Archive for Brein

Waar ligt de oorzaak van het begin?

Voor sommigen mensen vormen ideeën de eerste oorzaak. Het idee is, dat we eerst wat bedenken en daarna gaan doen. Dit idee, ligt ook ten gronde aan veel bijeenkomsten. Om te veranderen, hebben we een idee, droom, visie, beeld nodig. Dit idee moeten we delen, we moeten het eens worden en dan kunnen we wat gaan doen. Dat noemen we wel: “één focus” of “project”. Dat idee komen we straks weer tegen.

Maar, weet, het werkt ook omgekeerd. Wat we bereikt hebben, verklaren we uit de ideeën die we hadden. Ons brein is een meester in het uitfilteren – vergeten – van de andere ideeën die we hadden, en die het niet zijn geworden. Ook horen we nooit wat van mensen wier idee “niets” geworden is. Grote passen, snel thuis: ook voor ideeën gelden de wetten van het evolueren. Er zit niet een plan of een doel achter de wereld. Ze is wat ze is. De oorzaak is ook het resultaat, het resultaat volgt uit de oorzaak. We kunnen niet bepalen wat of welke de “eerste” oorzaak is. Omdat we zelf het idee vormen over een eerste oorzaak, geen idee zonder denker.

Wat veroorzaakte dit idee? Er zijn – als altijd – vier oorzaken denkbaar:

1. Aarde: de concrete, materiële wereld (we zeggen niet voor niets “materie”, van mater, moeder)

2. Lucht: de universele kosmische wetten (kosmos betekent immers “structuur”), zoals de Wet van Behoud van Energie

3. Water: de gemeenschap, de groep waarin we geboren werden (we spreken over “gemeenschap”. omdat die de betekenis (“meaning“) aan ons bestaan geeft)

4. Vuur: het idee (de logos, woord, wijsheid, kennis en, met een grote bocht: Sophia, het vrouwelijke aspect van het Goddelijke, de “moeder van god”)

Zoals steeds, verenigt het vierde element vuur, de andere drie. Daaruit ontstaat, als autonoom fenomeen, “een idee”. We kunnen geen ideeën scheppen, zonder een materiële, gestructureerde en gemeenschappelijke wereld. We formuleren een idee in taal. Taal heeft structuur, volgorde, grammatica. Daarbij heeft taal interactie, wisselwerking nodig, met anderen. Taal vertelt zo veel meer, ook tot welke taalgemeenschappen we onszelf rekenen. Taal is aangeleerd.

De werkelijke oorzaak is natuurlijk “Het Ene”, het ondeelbare, de oorzakelijke oorzaak. Daarna volgde de splitsing of de schepping, afhankelijk van waar de klinker plaatst (in het Hebreeuws).

Volgens mij is een gedachte altijd een verleden tijd, in elke taal. Dat komt, omdat we een ervaring, gewaarwording, “vertalen” in een gedachte, een idee. Tegelijkertijd (!) werken onze hersenen zo, dat ze een geachte in onze beleving “terugplaatsen” in de tijd. We hebben dus het idee, dat er eerst een idee is. Dit is naar mijn idee, een soort copingsmechanisme. Want wanneer er niet eerst een idee zou zijn, wie bedenkt dan de ideeën? Dat ze spontaan opkomen, is voor mensen in een gemeenschap onwenselijk. Maar volgens mij zijn ideeën voor de hersenen, wat diarree is voor de darmen. Wanneer je je gedachten probeert te volgen, zal je merken, dat ze komen en gaan. Mensen hebben ideeën, maar geen idee waar die vandaan komen. En dat kunnen we ook niet weten, omdat waar de ideeën vandaan komen, geen taal is. (Of op z’n hoogst een niet-verbale taal, maar een bio-elektrochemische taal)

Wat mensen – let op, dat “men” in “mensen” ook van “meen” afstamt – hebben uitgevonden (of ontwikkeld, weer afhankelijk van je standpunt), of bedacht, is “projecteren”: het afbeelden van een idee op de omgeving. Vandaar, dat we dingen een “voorwerp” noemen, een “pro-jectie”. Uit het aangeleerde vermogen ons beeld in een iets te projecteren, we moeten leren om te zien, ontstaat de gewaarwording, dat een idee een eerste oorzaak heeft en dat ik dat ben. Vandaar dat het eerste hoofdstuk van mijn boek gaat over “begrijpen”. We dienen het voorwerp te kunnen begrijpen, moeten er een idee van krijgen, voor we het kunnen gebruiken. Hou me te goede, dit is niet verkeerd, maar het is ook niet “echt”. Vandaar dat we uiteindelijk komen bij het begrip “kunst“, wat, het woord zegt het al, “kunstmatig” is. Ik meen me te herinneren, dat dat idee bij Reve vandaan komt. Om dat door te vertalen naar “droom”, lijkt me wel erg hineininterpretieren.

De lezer of toeschouwer wordt herinnerd aan een afspraak, die hij trachtte te vergeten, en realiseert zich opnieuw dat de gerepresenteerde wereld niet ‘natuurlijk’ is, maar kunstmatig
Verrek, het is geen kunstenaar: Gerard Reve en het schrijverschap, Edwin Praat

Implicaties voor faciliteren
– Intake: het idee, wat de “eerste oorzaak” is van een situatie, vertelt ons hoe de opdrachtgever / groep de situatie gewaar wordt. Uit die kadering, volgen hun acties en daaruit het resultaat plus het vastlopen. Vraag, bijvoorbeeld bij een intake, door op de gehanteerde metafoor. “En waar leidt …. (oorzaak) toe?” “en wat volgt dan op ….(oorzaak)?” “en wat gebeurde we vlak voor (oorzaak)?”. Gebruik “Clean Language”, zuivere taal, waarin je zo min mogelijk van je eigen ideeën verwoordt.

– Ontwerp: geef gelegenheid aan de deelnemers om “het idee” van de bijeenkomst te formuleren. Waar hebben we het over, wanneer we over het onderwerp spreken? Doe altijd een Check in, naar de ideeën van de deelnemers.

– Uitvoering: beweeg van beleving (groen) via idee (geel) naar vertaling (blauw). Laat bij voorkeur deelnemers eerst zelf een idee opschrijven. Dat vergemakkelijkt het formuleren en onthouden van een idee. Het opschrijven is een vorm van beweging.

– afronding, evaluatie: eindig positief. Laat deelnemers bijvoorbeeld in één (of zes) woorden beschrijven wat ze hebben meegemaakt. Gebruik het woord “meemaken”.

Legenda als metamodel

Brein als metafoor voor werkelijkheidsopvattingenIk kreeg van Danny Greefhorst de vraag of ik het model van Nedd Herrmann (HBDI) kende. Jazeker ken ik dat, al uit de jaren ’90. (Ik bespreek het in het boek op pagina pagina 129)

Ik gebruik een vierdeling al in mijn afstudeerscriptie (1984), omdat ik geleerd had dat managers een matrix die ingewikkelder is dan twee bij twee niet kunnen begrijpen. Vanuit Kolb’s leerstijlen via Herrmann ben ik tot de opvatting van McWhinney gekomen. Hij presenteert het viervoudige model op basis van zijn studie naar veranderprocessen. Op basis van de Analytische Psychologie, de fenomenologie en Laws of Form meen ik, dat een archetypische of oorspronkelijke dubbele tweedeling de structuur van het universum vormt. Vandaar dat alle modellen in basis uit een vierdeling bestaat (bij een driedeling is er vaak een achtergrond als “vierde”; vijf is de “kwintessence”, de combinatie van de vier; verfijndere indeling zijn prima).

De kritiek op het model van Herrmann ( http://skepsis.nl/hbdi/ ) herken ik ook. Ze geldt ook voor MBTI, Management Drivers, Insights … etc. (Niet voor het enneagram, dat is een echte hoax). Ik heb een onderzoeksrapport van Coffield e.a. waarin maar dan 100 (leer)modellen (in 13 groepen) onderzocht zijn, waaronder HBDI. Ik verwijs daarnaar in mijn boek (p 103). De validiteit / voorspelbaarheid van modellen over mensen is nooit meer dan 70%, hetgeen mij als natuurlijk overkomt. De breuk tussen Jung en Freud, niet veel mensen weten dat, heeft ook te maken met de stelling van Jung, dat elk model van de menselijke psyche gemaakt is door een mens en derhalve ook de kenmerken bezit van zijn of haar bedenker. Dit geldt ook voor modellen in de natuurkunde, maar die “herkennen” hun bedenker of uitvinder niet. Freud meende dat zijn model wel degelijk universeel was.

Ik ben zelf een aanhanger van het radicaal constructivisme : we vinden modellen uit (in plaats van ze te ontdekken – dat is de achterliggende gedachtefout, overigens ook in de natuurkunde, dat we een model ontdekken) omdat ze (voor ons) werken. Het is een andere verwoording van “werkelijkheid is wat werkt”. Hierin schuilt wel een fundamentele menselijke behoefte om de (onzekere) werkelijkheid te beheersen. Zoals we vroeger de goden aanriepen, zo hanteren we nu modellen. Vandaar, dat de goden ook weer de psychologische aspecten van de mens uitdrukken. En dat de modellen nooit alle menselijke gedrag kunnen verklaren. Het universum zelf, trekt zich niets van onze modellen aan. Net zo, als onze god of goden.

Herrmann presenteert zijn model (in ieder geval later) met nadruk als metafoor. En zo zijn alle modellen metaforen, godsbeelden. Vandaar, dat hij de gebieden ook aanduidt als A,B,C en D. Het door mij gepresenteerde model is eigenlijk een “legenda” (lees ook”legendarisch“): de aanwijzing hoe een kaart of model te lezen. Het is een metamodel. En fractaal: binnen elk kwadrant, kan je weer een viervoudig model maken.

Ik herinner me

Kunstmest 6 -2 Bij een sessieverslag doe ik altijd foto’s van de deelnemers “in actie”. Dat heeft te maken met de werking van de hersenen: we communiceren via projecties, we projecteren ons lichaam op de situatie (en op de anderen). Dit worden door veel hersenwetenschappers, “spiegelneuronen” genoemd, maar het zijn volgens mij de “echte” neuronen. Dat komt omdat ze ervan uitgaan, dat de beleving in de hersenen geproduceerd wordt en dat we die gebruiken om een situatie te herkennen. Volgens mij werkt het anders om. Omdat we eerst hebben geleerd via begrijpen, (verlangen en verlengen komen uit dezelfde bron, zegt Ceciel ergens), via projecties en pas later taal hebben geleerd. Onze werkelijkheidsbeleving is altijd ook lichamelijk, zoals al blijkt uit de woorden die we gebruiken.

Het hele systeem met neuronen voor de taal, is daar een latere toevoeging op. Inclusief de delen die “doen als of” dit het echte “smart system” is. Onze hersenen overtuigen ons er ook van dat onze taal gelijk valt met de lichamelijke gewaarwording EN dat dat het is. Iedere herinnering – het woord zegt het al – is ook een innerlijke ervaring, die neuronen vervolgens weer (letterlijk en figuurlijk) vertalen naar een mentale beleving en een tekstuele inhoud.

Door de foto’s verbinden de deelnemers zich opnieuw met hun beleving, de lijfelijke aanwezigheid en herinneren de deelnemers derhalve gemakkelijker de gepresenteerde teksten. Een ander argument is, dat mensen dol zijn op foto’s van mensen en zich zelf (niet noodzakelijk in die volgorde).

Overigens is dit ook de reden dat mijn boek “vertekende” foto’s heeft. Ze ondersteunen het tot je nemen van de betekenis – hé, daar staat ook weer teken-ing. Tita heeft ze vertekend, omdat foto’s teveel “ruis” bevatten. Alle details dient ons brein te filteren, om tot de essentie te komen. Een contour met een enkele kleur is voldoende om te herkennen en te herinneren.

Principles of emergence

Continuing the discussion on the Linked-In group, I have to add:

cropped-mannen1.jpgBoth facilitating and learning are “emergent processes” or “autonomous phenomena” or “experiences”. They kind of emerge from distinctions made, created as principles, by our mind. It is not that they are not true: they are no things, nor a thing, only our mind makes them into these to get “a grip”. You experience them in the process of working, dealing with the day to day reality. Just as you cannot not communicate, we cannot not facilitate and learn. That explains what each and every model (Kolb, 4mat, Bloom, MBTI, Herrmann, DeBono, …) shows: this universe is about learning and facilitating and learning facilitating and facilitating learning.

In order to talk about these things, we have to “call” them, give them a “name” and “refer” to them. But the words spoken about the process are a process, the process spoken about, processing, but not processing itself. As The White Knight explains:

220px-Knight2

The song’s name is called Haddocks’ Eyes
The song’s name is The Aged Aged Man
The song is called Ways and Means
The song is A-sitting on a Gate

None of this, however, is singing a song.

Then our brain reverse engineers (note that this is the same word as referring) reality, by using principles, projecting them on reality and thereby “invent reality“. But – as in the chapter in Alice is called: “it is my own invention“: they’re inventions, made up.

As they work – they do – we assume these principles are true, real attributes of reality. To U they are, I’ve invented my own. We invent the from “archetypes”. And to quote Groucho Marx: “These are my principles. If you don’t like them…. Well, I’ve got others.”

Opvattingen over werkelijkheidsopvattingen

Verschillende opvattingenOpvattingen over werkelijkheidsopvattingen zijn – het woord zegt het al – opvattingen. Soms maken mensen bezwaren tegen de term “opvatting”. Bijvoorbeeld omdat opvattingen kunnen veranderen, terwijl ons karakter toch min of meer vast ligt. We bestaan niet buiten onze opvattingen. We kunnen maar heel even buiten onze eigen kader denken, voelen of doen.

Vrij naar Grouch Marx: “dit zijn mijn opvattingen. bevallen ze u niet, ik heb andere.

Will gebruikt de term “perceptions”, perceptie, waarneming, gewaarwordingen. Zoals meestal, hebben Ceciel en ik heel lang overlegd over deze termen. Voor mij is allereerste belangrijk dat de term niet het begrip is. In een restaurant eten we ook niet het menu en gaan we klagen dat de biefstuk (of de vegetarische lasagne) zo droog smaakt. Mijn opvatting over opvattingen is een opvatting, die bij mij past. En die kan veranderen, mag veranderen en verandert, afhankelijk van de context. Het gaat me eerder om “hoe het werkt” dan om de beste term. Een beetje twijfel mag.

Mijn voorkeur voor opvattingen heeft te maken met het concrete (“rood”) aspect ervan, wat ik mis in “perceptie”. Het woord “capere”, komt er wel in terug: “vatten”. Hierdoor verwijst het woord impliciet ook naar “begrijpen”, vat je, de concrete aanleiding voor onze opvattingen, de noodzaak, het nut of de wil om te begrijpen.

Een derde aspect heeft te maken met veranderen: Veranderen houdt in het veranderen van opvattingen; dat is wat William James noemt het veranderen van (denk)gewoontes en daardoor je karakter vormen. James raadt aan om regelmatig te oefenen met het veranderen van gewoontes, daar een gewoonte van te maken. Want een gewoonte is handig, maar geen attribuut van de werkelijkheid. Een andere term daarvoor is tweede orde leren.

Dat brengt me bij het andere deel van het woord: “werkelijkheid”. bestaat er een werkelijkheid buiten mijn opvattingen? Ja. Die gebruik ik namelijk om mijn opvatting te testen. Opvattingen die voor mij werken, die voor mij de test doorstaan, die hou ik bij voorkeur. Daar houd ik me aan vast, daar hou ik van. De werkelijkheid is wat werkt. Vervolgens hebben we de neiging om anderen te overtuigen van onze opvattingen – ze werken immers – en komen we in de problemen. Want voor iemand anders werken andere opvattingen soms beter, die houden zich aan iets anders vast. Het is voor veel mensen lastig om te vatten, dat dat niet betekent dat de opvattingen niet deugen, of erger, dat de ander niet deugt. Daar ga ik in een andere bijdrage dieper op in.

Ik ben het ook eens met het idee dat de belevingswerelden “hard wired” zijn, maar tegelijkertijd zijn mensen plastisch. We kunnen – weliswaar met enige inspanning en vaak niet van harte – anders denken, voelen en doen dan onze bedrading ons doet denken voelen en doen; en, met nog meer inspanning, onze bedrading wijzigen. Dat zijn de paradoxen van expressie: autoriteit, afhankelijkheid, creativiteit en moed. Daarmee zijn het ook de paradoxen van leiderschap. Vandaar dat leiderschap geassocieerd wordt met autoriteit, dat mensen neigen tot afhankelijkheid van een leider, dat een leider nieuwe oplossingen brengt – hier is de link met innovatie – en de moed heeft om te veranderen wat moet veranderen.

Ik zelf zou management beperken tot de blauw-rode wijze van leiderschap: concrete situaties oplossen door het toepassen van (management)theorieën – volgens het boekje. Eventueel met “people management” of “human resource management”: “blauw – groen”. Management consultancy bestaat dan uit “blauw – geel”: het ontwikkelen en voorschrijven van (nieuwe) modellen en systemen.

Paradogma

Hier is een bijdrage over paradigma en paradox

The new paradigm is inconsistency in practice; I call it paradox. I’ve been working with Will’s approach (“Creating Paths of Change”) for over 15 years now and for me it still is the best approach: his “model” (i prefer the word “map”) is complete at the expense of inconsistency. His “model” doesn’t produce answers, it generates questions and very good questions at that.

The four reality perceptions are both excluding and connecting: they complement each other. They question each other. What seems “real” in one reality perception, may become “unreal” in another, must be “not real” in a third and can be “not unreal” in the fourth. The basis premises is that your way of perceiving and judging makes it so (Thomas Theorema). Theory is, at the most, a useful habit and should not to be confused with an attribute of reality. Theory is fiction, made up (as is, by the way, “fact”, facts are also made up).

Here is, in my view, the new paradigm: being inconsistent. All theories aim at consistency and fall into the trap set up by the Russell Paradigm: “can a theory both contain and explain itself?”. Yes and no. The trap is a truly existential one: it is there because I am. Or, to put in other words: “I am, therefore I think”. I am my own theory, or even better, I own my theory, I made it – as you do and did and will do.

Will showed me (I think he didn’t quite see it this way himself) that there is no location outside the map (my map, my reality) I’m in. My process of mapping produces my map, which contains my process of mapping, which contains …infinite regress and a true paradox. This high level “map” I perceive as my reality and I use my reality as a map. (In Dutch we have this wonderful word “werkelijkheid”, as in German: “Wirklichkeit”. “Wirklichkeit ist aber was wirkt” What works is “werkelijkheid”, reality”.) I assume that you do the same. These maps seem largely to be the same, because they are grounded in the same real reality (I know there is a world outside me, that’s why i needed the map in the first place), only, I am only on my map and you are only on yours. Where you stand depends on where you sit. Moving is an interesting option, but reality moves with you.

There seems to be “a whole hole” in the map, a kind of blind spot, parts I cannot perceive. It is me, myself and I. And, like the blind spot in our eye, it is covered up – by our brain – and the cover up is also covered up (it is called science). At the same time, we provide each other with complements of our maps – theories. These theories work, nothing as practical as a good theory. Up to a point, the point they cannot make. And the theories are also used to stuff the holes, to cover up the holes. They are used to say: “listen, my map is better than your map, so i must be a better person”. Or something like it. (I’m not very impressed, my map says.)

System Thinking, I’ve said it many times is not wrong, it is just incomplete. When we make it complete, for instance, I may add “synchronicity” (this, I have discovered, is another way of adding yourself to the map, without people noticing. synchronicity only works when there is somebody to perceive the perception), we introduce inconsistencies. If you do not want those, get out of my light, because that is making the shadow..

So, to quote Einstein: “in theory, there is no difference between theory and practice; in practice there is”. In paradigm, there is no difference between paradigm and paradox; in paradox there is.

Lichamelijke representatie

Bij familie en organisatie opstellingen maken we gebruik van representaties. Dat houdt in dat we deelnemers vragen om in een houding een positie in te nemen die de situatie representeert. Representeert is het juiste woord, omdat de houding altijd in het hier en nu is “present” en een boodschap presenteert, die door onze eigen lichaam in samenwerking met onze hersenen tot betekenis gemaakt wordt: gerepresenteerde betekenis. Alle expressieve kunst, van tekening tot opera, is gebaseerd op ons vermogen om lichamelijke houdingen te interpreteren. Vandaar dat ik tegenwoordig de term “vertegenwoordiging” hanteer.

Lichaamstaal (houdingen) en gearticuleerde taal (uitspraken) vullen elkaar aan. Deze twee talen vormen samen een geheel. De talen hebben echter verschillende kenmerken.

Lichaamstaal Gearticuleerde taal
Drie deelnemers, een man, twee vrouwen, overleggen met elkaar. De man legt iets uit wat op een papiertje staat; de rechter vrouw lijkt het niet met hem eens, de linker lijkt het met hem eens.
Analoog Digitaal
Geheel Onderdelen in een structuur
Relaties, verhoudingen Inhoud
Onmiddellijk Achteraf
Weinig precies Zeer precies
Kan niet ontkennen Ontkent met “niet”

Toneel, dans, drama, opstellingen, representaties etc. werken omdat onze lichamen onbewust de houdingen van anderen spiegelt. Het brein “leest” de situatie en vertaalt deze naar bewuste, gearticuleerde taal. Bij het maken van een opstelling gebruiken we deze onbewuste vaardigheid intentioneel: de bedoeling dat het spiegelen van een houding het hoofd informeert over de situatie. Omgekeerd, denk ik, dat de uitdrukkingen die we hanteren ook op het lichaam geprojecteerd worden; dit uit zich in gebaren die de gearticuleerde taal ondersteunen. Daarnaast zijn we in staat om waar te nemen wanneer de gebruikte woorden en de gehanteerde houding niet met elkaar overeenstemmen.

We verstaan (tegenwoordige tijd = lichaamstaal) met ons verstand (voltooid verleden tijd van verstaan = gearticuleerde taal).

Lichaamstaal kent geen ontkenning (je kan niet “niet” uitdrukken, nooit geen houding aannemen), terwijl de gearticuleerde taal wel kan ontkennen (“dat is niet waar”). Deze dichotomie veroorzaakt de paradoxale spanning waaruit de betekenis voortkomt.

We hebben beide talen nodig om te begrijpen waarover we het hebben, maar de nadruk ligt meestal op de gearticuleerde taal (voorgrond), die we ook wel “bewust” noemen. Deze is immers “duidelijk”. Lichaamstaal vormt meestal de achtergrond, ook omdat deze ambigue is. Wanneer we werken met houdingen (acteurs, drama, dans, opstellingen) zetten we de lichaamstaal op de voorgrond. Omdat deze weinig precies is, vragen we vaak om “verduidelijking”. De werking, het effect van opstellingen etc. komt voort uit deze omkering. Ik ga ervan uit dat de lichamelijk taal altijd – op haar manier – waar is. Ze kan immers niet ontkennen. De lichamelijke boodschap “overvalt” (of neemt over) de articulatie en deze vertelt op symbolische wijze wat er “echt” speelt. Dit uit zich in samenhang met wat sterkere expressie van emoties en meestal onverwacht.

Voor de verklaring van de werking van opstelling is dus geen wetend veld nodig, geen collectief onderbewuste of morphogenetische velden. Opstellingen werken omdat we een lichaam hebben dat weet, een weten met een eigen taal.

Ons vastgeroeste denken

Toets je aannames. Dit stukje heeft het helaas niet gehaald in hoofdstuk 7, maar is belangrijk genoeg om hier te bespreken. Ook omdat ik in het tweede deel van deze post een interessante onderbouwing geef.

We hebben de neiging om op basis van aannames – motieven, waarden, normen, gevoelens, ervaringen – conclusies te trekken uit de gegevens en de conclusies te verifiëren. Dit heet wel ‘the ladder of inference’ van Chris Argyris: we handelen op basis van conclusies die we trekken uit een selectie van de gegevens, waarbij we de achterliggende aannames – voor het gemak – vergeten. Selecteren doen we op basis van onze werkelijkheidsvoorkeur. Dat is de gekleurde bril waardoor we kijken. Je werkt altijd vanuit een perceptie of beeld van de werkelijkheid en je moet je eigen wereldbeeld kennen om even pas op de plaats te maken. In een gesprek goed luisteren, betekent ook luisteren naar je eigen innerlijke stem.

Mensen hebben de neiging hun conclusies te verifiëren en niet hun aannames. Patronen, gewoontes zijn geweldige hulpmiddelen in het overleven, maar ze beperken ons vermogen om te innoveren, te scheppen en te veranderen. Ik las het volgende bij Michalko, onderzoek naar (het gebrek aan) creativiteit, wanneer we iets hebben wat werkt.

Wanneer we weten wat werkt, kunnen we maar moeilijk iets anders bedenken. We hebben ook de neiging om wat we hebben geleerd NIET kritisch te onderzoeken. De Britse psycholoog Peter Watson, gaf mensen de volgende reeks cijfers:

2… 4… 6…

Hij vroeg ze vervolgens om hem zo veel mogelijk vragen te stellen om de regel achter deze volgorde van cijfers te ontdekken. Ze moesten dat doen door steeds drie cijfers te noemen. Vragen stond vrij, het ging niet om aantallen goede of foute antwoorden.

In vrijwel alle gevallen vroegen mensen in eerste instantie: “4, 6, 8” of daarmee vergelijkbaar. Watson zei dan “ja, dat is een voorbeeld van de regel”. Daarna zeiden de meesten mensen iets als: “20, 22, 24″ of “50, 52, 54″, steeds het cijfer met twee ophogend. Na een aantal pogingen waren de deelnemers er zeker van dat de regel was: “ophogen met twee”, zonder verdere alternatieven te onderzoeken.

De regel die Watson hanteerde was veel eenvoudiger: de getallen liepen op. Het had ook 1, 2, 3 of 10, 20, 40 of 400, 678, 10944 kunnen zijn. Het testen daarvan zou bijvoorbeeld met 1, 2, 3 kunnen, wat volgens Watson correct was. Ook viel op dat vrijwel niemand een aflopende reeks probeerde, bijvoorbeeld 6, 4, 2 om te kijken of dat fout was. Ook probeerde niemand een willekeurige reeks cijfers, ondanks dat die informatie veel meer over de achterliggende regel zou zeggen.

Watson ontdekte dat de meeste mensen keer op keer naar dezelfde informatie zoeken, zonder te zoeken naar alternatieven, zelfs niet wanneer een vraag met een negatief antwoord niet bestraft zal worden. In honderden experimenten vond hij, ongelofelijk maar waar, nooit iemand, die spontaan een alternatieve hypothese uitprobeerde, keek of de veronderstelling NIET waar was. Niemand ging op zoek naar een eenvoudigere, onderliggende regel. Dit is, aldus Michalko, volgens Einstein het verschil tussen hem en een gewoon mens: bij het zoeken naar een naald in een hooiberg, stoppen gewone mensen met zoeken, wanneer ze er één gevonden hebben. Einstein zou niet rusten voor hij de hele hooiberg doorzocht had op alle naalden.

Hou bij de intake en het ontwerp van je sessie dus rekening met de neiging – ook bij jezelf – om in oude patronen te vervallen en niet te zoeken naar echte informatie: informatie die verwart, ontkend, onduidelijk is of gewoon verkeerd. Het woord “verkeerd” is in dit verband grappig: verkeerd is wanneer we niet keren.

Dit is, denk ik dan, waarom we bijvoorbeeld in een kredietcrisis raken. Iedereen zoekt de oplossing op de plaats waar we de huidige oplossing gevonden hebben en niemand stelt onze aannames ter discussie. Pas wanneer er helemaal niets meer werkt, of wanneer we een vergissing maken, laat ik dat niet uitsluiten, komen we er achter dat de oplossing al die tijd al voorhanden was. Zo simpel, dat we later niet kunnen verklaren waarom we haar niet zagen.

Vragen om verwarring

Faciliteren houdt in: omgaan met verwarring, onduidelijkheid, twijfel en vragen.

Onze hersenen houden niet van verwarring en zoeken naar verklaringen. We zijn gewend, hebben geleerd of de gewoonte om een eind te maken aan een toestand van verwarring. Mensen hebben behoefte aan veiligheid, duidelijkheid, zekerheid. Alleen wanneer alles duidelijk is, kunnen we iets doen, menen er velen. Om aan twijfel een eind te maken bestaan twee verschillende werkwijzes: de eerste is vertrouwen stellen in een autoriteit; de tweede is de twijfel als instrument gebruiken.

1. Vertrouwen op anderen, een ander die een einde maakt aan verwarring. Dit kan een ouder zijn, een leider, manager, adviseur; we vragen het een specialist, trainer of coach. We kunnen ook vertrouwen op god, goden, het lot. Deze werkwijze is iets of iemand geloven, volgen, vertrouwen. Wanneer iemand iets duidelijk uitlegt, zeggen we ook wel: “ik kan je volgen”. Een groep geeft zekerheid – there is safety in numbers. Wanneer miljoenen mensen hetzelfde geloven, dan biedt dat wat meer zekerheid. En wanneer dat niet zo blijkt te zijn, dan hebben we een dubbelslag: iedereen heeft dezelfde fout gemaakt en we kunnen het die ander verwijten.

Vertrouw op mij: kom naar de inscholing, waarin ik duidelijkheid verschaf over het boek Faciliteren als Tweede Beroep.

2. Vertrouwen op verwarring. De tweede werkwijze laat de verwarring voortduren. Dan gebruiken we twijfel als instrument, om te experimenteren, te onderzoeken. Leren, denk ik dan, volgt uit twijfel. Daarom zit er weerstand op leren; de weerstand van de twijfel, de verwarring. Pierce – de Amerikaanse filosoof, aartsvader van het pragmatisme – noemt dit de wetenschappelijke methode. Twijfel is niet uit te bannen, de waarheid beperkt zich tot wat we voor waar nemen. In een groep kunnen de deelnemers elkaar duidelijkheid verschaffen en daardoor vertrouwen in elkaar krijgen. Vertrouwen in elkaar dat we met elkaar om kunnen gaan met verwarring, verandering. Dit is de werkwijze van het faciliteren.

Vertrouw op jezelf: kom naar de inscholing, waarin ik verwarring verschaf over het boek Faciliteren als Tweede Beroep.

Een facilitator dient om te kunnen gaan met verwarring, onzekerheid en twijfel; niet door een oordeel te vellen, een advies te geven of te verduidelijken, maar door in woord en gebaar bij de groep in verwarring te blijven. De groep, het team, zal het zelf moeten uitvinden, oplossen, verduidelijken. De facilitator stelt vragen en het kenmerk van een goede vraag is dat het antwoord luidt: “ik weet het niet”. De facilitator schept ruimte en tijd om met elkaar te onderzoeken, te experimenteren, te leren. Een paar tips:

  • Bereid je vragen goed voor. Let erop dat het open vragen zijn (W/H-vragen, als in Wat…? en Hoe….? maar bij voorkeur geen Waarom?); dat ze geen ontkenningen bevatten (Dus niet: “wat wil je niet …”); dat de vraag in eerste instantie geen kwalificatie bevat (Dus niet: “Wat zijn de twee beste ….?”) en geen dubbele vragen (en zeker geen “Welke wel … of geen …”)
  • Stel vragen en vraag door bij antwoorden. Gebruik daarbij dezelfde woorden als de ander. Dus bijvoorbeeld bij: “er ontbreekt visie”, doorvragen met “Visie waarop?” of “Visie waarover?” of “Wiens visie ontbreekt” of “wat ontbreekt er aan de visie?”.
  • Herhaal, wanneer deelnemers je vraag onduidelijk vinden, je vraag letterlijk. De ander heeft tijd nodig om iets te begrijoen en een andere verwoording vergroot de verwarring. Vraag eventueel na herhaling iets van “Wie kan het uitleggen?”
  • Herhaal antwoorden en vragen van deelnemers letterlijk. Vermijd interpretatie. Wanneer iemand zegt “ik ben bang …” herhaal dan “waar ben je bang voor…” en en niet “waar voel je nog meer angst voor …”. Hetzelfde geldt voor een woord als “poen”, “budget”, “centen” of “kapitaal”; onderdruk je neiging om er “geld” van te maken. (Wellicht maakt de druk van de verwarring dat onze hersenen trachten met een eigen verklaring , een eigen framing, te komen
  • Herhaal bij voorkeur een gestelde vraag ook letterlijk: geef niet gelijk antwoord. Iemand die in verwarring verkeert kan ook geen adequate vraag stellen. Ondersteun de ander bij het verwoorden van de vraag.

Voor de wat oudere kijkers. Soap was een Amerikaanse TV-serie waarin en loopje genomen werd met de klassieke “soaps”. Een vaak verkeerd geciteerde uitspraak is de stem aan het begin van elke aflevering, waarin een samenvatting gegeven werd van de plot tot nu toe. Een verwarrend verhaal, beëindigt met de belofte dat deze aflevering een einde zal maken aan de verwarring.

“Confused? You won’t be, after this week’s episode of…Soap” – Soap.

Onregelmatig corrigeert men mijn quote: . Meestal herinnert men zich “you will be…”. Aan het eind van elke aflevering werden allerlei vragen gesteld, met de belofte deze te beantwoorden in de volgende aflevering. Dat gebeurde niet, nooit.

Wie zegt er wat?

Van voorwerpen, dieren en mensen nemen we gedrag waar. Voorwerpen gedragen zich bij een interventie altijd op een voorspelbare en aan de interventie proportionele wijze. Hoe harder je tegen een steen schopt, hoe verder hij weg vliegt. Dieren reageren op minder voorspelbare en niet proportionele wijze. Wanneer je tegen een hond schopt kan deze bevriezen, vluchten, vechten.

Mensen hebben via taal het vermogen ontwikkeld om zelf over hun gedrag te reflecteren. Een mens, indien geraakt, is in staat te bevriezen, te vluchten of te vechten EN zijn of haar gedrag van een verklaring te voorzien. Het vinden van verklaringen, verduidelijken, inzicht of kennis – inclusief het verklaren van “een zelf”, “geest”, “mind” of “ziel” – is een wezenskenmerk van menselijk gedrag. Zowel dieren als mensen beschikken over hersenen of een brein. Het vermogen tot zelfreflectie van mensen gebruik dat brein. Het brein, als bron of oorzaak van zelfreflectie, reflecteert over zich zelf. Wanneer we spreken over een brein, spreken we ook over een mens . Brein – bijvoorbeeld in de titel ” We zijn ons brein” – is een pars pro toto. Dit opent de mogelijkheid van een mereologische drogreden (p. 35): een deel van een verschijnsel gebruikt als verklaring van een geheel. De hersenen vormen een deel van het brein, het deel dat denkt dat het denkt. Echter, om te denken heeft het brein het lichaam nodig.

Met behulp van ons brein nemen wij mensen onze omgeving waar. Aanvankelijk leren we waarnemen in termen van gedrag: naar gedrag (“warmte”, “voedsel”) dat ons bevalt willen we toe en van wat niet bevalt (“hitte”, “honger”) willen we weg. We projecteren ons lichaam op de omgeving. Geleidelijk aan leren we onze waarnemingen in te delen, bijvoorbeeld in “warm” en “koud”, “goed” en “slecht” of “man” en “vrouw”. Op basis van een indeling in categorieën baseren we de verklaringen voor ons gedrag. “Ik koop voedsel omdat ik honger heb”. We projecteren onze woorden op de omgeving.

Ons brein deelt noodzakelijkerwijs de werkelijkheid in, categoriseert of herkent daardoor. Maar geen enkele indeling betreft echte attributen van die werkelijkheid. “De kaart is niet het landschap” en “het woord is niet datgene waar over we spreken”. Daarbij kunnen we geen indeling maken die in alle gevallen altijd iets of iedereen in één van twee (of meer) categorieën indeelt. We maken onderscheid tussen man en vrouw, op basis van allerlei kenmerken. Toch blijkt ongeveer 1 op de 1500 mensen niet in te delen. De indeling is “handig”, maar niet objectief.

The world does not speak – only we do.
Rorty R. – Contingency, Irony, and Solidarity

Verder veroorzaak een indeling de neiging om iets in één categorie in te delen, wanneer het niet tot de andere behoort. Bijvoorbeeld, wanneer we mensen indelen in “man” en “vrouw”, hanteren we de definitie dat “man” niet-vrouwelijk inhoudt en bij de definitie van “vrouw” niet–mannelijk. Omdat we impliciet uitgaan van een tertium non datur (een derde is niet gegeven), zijn we niet instaat “niet-man” en “niet-vrouw” als aparte categorieën naast “man” en “vrouw” te zien. Het kunnen gebruiken van het woordje “niet”, is zowel de sterkte van taal – we kunnen met niet iets ontkennen – als haar zwakte – we kunnen, in termen van gedrag, niets ontkennen.