Archive for H0 Begrijpen

Waar ligt de oorzaak van het begin?

Voor sommigen mensen vormen ideeën de eerste oorzaak. Het idee is, dat we eerst wat bedenken en daarna gaan doen. Dit idee, ligt ook ten gronde aan veel bijeenkomsten. Om te veranderen, hebben we een idee, droom, visie, beeld nodig. Dit idee moeten we delen, we moeten het eens worden en dan kunnen we wat gaan doen. Dat noemen we wel: “één focus” of “project”. Dat idee komen we straks weer tegen.

Maar, weet, het werkt ook omgekeerd. Wat we bereikt hebben, verklaren we uit de ideeën die we hadden. Ons brein is een meester in het uitfilteren – vergeten – van de andere ideeën die we hadden, en die het niet zijn geworden. Ook horen we nooit wat van mensen wier idee “niets” geworden is. Grote passen, snel thuis: ook voor ideeën gelden de wetten van het evolueren. Er zit niet een plan of een doel achter de wereld. Ze is wat ze is. De oorzaak is ook het resultaat, het resultaat volgt uit de oorzaak. We kunnen niet bepalen wat of welke de “eerste” oorzaak is. Omdat we zelf het idee vormen over een eerste oorzaak, geen idee zonder denker.

Wat veroorzaakte dit idee? Er zijn – als altijd – vier oorzaken denkbaar:

1. Aarde: de concrete, materiële wereld (we zeggen niet voor niets “materie”, van mater, moeder)

2. Lucht: de universele kosmische wetten (kosmos betekent immers “structuur”), zoals de Wet van Behoud van Energie

3. Water: de gemeenschap, de groep waarin we geboren werden (we spreken over “gemeenschap”. omdat die de betekenis (“meaning“) aan ons bestaan geeft)

4. Vuur: het idee (de logos, woord, wijsheid, kennis en, met een grote bocht: Sophia, het vrouwelijke aspect van het Goddelijke, de “moeder van god”)

Zoals steeds, verenigt het vierde element vuur, de andere drie. Daaruit ontstaat, als autonoom fenomeen, “een idee”. We kunnen geen ideeën scheppen, zonder een materiële, gestructureerde en gemeenschappelijke wereld. We formuleren een idee in taal. Taal heeft structuur, volgorde, grammatica. Daarbij heeft taal interactie, wisselwerking nodig, met anderen. Taal vertelt zo veel meer, ook tot welke taalgemeenschappen we onszelf rekenen. Taal is aangeleerd.

De werkelijke oorzaak is natuurlijk “Het Ene”, het ondeelbare, de oorzakelijke oorzaak. Daarna volgde de splitsing of de schepping, afhankelijk van waar de klinker plaatst (in het Hebreeuws).

Volgens mij is een gedachte altijd een verleden tijd, in elke taal. Dat komt, omdat we een ervaring, gewaarwording, “vertalen” in een gedachte, een idee. Tegelijkertijd (!) werken onze hersenen zo, dat ze een geachte in onze beleving “terugplaatsen” in de tijd. We hebben dus het idee, dat er eerst een idee is. Dit is naar mijn idee, een soort copingsmechanisme. Want wanneer er niet eerst een idee zou zijn, wie bedenkt dan de ideeën? Dat ze spontaan opkomen, is voor mensen in een gemeenschap onwenselijk. Maar volgens mij zijn ideeën voor de hersenen, wat diarree is voor de darmen. Wanneer je je gedachten probeert te volgen, zal je merken, dat ze komen en gaan. Mensen hebben ideeën, maar geen idee waar die vandaan komen. En dat kunnen we ook niet weten, omdat waar de ideeën vandaan komen, geen taal is. (Of op z’n hoogst een niet-verbale taal, maar een bio-elektrochemische taal)

Wat mensen – let op, dat “men” in “mensen” ook van “meen” afstamt – hebben uitgevonden (of ontwikkeld, weer afhankelijk van je standpunt), of bedacht, is “projecteren”: het afbeelden van een idee op de omgeving. Vandaar, dat we dingen een “voorwerp” noemen, een “pro-jectie”. Uit het aangeleerde vermogen ons beeld in een iets te projecteren, we moeten leren om te zien, ontstaat de gewaarwording, dat een idee een eerste oorzaak heeft en dat ik dat ben. Vandaar dat het eerste hoofdstuk van mijn boek gaat over “begrijpen”. We dienen het voorwerp te kunnen begrijpen, moeten er een idee van krijgen, voor we het kunnen gebruiken. Hou me te goede, dit is niet verkeerd, maar het is ook niet “echt”. Vandaar dat we uiteindelijk komen bij het begrip “kunst“, wat, het woord zegt het al, “kunstmatig” is. Ik meen me te herinneren, dat dat idee bij Reve vandaan komt. Om dat door te vertalen naar “droom”, lijkt me wel erg hineininterpretieren.

De lezer of toeschouwer wordt herinnerd aan een afspraak, die hij trachtte te vergeten, en realiseert zich opnieuw dat de gerepresenteerde wereld niet ‘natuurlijk’ is, maar kunstmatig
Verrek, het is geen kunstenaar: Gerard Reve en het schrijverschap, Edwin Praat

Implicaties voor faciliteren
– Intake: het idee, wat de “eerste oorzaak” is van een situatie, vertelt ons hoe de opdrachtgever / groep de situatie gewaar wordt. Uit die kadering, volgen hun acties en daaruit het resultaat plus het vastlopen. Vraag, bijvoorbeeld bij een intake, door op de gehanteerde metafoor. “En waar leidt …. (oorzaak) toe?” “en wat volgt dan op ….(oorzaak)?” “en wat gebeurde we vlak voor (oorzaak)?”. Gebruik “Clean Language”, zuivere taal, waarin je zo min mogelijk van je eigen ideeën verwoordt.

– Ontwerp: geef gelegenheid aan de deelnemers om “het idee” van de bijeenkomst te formuleren. Waar hebben we het over, wanneer we over het onderwerp spreken? Doe altijd een Check in, naar de ideeën van de deelnemers.

– Uitvoering: beweeg van beleving (groen) via idee (geel) naar vertaling (blauw). Laat bij voorkeur deelnemers eerst zelf een idee opschrijven. Dat vergemakkelijkt het formuleren en onthouden van een idee. Het opschrijven is een vorm van beweging.

– afronding, evaluatie: eindig positief. Laat deelnemers bijvoorbeeld in één (of zes) woorden beschrijven wat ze hebben meegemaakt. Gebruik het woord “meemaken”.

Geld geldt

Yuval Harari schetst in zijn twee boeken – Homo Sapiens en Homo Deus – een beeld van de geschiedenis van de mensheid in respectievelijk het verleden en de toekomst. Geld en geloof of vertrouwen in elkaar, speelt daarin een hoofdrol, omdat “betekenen” het sleutelbegrip is, om mensen te begrijpen.

Een van zijn conclusies (en ook de mijne) is, dat we als mensen in twee werelden tegelijkertijd leven: een objectieve, feitelijke wereld en een fictieve, imaginaire wereld. De woorden feiten en fictie verwoorden dat al: beide zijn afgeleid van “facere”, maken.

Hetzelfde geldt voor het woord “geld”. Geld is zowel reëel, objectief en feitelijk als imaginair, subjectief en fictief. Het gebruik van het woord “geld” geldt als geldigheid voor deze bewering.

Een kenmerkend verschil tussen de reële en imaginaire werkelijkheid is, dat de eerste van nature begrensd is en de tweede vanzelfsprekend onbegrensd. Onze fantasieën, dromen en verhalen, zie de boekhandel, bioscoop of tv, kennen geen maat. Onze aardbol en alle voorwerpen, zijn eindig en begrensd. Sterker: ze begrenzen ook onze dromen. Dat noemen we de harde werkelijkheid. Dit verschil houdt overigens ook in, zoals Harari betoogt, dat een echt mens echte pijn en vreugde voelt, maar een groep mensen of organisaties niet.

Geld is een manifestatie van het Thomas Principe (“If men define situations as real, they are real in their consequences.”). Het verhaal dat we elkaar vertellen over geld heet “economie”. De fictie houdt ook in, dat het feit dat iets meer waard is, ook meer kost (“moet kosten”) of opbrengt (“prijzen” (!)) (dit is in een notendop het verhaal van de uitgaven in de zorg). En in het verhaal, vertellen we elkaar, dat de economie eeuwig moet groeien. En gelukkig kunnen we de cijfers op papier laten groeien. Wat we voelen, zien en horen, is dat het fictieve verhaal feitelijk niet meer klopt. Maar ja, wat dan?

Een van de gevolgen van het geloof in ons verhaal, is dat iemand die meer geld heeft, meer waard is. Dat houdt in meer macht en genereert de scheefgroei in het individuele kapitaal. De lengte van mensen heeft een natuurlijke verdeling, niemand groeit tot in de hemel. De verdeling van geld is “onnatuurlijk”. Het verhaal gaat, dat dat “verdient” is. Het is het sprookje van de kleren van de keizer: niemand staat te wachten op een tante Mathilde die gilde: “dat geld is niet echt, je bezit niet meer dan je lichaam”.

De taak waar we voorstaan, denk ik dan, is NIET het verzinnen van een ander verhaal. (Dit is een paradoxale opdracht, ik weet het) Het vraagstuk vraagt om een paradigma verschuiving. Het oude verhaal is niet waardeloos, het is niet langer waar en niet onwaar. We moeten terug naar de bron: “wat verstaan we onder elkaar, onze gemeenschap?”. Ik vermoed, dat het niet te maken heeft met het vertellen van verhalen, maar het vermogen om naar elkaar te luisteren. Een vermogen tot het voeren van een dialoog, zoals mijn lieve vriendin Sofia doet, over de verschillen. We dienen te gaan zoeken in het duister – in onszelf -, waar we de sleutel verloren hebben, en niet in het licht dat straalt op de deur.

Als je begrijpt wat ik bedoel

haas eendEen Jung werkgroeplid stuurde me een mail:

Eend en Haas
“Je kent het plaatje in de bijlage ongetwijfeld. Is het een haas, of is het een eend?

Stel je voor, dat twee mensen aan het tekenen zijn. Zij maken hun tekeningen op grond van een aanwijzingen door een derde en het voeren van een gesprek met elkaar, inclusief de derde. Het object dat getekend wordt vormt zich aldus: het is niet concreet van te voren gegeven. En ze hebben geen zicht op elkaars werk. Het resultaat is dat de een een haas en de ander een eend heeft getekend. Uiteraard zijn beide tekenaars zeer verwonderd elkaars werk tenslotte te zien.

In het dagelijkse samenwerken doet zich dit waarschijnlijk doorlopend voor, zonder dat dit ooit duidelijk wordt noch problemen veroorzaakt. Tenzij er uit de uitkomsten juist wel problemen ontstaan. Naarmate de belangen groter zijn en ieder op zijn manier zich enorm heeft ingespannen zal zich dat ook in emotie en drama vertalen. De boel slaat los, er is geen contact en ook geen wederkerigheid meer. Het tendeert naar (symbolische) oorlogsvoering. Nadat de escalatie is uitgewoed en ieder zichzelf wat hersteld ontstaat pas weer de ruimte om naar elkaar te kijken. De schade is groot maar nog beroerder is het dat pas dan het inzicht in elkaars goede intenties naar voren komt. Dat besef maakt duidelijk dat het allemaal heel anders had gekund. Maar dat is achteraf. Niet bekend is wat hier nu eigenlijk in het spel is geweest.

Herken je wat ik bedoel?”

Möbius Ik herken je voorbeeld; ik vermoed dat een en ander speelt in elke situatie. Net zoals je niet begrijpt wat ik bedoel met het volgende:

Paaps en Turks
het is – zoals de tekening – een paradox. De “oplossing” wordt ook wel het Helsinki-principe genoemd. Bij een vroege conferentie over automatisering in Helsinki, is afgesproken dat betekenis van een boodschap, verzonden door een zender, bij de ontvanger voor 100% de betekenis is, als bedoeld door de zender. In alle andere gevallen bestaat er nl onzekerheid over de “echte” betekenis.Dit principe wordt door vrijwel iedereen impliciet gehanteerd. Belangrijke uitzonderingen zijn cabaretiers, het is immers de basis van een goede grap. Als voorbeeld kan je de huidige controverse over Erdogan in de Duits-Turkse verhouding gebruiken.”

Vanaf hier begrijp je me weer 🙂

Verzoek en opdracht?
Dit houdt in, dat iedere boodschap een meta-boodschap bevat die in een proefschrift van ene Pieter Wisse genoemd wordt Every sign is a request for compliance . In jouw mail maak je dat expliciet, maar het zit verscholen in elk (mail) bericht en verklaart de explosieve groei van berichtuitwisseling. (Wat ik interessant vond in mijn contact met Pieter Wisse, is dat hij zelf niet de (paradoxale) implicaties hiervan begreep, en een “taal” heeft ontwikkeld om dit “op te lossen”.) In het kader van je vraag, is dit “request” natuurlijk een (impliciete) “opdracht”.

Ik en ander
In iedere boodschap hanteren we naast de expliciete structuur van een zin, een impliciete grammatica. Deze impliciete grammatica maakt gebruik van een netwerk van opvattingen en aannames, die we “cultuur”, “wereldbeeld” of “werkelijkheidsopvatting” kunnen noemen. Dat laatste woord past het best, omdat het gaat over “wat werkt”. Dit zijn de pragmatische aspecten van menselijke communicatie. In communiceren dienen we steeds rekening te houden met “de ander”, opdat onze boodschap overkomt. Paradoxaal genoeg, kan het zijn, dat wanneer we juist het tegendeel zeggen van wat we willen beweren, de boodschap – in termen van betekenis – beter overkomt. Kort gezegd, wanneer iemand ander het niet met ons eens is – of zelfs boos wordt – heeft zij of hij de boodschap beter begrepen, dan na een kort instemmend “hmm”.

Ik en zelf
Verder heeft het Helsinki-principe nog een ander “aspect”: het veronderstelt, dat de zender de eigen boodschap begrijpt. Ik zelf zeg altijd, dat ik pas weet wat ik denk, wanneer ik mezelf hoor praten. Met andere woorden, er is een feed-back loop waarin ik ook op mijzelf het Helsinki-principe toepas. Verder zal de ontvanger begrijpen dat dit het geval is, of doet alsof dat niet het geval is. “Als je begrijpt wat ik bedoel” (overigens een mooie naam voor deze paradox).

Escalatie en stagnatie
In je vraag beschrijf je de paradox en haar “oplossing”: elke communicatie “veroorzaakt” escalatie (symmetrische situatie noemt Bateson dit) en stagnatie (complementaire situatie). “Veroorzaakt” tussen “”, omdat het niet de communicatie is, die dit veroorzaakt, maar de paradoxen van Expressie. Alleen in de beweging van de ene situatie naar de andere – wat jij “in-between” noemt en wat Hannah Ahrendt aanduidt met de “inter-esse“, het “tussen-zijn” – vindt betekenis overdracht plaats. (Merk op, dat ik hier de betekenis tussen – – zet). Dit fenomeen wordt wel “coupling” genoemd.

Wat het zo lastig maakt om dit te begrijpen, is deze “coupling” een proces is. Dit proces vindt plaats in het tweedimensionale (ofwel “complexe”) vlak, waarbij wij, door de aard van onze materiële existentie, alleen zichtbaar toegang hebben tot de reële as. De andere – de “irrationele” of beter “laterale” as – ervaren we wel, maar ze manifesteert zich niet concreet. We kunnen haar alleen in de realiteit representeren, door een tekening. Stel je een spiraalbeweging voor, waarvan je alleen de afbeelding in het platte vlak of een doorsnede ervaart. Dit is een cirkel. Ontbindt de cirkel in twee assen en je hebt een kruis in een cirkel. “Als je begrijpt wat ik bedoel”

Begrip en onbegrip
Een (waargebeurde) anekdote: tijdens een van de uitvoeringen van onze Leergang Kunstmest, zie op de derde dag Carolien – een van de meest intelligente vrouwen die ik ken – tegen me:
“Jan, ik begrijp niets van wat je bedoelt met je uitleg (over mijn boek)”.
Waarop ik haar bij de bovenarm “begreep” en zie: “ik begrijp je Carolien”.
“Nee”, zei ze, “ik begrijp je echt niet”.
Ik begreep haar weer en herhaalde “ik begrijp je Carolien”. Ze zei het nog een derde keer en ik herhaalde mijzelf opnieuw.
Een paar uur later bleek – uit haar gedrag – dat ze me volkomen begrepen had.

Paradox
appel peer paradoxWellicht ten overvloede: paradox vormt de grond voor betekenis. Betekenis vat ik op als een emergente eigenschap van wisselwerken. Je kan wisselwerking opvatten als gebruiken van spanning uit de complementaire tegenstellingen Vergelijk “appel” en “peer”. Een “peer” is geen “appel” en “appel” is niet “geen appel”. Een peer is ook niet “geen appel” en niet “geen peer”. Maar iets wat niet “geen peer” is, is nog geen “appel”. In onze pogingen om te begrijpen, gebruiken we de verschillen en scheppen we daarmee (vandaar “eigenschap”) de gewaarwording die we als “betekenis” ervaren. Betekenis is dus niet alleen contextueel, ze is ook subjectief en “imaginair”. De reële kant daarvan is het voorwerp – laten we zeggen “de appel” – de appel die we zien. De laterale of imaginaire kant vormt zich tot het symbool, betekenissen van “appel”. En dat kan van alles zijn, daarom gebruik ik ook bewust “appel”. (Merk op, dat je een appel kunt verschillen :-)). De “echte” betekenis van de appel, zit in het opeten. Maar dan houden we alleen een klokkenhuis over.

In de paradoxale tegenstelling is altijd sprake van een, of ander (=twee), een en ander en noch een noch ander. In communicatie is altijd sprake van begrip, of onbegrip, begrip en onbegrip en noch begrip, noch onbegrip. Merk overigens op, dat dit onafhankelijk van het bestaan van (gesproken) taal is.

Waar staat faciliteren voor?

Onbegrijpelijk 306x203Henri kaart op LinkedIn in de groep Platform Faciliteren, de vraag aan “what’s in a name?“. Wat, als faciliteren niet duidelijk is, is wel een duidelijke naam. Ook binnen de IAF-World komt dit punt steeds op.

Naamgeving komt voort uit spanningen, de paradoxen van behoren. Ik noem dat ook wel de Groucho Marx paradox (waarop Woody Allen weer preludeert in Annie Hall):

“I don’t want to belong to any club that will accept people like me as a member.”

1. identiteit: vind ik me wel of niet behoren tot de groep?
2. inzet: wat moet ik geven om te kunnen nemen?
3. individualiteit: in hoeverre kan ik mijn afhankelijkheid, mijn zwakte tonen in deze sterke, onafhankelijke groep?
4. en grenzen: waar ben ik nog deel van de groep en waar maak ik dan deel van uit?

Het gaat, wat mij betreft over verdelen, het maken van onderscheid. Zoals bij elke paradox: er is geen oplossing voor. De spanning is noodzakelijk om tot inzicht te komen. Wanneer je iets als “niet vanzelfsprekend” aanneemt, lijkt me dat een leerpunt. In onze leergang is het zelfs een uitgangspunt: “momenten van spanning gebruiken we voor inzicht”. Ik zou me in eerste instantie afvragen: “wat wil iemand zeggen, wanneer een naam “niets is”, of wanneer je “niets vindt” van een naam?”. Ik zelf zou vermoeden, dat het een angst voor het verlies aan controle, beheersing is. De naam lijkt het mogelijk te maken het fenomeen te “begrijpen”. Zie ook de eerste paragraaf van Hoofdstuk 0.

De naam, even letterlijk, is een teken en wanneer je het teken beheerst, beheers je waarover gesproken wordt (daarom hebben we drie namen, even uit mijn hoofd, de naam waarmee we genoemd worden, de naam waarmee we bekend zijn voor onze dierbaren (vaak een “bijnaam”) en onze geheime naam, die alleen ik en mijn god kent).

Erik Kijne geeft aan dat het gaat om een erkend beroep, ons beroep. Dat herinnert me aan de titel van een boek over faciliteren ( 🙂 ).

Op basis van het volgende gedicht (Neeltje Maria Min), zou ik willen voorstellen: Vergeet-me-niet

Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

2nd Professional Facilitator

Hoe Faciliteren als Tweede Beroep ook te gebruikenMy first book is named: “Facilitation as a Second Vocation“. Professing comes from “to speak forth”, “having declared publicly and freely”, “making a vow”, to use one’s voice. I used “second vocation” or “second profession” for different reasons.

Paradoxes of Expression
1. because of this paradox: facilitators work with the paradoxes of “speaking”, “expressing”. It takes courage to speak in a group, because of its pressure. We enable participants to speak; all our speaking is aimed at this. The second voice or violin.

Success breeds disaster
2. nobody was born a facilitator. We all started out in a field of expertise, were we became “professional”, proficient. This is were our competencies are best applied. Here we had success. This (early) success however – it is the voyage of the hero – is nice and fine, but the beginning of a decline. We’re asked to develop a second profession, based on our “weak” competencies.

3. there has been, for over 10 years, a very good Dutch book called “Consulting as a Second Vocation”.

4. We organized a facilitators conference with this title. It emerged from a brain storm.

Ambiguity and doubt
In my opinion, there is something “double” with the profession of facilitating: everybody facilitates. In the same way as everybody communicates. I’m having a conversation with the IAF, as they tend to “brand” the professional facilitator, CPF. I’m not against certification – I’ve introduced in The Netherlands myself -, I just don’t agree with the current view that a certificate says something different than “I’ve got a certificate”. When the certificate (also true with quality certification, like ISO 9000) becomes more important than the relationship, you’ve migrated from professionalism to professionality –> it has become “a nation”, a group. You’ve created two groups: “the professionals” and the “not so professionals”. This is not the nature of facilitation.

to CPF or not to CPF
When a client ask me if I’m certified (I am), I first ask him (mostly him) what he requires of me. If he is uncertain about the fact that I’m professional and he wants to be sure through a certificate, then this is the issue: “what makes you uncertain, that requires me to have a certificate?”. The professionalism is in this: being able to question your own doubts. I know that everybody will become a “professional facilitator”. But that’s another story.

Paradox van scheppen = splitsen

appel peer paradoxGeleidelijk aan krijg ik grip op de weerbarstige materie van de paradoxen. Paradoxen zijn schijnbare tegenstellingen. Ze zijn niet ontstaan als bijproduct van ons denken of onze taal, maar ze zijn het ontstaan. In de betekenisleer wordt gedacht dat we weten wat iets is, bijvoorbeeld een appel, omdat het niet iets anders is, bijvoorbeeld een peer. Een peer is geen appel. Echter, dezelfde redenering leidt tot “geen peer” is een “appel”. Maar broccoli is geen peer en ook geen appel. Irritant. Inderdaad. Hier is een antwoord op een mail van Danielle.

“Klinkt goed, het fenomeen van de paradoxale krachten vind ik vanuit het creatieve proces gezien blijvend fascinerend, ..”

Paradoxen zijn equivalent aan energie. We ervaren paradoxen niet rechtstreeks, maar – inderdaad – door de krachten die ze “vertonen” (let op het dubbelzinnig woordgebruik).

Het creatieve proces zelf is een paradoxaal fenomeen en wel op twee manieren. Allereerst is creativiteit één kant van het paradoxale paar creativiteit – destructie. Bij elke creatie vindt ook vernietiging plaats. De destructieve kant herkennen we in “conservatieve krachten”, weerstand tegen vernieuwing. Vernietigen en scheppen “kost” energie, de zogenaamde “vrije energie”. Deze vrije energie is in staat om werk te verrichten.

Ten tweede maakt elke paradox ook energie vrij. Deze “vrije energie” schept zich zelf in de vorm van een nieuwe paradox. De eeuwige transformatie, de eeuwige cyclus geboorte –> ontwikkelen –> vernieuwen –> sterven –> geboorte –> . Met andere woorden, creativiteit als fenomeen is ook een resultaat van een paradox.

100px-Aries.svgElke schepping, elke creatie, is altijd ook een splitsing. Ik las laatst dat in de Bijbel men het Hebreeuwse woord “bra” als schepping vertaald heeft. Maar “bra” betekent ook verdelen, splijten of splitsen. Scheppen “is” het scheiden van boven en onder, hemel en aarde, licht en donker, goed en kwaad, vrouw en man, hoed en schoenen, … . Het teken voor splitsing in de astrologie is Ram, duidelijk een splitsing en ook het begin van het (zonne)jaar.

Tegelijkertijd is het maken van een onderscheid de enige noodzakelijke voorwaarde voor een paradox. Dat leert “Laws of Form” ons. De paradox uit zich in het fenomeen dat deze wereld zich zelf schept. Er bestaat geen verschil tussen de evolutie-theorie en het bestaan van god, wanneer god samenvalt met het heel-al, alles. Omdat wij een onderdeel van de evolutie/schepping zijn, kunnen we het niet bevatten. Immers, dan zou een deel het geheel bevatten. Vandaar het mysterieuze gevoel van het mysterie. En de noodzaak om ons zelf in eerste instantie af te splitsen, te dissociëren, en vervolgens te helen, met behoud van het numineuze. Ik gebruik het woord numineus, omdat jij het woord fascinerend gebruikt. Numineus betekent fascinerend en angstwekkend, aldus Otto en Jung.

“… dissociatie, Het leren waarnemen van je eigen waarneming, splitsing van objectief versus subjectief.. etc. Het wil nog niet zeggen dat ik een beeld heb bij hoe e.e.a. wordt ingezet in de praktijk maar daar ben ik wel benieuwd naar.”

De beschrijving van de inzet in de praktijk beschrijf ik in mijn boek “Faciliteren als Tweede Beroep”: het is een meta-praxis, een reflectie op de praktijk. De inzet in de praktijk, kan alleen in de praktijk, vandaar dat we de leergang Kunstmest hebben. “Faciliteren”, zei laatst een project manager in een moment van inzicht, “moet je mee maken.”.