en begrensd. Sterker: ze begrenzen ook onze dromen. Dat noemen we de harde werkelijkheid. Dit verschil houdt overigens ook in, zoals Harari betoogt, dat een echt mens echte pijn en vreugde voelt, maar een groep mensen of organisaties niet.

Geld is een manifestatie van het Thomas Principe (“If men define situations as real, they are real in their consequences.”). Het verhaal dat we elkaar vertellen over geld heet “economie”. De fictie houdt ook in, dat het feit dat iets meer waard is, ook meer kost (“moet kosten”) of opbrengt (“prijzen” (!)) (dit is in een notendop het verhaal van de uitgaven in de zorg). En in het verhaal, vertellen we elkaar, dat de economie eeuwig moet groeien. En gelukkig kunnen we de cijfers op papier laten groeien. Wat we voelen, zien en horen, is dat het fictieve verhaal feitelijk niet meer klopt. Maar ja, wat dan?

Een van de gevolgen van het geloof in ons verhaal, is dat iemand die meer geld heeft, meer waard is. Dat houdt in meer macht en genereert de scheefgroei in het individuele kapitaal. De lengte van mensen heeft een natuurlijke verdeling, niemand groeit tot in de hemel. De verdeling van geld is “onnatuurlijk”. Het verhaal gaat, dat dat “verdient” is. Het is het sprookje van de kleren van de keizer: niemand staat te wachten op een tante Mathilde die gilde: “dat geld is niet echt, je bezit niet meer dan je lichaam”.

De taak waar we voorstaan, denk ik dan, is NIET het verzinnen van een ander verhaal. (Dit is een paradoxale opdracht, ik weet het) Het vraagstuk vraagt om een paradigma verschuiving. Het oude verhaal is niet waardeloos, het is niet langer waar en niet onwaar. We moeten terug naar de bron: “wat verstaan we onder elkaar, onze gemeenschap?”. Ik vermoed, dat het niet te maken heeft met het vertellen van verhalen, maar het vermogen om naar elkaar te luisteren. Een vermogen tot het voeren van een dialoog, zoals mijn lieve vriendin Sofia doet, over de verschillen. We dienen te gaan zoeken in het duister – in onszelf -, waar we de sleutel verloren hebben, en niet in het licht dat straalt op de deur.

Over Jan Lelie

Loves to facilitate groups in complex situations
Dit bericht is geplaatst in Grote paden, H0 Begrijpen, paradox met de tags , , , . Bookmark de permalink.