Figuren figureren in metaforen

Wat maakt dat ik met (LEGO(tm)) figuren werk? Hier een vrij lang antwoord op een complexe vraag.

Over figuren (let op: door gebruik van letterlijke taal heeft deze verklaring een volgorde. Deze volgorde is geen kenmerk van de beschreven fenomenen, die in hun samenhang altijd met elkaar optreden.)

In mijn werk faciliteer ik – ik noemde het vroeger katalyseren (ik heb opleiding in de experimentele biofysica) – en het bijpassende beroep noemen we “facilitator”. Daaronder versta ik: “alle betrokkenen in een hok jagen, onder het motto: ‘if you’re not part of the solution, you’re part of the problem’” . In die context werk ik. In de loop van de tijd, heb ik een metapraxis*) ontwikkeld. Onder meer op basis van het inzicht (uit de fysica), dat er in theorie er geen verschil bestaat tussen theorie en praktijk; en in de praktijk wel.

Dit verschil zie ik als de bron van het fenomeen, dat je “geen idee” hebt. De praktijk bestaat als een zichzelfrefererend (zelfscheppend, autonoom, Autopoiesis ) systeem: zowel de natuur, als je lichaam en je geest hebben elkaar en zichzelf gemaakt. Daardoor of daarbij hebben ze echter geen toegang tot hun eigen werking.

Immers, in dat geval zou je je instructie om jezelf te maken, een model (van de instructie om jezelf te maken) moeten bevatten, ongeveer zoals we modellen en werkinstructies hebben om een auto (gebruik van het woord “auto” intentioneel, het betekent nl “zelf”) te maken. Zo’n zelfreferentie leidt tot een oneindige regressie inclusief-of tot een tegenspraak, met andere woorden: een paradox.

Overigens beschikt DNA/RNA ook niet over een “blauwdruk” van het organisme. Hetzelfde DNA geeft onder andere omstandigheden een ander wezen. DNA/RNA reguleert – te vergelijken met de regulator van Watt – de synthese van zelfreplicerende eiwitten geeft een (autonome) oplossing voor de samenwerkingsparadox. Door het reguleren van het het aan- en uitzetten van verder autonome cellulaire kopieermechanismes. Vandaar dat een storing in DNA/RNA kankergroei tot gevolg heeft. DNA/RNA heeft geen enkel belang bij welke eiwitsynthese dan ook en kan daardoor autonoom optreden. Dat wil ook zeggen, dat genen niet “zelfzuchtig” zijn, maar dat is een ander onderwerp. DNA/RNA biedt vervolgens weer wel de mogelijkheid tot een “geheugen”, niet van dingen, maar van processen die gewerkt hebben. Daarmee kon de evolutie sneller leren – en af en toe “oude” lessen terughalen.).

Je kan het ook benaderen vanuit het standpunt, dat logica (model, 1 + 1 = 2) en causaliteit (werkelijkheid, 1 + 1 = 1 in geval van wolken, 1 + 1 = 3 ingeval van een echtpaar, maar ook, mijn favoriet: hoeveel dingen heb je bij een paard plus wagen? Drie: een paard, een wagen en een paard-en-wagen) twee verschillende logische types zijn

Die metapraxis “werkt”, en ik geef er ook een leergang in. De meeste mensen “begrijpen (de theorie) niet”. Ik heb jaren geleden vastgesteld, dat dit komt doordat de meeste mensen iets met hun hoofd, via denken of de logica, proberen te begrijpen, terwijl voor mij een metapraxis ook een lichamelijk begrijpen inhoudt. Een enkele keer hoef ik een deelnemer aan de leergang alleen maar aan te raken (= “te begrijpen”), om te maken dat ze “begrijpt”. Dit begrijpen noem ik wel “intuïtief”: het is een vorm van gewaarworden zonder te oordelen, zonder denken of voelen. De ene wijze van begrijpen is niet beter dan de ander, maar je moet ze wel contextueel kunnen toepassen. In sommige gevallen “kan je ‘dit’ niet begrijpen”, met name, wanneer het “een idee” betreft over ‘dit’. Of omgekeerd: “geen idee” kan je niet met je verstand begrijpen.

Een andere bron is “systemisch werken”. Ik beschouw het universum als één geheel, één dynamisch systeem, zeg maar een “naturende natuur”, je weet wel. Elke onderscheid daarin, maakt zich zelf (zie autopoiesis) en – in termen van waarnemen – maak jezelf. (Hier zit het hele scheppingsverhaal in verborgen).

Ik heb geleerd mijzelf in mijn waarnemingen te houden. Waarneming – waarnemer – waargenomene vormen een onverbrekelijk geheel. Dat mensen zichzelf buiten hun waarnemen plaatsen, kan ik begrijpen vanuit het perspectief, dat je beheersing (“control“) over je situatie wilt hebben. Zelf vermoed ik, dat dat niet altijd nodig is, en op de lange duur onhoudbaar.

Zo leerde ik werken met zogenaamde (familie)opstellingen (“systemisch werk”). In een opstelling ervaren deelnemers de situatie van een ander “als van zich zelf” en “ziet” de opsteller zijn of haar situatie “met andere ogen”. Ik heb meegemaakt, dat deelnemers aan een opstelling exact hetzelfde zeggen als de figuur die ze representeren. Dit werkt goed, wanneer goed toegepast. In de meeste opleidingen verklaart men dit verschijnsel, door het postuleren van een “wetend veld”, waaraan we allen deel hebben. Al vanaf de allereerste keer besefte ik, dat “je lichaam” “weet”. Het is een kwestie van “luisteren” naar je lichaam. Op de een of andere manier “begrijpen” sommige mensen hun lichaam niet goed. Volkomen begrijpelijk, vanuit een ander perspectief.

In dat verband werd me jaren geleden gevraagd: “ik kan er met mijn verstand niet bij hoe opstellingen werken. Waarom werkt dat?”. Ik hoorde gelijk het woord “verstand”: het voltooid deelwoord van “verstaan”. Staan is een vorm van ver-staan. De orde die daaruit volgt, is “zoals het hoort”, vandaar het gebruik van het woord “verstaan” voor “begrijpen-zoals-het-hoort”. In onze taal zit impliciet een commando – sommigen zeggen een verzoek, een gradueel verschil – om wat gezegd wordt te begrijpen “zoals bedoeld door de spreker” (zeg maar “Geef acht!”). De gedachte is in alle talen een verleden tijd, de ervaring of gevoel is altijd in het hier-en-nu. Het ten-opzichte-van-elkaar-(ver)-staan gebeurt hier. Dit is wat jij “dit” noemt. Je verstand maakt er “het” van.

In elke alinea, in elke zin, maak ik gebruik van de dubbelzinnigheid van taal. Ik noem dit wel “Jungiaanse versprekingen” (altijd een meervoud: er kunnen meer versprekingen in één woord zitten. Zoals de Freudiaans verspreking (meestal een enkelvoud) altijd dubbelzinnigheid over seksualiteit betreft, zo gaan de Jungiaanse versprekingen altijd over andere dubbelzinnigheden, met name over onderbewuste of onderdrukte betekenissen. Van belang is de gedachte, dat je niet in taal denkt, maar in metaforen. “Een beeld zegt meer dan 1000 woorden”, zeg maar. Met taal druk je metaforen uit, letterlijk”uitdrukkingen”.

(inclusief-of figuurlijk: inclusief-of , want de letterlijke of figuurlijke boodschap bestaan beide waarbij de dominante metafoor van communicatie op om maar één van de twee – of het een of het ander te beschouwen. Hieruit ontstaat de problematiek rond “begrijpen”, als je begrijpt wat ik bedoel)

De observatie is vrij eenvoudig: in elke (taal)uiting of uitdrukking zit een andere laag, een symbolische of figuurlijke betekenis, die noodzakelijk is om de betekenis van de inhoud te begrijpen. Het symbool transformeert, bij elke transformatie, treedt een symbool op. Omdat taal een logische (of digitale, exclusief-of) structuur heeft, hebben we de neiging om de dubbelzinnig te onderdrukken. We hebben dit op school en de universiteit geleerd en het is verder vervolmaakt in organisaties. Het uitbannen van dubbelzinnigheid door middel van “letterlijk nemen” is in formele situaties noodzakelijk. In de dagdagelijkse praktijk echter, blijft alles ook “figuurlijk”.

Het vinden van een verklaring hiervoor heeft me vrij veel tijd gekost, vooral omdat deze zo voor de hand liggend is. Communicatie is zelf ook een metafoor. Metafoor betekent letterlijk “overdracht”, met andere woorden, overdrachtelijk gebruik. “Overdracht” noemen Freud en Jung (ik moet Wiliam James er nog eens op nalezen) de centrale paradox in psychotherapie, overdracht en tegenoverdracht: in het helingsproces worden de onderdrukte en onderbewuste aspecten, die aanleiding geven tot de toestand van de patiënt, overgedragen op de therapeut. De patiënt maakt dan van de therapeut zijn “vader” of “moeder” of “held” of welk aspect dan ook. Dit wordt “de betekenis van de patiënt” voor de heelmeester. Het viel de heren vervolgens niet mee, om daarin niet mee te gaan, zie het geval “Sabine Spielrein”.

Wanneer ik aanneem, dat patiënten extreme gevallen zijn van een meer algemene situaties, dan volgt, dat alle metaforen “overdrachtelijk” bedoeld zijn. Alle taal is (ook) overdrachtelijk – daarom gebruiken we taal, voor overdracht, het overdragen van betekenis. De cruciale denkfout (!), een idee, bestaat hieruit: betekenis zit in de woorden. Lees maar “wat er staat”. Maar er staat niet “wat er staat”, er staat een referentie aan beelden, de beelden die de figuurlijke betekenis van de woorden overdragen. Het enige wat ik kan bereiken met deze taal, is dat ik je verleid om naar je eigen “beelden te luisteren”. Ik moet de illusie van controle over de betekenis van mijn woorden opgeven. Vandaar – denk ik dan – jouw gebruik van het woord “context”: de betekenis van figuren zit in de context, de achtergrond en niet in de figuurlijke voorgrond.

Lang verhaal. Nog even door. Ben er bijna.

Hoe werkt de metafoor? Met een metafoor kan je begrijpen, wat je nog niet begrijpt. Door een metafoor projecteer je de structuur van je concrete, lichamelijke ervaringen op een structuur van abstracte klassen op een onbekend “lichaam”. Ter illustratie:

Een facilitator is als een loods. Je projecteert dan de structuur van de concrete eigenschappen van iets wat je kent, een loods op de nog onbekende facilitator. Loods komt tijdelijk aan boord van een schip om de kapitein bij te staan bij het varen in een haven, waarbij de reder de lading en het reisdoel van het schip bepaalt. De structuur van de klassen van eigenschappen: “ondersteunt neutraal, zonder belang bij enig specifiek resultaat (reisdoel) een team of groep (schip) en de manager als probleemeigenaar (kapitein) voor de opdrachtgever (reder), in een lastige situatie (varen in een haven)”. Ik heb hiervan een aardige presentatie gemaakt.

Een metafoor staat tot de werkelijkheid als een kaart tot het landschap: de structuur is hetzelfde, maar de inhoud verschilt. Net zoals je verschillende projecties (!) van een kaart kunt hebben – op hetzelfde landschap -, zo kan je verschillende metaforen hebben op dezelfde werkelijkheid. Een onderliggende substructuur (= verbeeldt in een legenda) kan wel steeds dezelfde zijn.

Het volgende is ook een metafoor: bij het maken van een metafoor, projecteer je je eigen beelden op de omgeving, je ontvangt je waarnemingen en vergelijkt ze met je (verwachtte) beelden, wat je kent. Zit daar een relatief groot verschil tussen – hé, ken ik nog niet – , dan reageer je met aandacht en ga je het (nieuwe) onderwerp beoordelen. Daarbij projecteer je je waarnemingen op je lichaam – concreet – en beoordeel je een en ander gevoelsmatig (“een” ben jezelf en “ander” is het “tweede”, het “andere”). Deze oordelen en waarnemingen worden vervolgens “bedacht”: je vormt een idee, een gedachte, met je hersenen. Dit idee projecteer je op het onderwerp en op je lichaam en een nieuwe cyclus van interactie vindt plaats. Door middel van wisselwerking test of onderzoek je “wat dit is” en vind je “het” uit. (Ik ben een aanhanger van het radicaal constructivisme). Wat voor jouw werkt, werkt.

Je ziet nu natuurlijk het volgende probleem: je metafoor bepaalt mede je manier van kijken en ervaren. Een andere kaart verandert het landschap zelf niet, maar wel de wijze van reizen, zie Google Maps. Een wegenkaart verschilt van een treinkaartje. Een stadsplattegrond – hoe goed ook -, is van weinig waarden bij het reizen in de provincie. En dan heb ik het nog over concrete landschappen. Wanneer ik abstracte landschappen – modellen – beschouw ontstaat een volgend probleem. Hoe beschouw je een organisatie? Zie bijvoorbeeld “Images of Organizations” van Gareth Morgan. Wat is een natie? Hoe werkt democratie?

Hier staat een beschouwing over de metaforen van communicatie: http://www.faciliteren-als-2e-beroep.nl/2017/08/facilitators-voegen-waarde-toe/

Taal, als hulpmiddel, negeert noodzakelijkerwijs de achterliggende processen. We hebben geen toegang tot het proces waarmee we onze gedachten vormen. Je “mind”, je geest, is net zo ontoegankelijk als je lichaam en je hersenen. Je weet niet hoe de motor van een auto werkt en nog minder hoe je lichaam werkt. Het gaat “vanzelf”. Je hoort of leest alleen de woorden, ongeveer zoals je van een gebouw wel de gevel ziet, maar niet de constructie; van een mens wel zijn gelaat, maar niet zijn gevoelens en gedachten. Dat is geen probleem in relatief eenvoudige situatie. Bij concrete vraagstukken – wat eten we vandaag? Hoe komen we eraan? hoe maken we het klaar? – werkt taal perfect. Ook bij het maken van hulpmiddelen – stoelen, tafels, pannen, zelfs vuur -, kunnen we uit de voeten met de instructies van taal. We hoeven daarbij geen beroep te doen op de achterliggende, constituerende beelden.

Echter, bij abstracte, complexe vraagstukken, speelt de beeldvorming een rol. Tel daarbij op, dat wanneer er een machtsverschil bestaat, het lastiger wordt om de meningsverschillen los te zien van de positie. Een andere mening kan daarbij ervaren worden als “tegen”, “onbetrouwbaar”, “niet loyaal” door mensen in een machtige positie. Omgekeerd, kunnen mensen het idee hebben, dat toegeven iets niet te weten “dom” is, ze “zwak” of maakt. Daarbij hebben we in veel gevallen het contact met ons lichaam verloren – behalve met betrekking tot het dragen van een uniform ten behoeve van machtshandhaving – en zijn we gewend geraakt om verhalen alleen letterlijk of formeel te nemen. Kortom, een mêlee.

Daarbij – en dat maakt het zo complex – bestaat je complex uit je onderdrukte beelden, gevoelens en gedachten. Ik volg hierin de terminologie van Jung, maar door middel een Jungiaanse versprekingen. Alle ideeën en gevoelens, waarvan je meent of denkt of gehoord hebt, dat ze “niet horen”, splits je af en onderdruk je. Zo “hoort het”, en zo hoort het ook. Echter, sommige van deze ideeën worden ten onrechte onderdrukt – familie, stam, school, natie -, om een complex van redenen, vaak ook onderbewust. Ik vermoed, dat hier ook de (tegen)overdracht werkt. Dit werkt, totdat je af en toe deze gevoelens, ideeën en gedachten moet toelaten. Bijvoorbeeld om het complex te kunnen beschouwen. Om een oordeel te hebben in termen van goed of kwaad, moet je wel “kwaad” kunnen beschouwen. Wanneer “kwaad” “niet goed” is kan je na verloop van tijd in de problemen komen met het beoordelen van “slechte” situaties. Dit merk je met name (sic) als een probleem, wanneer we een situatie abstract – in de vorm van woorden en taal – beschouwen.

Verder kost het onderdrukken van gevoelens energie. Het proces van projecteren, identificeren van metaforen maakt aannemelijk hoe uiteindelijk lichamelijke klachten kunnen ontstaan uit psychische problemen. Laat je niet af en toe je complex toe, dan kost het onderdrukken van gevoelens, meningen en ideeën steeds meer moeite. vervolgens komen ze naar voren, in situaties waarin ze niet gebruikt kunnen worden. Deze opstanden onderdrukt men, waarbij de druk toeneemt.

Excuses voor het lange betoog. Het komt erop neer, dat ik figuren gebruik – van LEGO, voorwerpen, Playmobil, … – om een huidige situatie “te verbeelden” en er over te converseren. Je projecteert je mening in een figuur, zoals je dat ook doet in je eigen lichaam. Er ontstaat gelijk een “wolk” van ideeën, die de deelnemers met elkaar kunnen bespreken. Ze reflecteren met elkaar. Omdat de projectie op het figuur of voorwerp (= letterlijk pro-jectie) ligt en niet op de persoon, ontstaat ruimte voor het complex om te voorschijn te komen en gehoord te worden, zonder dat het “persoonlijk” wordt. Zo recreëren we het proces van letterlijk en figuurlijk maken, krijgen we in- en overzicht in en over de situatie en leren we elkaar beter begrijpen. Dit begrijpen is een begrijpen in termen van betrekkingen en niet in termen van inhoud.

Over Jan Lelie

Loves to facilitate groups in complex situations
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.