Archive for H3 Modelleren

Kapitalisme als viervoudige religie

Gisteren ontvingen we mijn Jung-werkgroep. Het onderwerp van deze bijeenkomst was “gnosis“: wat is het, welke betekenis heeft het en hoe verhoudt het zich tot de leer van Jung. Dit naar aanleiding van het hoofdstuk over Quispel in “In de ban van Jung”. Hierbin mijn inzichten, als aanvulling op hoofdstuk drie van mijn boek

Ik ervaar gnosis als een vorm van spiritualiteit. Een spiritualiteit die in alle religies voorkomt, de NF-spiritualiteit, de reis van de Harmonie, zoals verwoord in Four Spiritualities: Expressions of Self, Expression of Spirit door Peter T. Richardson. Richardson beschrijft hoe in elke religie vier diverse spiritualiteiten tot uiting komen, die samenhangen met (het ontwikkelen van) een eigen zelf. (Zie ook mijn boek Faciliteren als Tweede Beroep, hoofdstuk 3, het hoofdstuk met de sleutels).

Religare” betekent letterlijk opnieuw verbinden. Dat lijkt me het opnieuw verbinden met (materiële) wereld en met (spirituele) ander. Iedereen bereist daarin een ander pad, of weg of reis, afhankelijk van aard en aanleg, familieomstandigheden en je – afhankelijk van standpunt of opvattingen – al dan niet, toevallige ontmoetingen. (En zie hoe zo reizen bestemt). Deze verschillen bestaan altijd uit een combinatie van vier smaken, kleuren, terreinen, (leiderschaps)stijlen, wereldbeelden, psychologische types of hoe je het ook wilt zegt. Ik gebruik daarvoor las code de Jungiaanse types: ST, SF, NF en NT. (Hun expressie is weer afhankelijk van de E/I en de P/J-functies en natuurlijk de specifieke context). Vat deze op als extremen, ze komen in hun zuivere vorm niet voor. Daarbij zijn ze ook nog eens “fractaal”. Ik bedoel daarmee, dat er in een populatie van, laten we zeggen, hoofdzakelijk ST mensen, altijd weer een vierdeling tot uitdrukking komt.

Richardson geeft aan hoe elke (grote) religie altijd deze vier “uitdrukkingen” vindt (Ik bedenk nu overigens dat William James het ook heeft over de variety of religious expressions. Je zou kunnen zeggen dat Ashby’s Law (Law of the Requisite Variety), werkt: om te blijven bestaan, dient ieder systeem minimaal voldoende complexiteit te hebben. Het woord “complex” is hierbij niet toevallig gelijk aan “Complex”). Zowel boeddhisme, christendom (en binnen christendom weer Katholiek (en binnen Katholiek weer Augustijnen, Benedictijnen, Franciscanen, Jezuïeten …) , Protestants (en binnen Protestants weer …)), islam (…) en Judaïsme (…) als binnen yoga vinden we een vierdeling.

[Zien we, in navolging van Yuval Harari (Homo Deus) ook kapitalisme als een religie, dan vinden we ook hier weer de vierdeling terug van beheersmatige en productie (ST) gericht met samenwerkend en sociaal (SF), groeiend via liberaal en handel (NT) en ontwikkelend via ondernemend en innovatief (NF). Uit onze neiging complementariteit als tegenstelling te definiëren, een voorkeur te hebben voor succes (of een eigenlijk een afkeer van falen) en grootte verwarren met succes, ontstaat als vanzelf een verklaring voor de paradoxale situatie van schaarste en overvloed waarin we ons momenteel bevinden.]

Omdat de vier verschillende types niet gelijkmatig over de bevolking (en gender) verdeeld zijn – we hebben nu eenmaal meer aan ST’s en SF-en in de dagdagelijkse praktijk -, bestaat de neiging om de grote groep te volgen (“eenheid” en (sociaal) “werk”), met name onder de relatief kleinere groepen met intuïtie op de voorgrond (NT en NF). De NT’s kunnen dan nog een plaatsje bereiken vooraan of aan de top – visionairs –, voor de NF’s is het het lastigst zich te ontwikkelen onder de druk van de (extroverte) zintuiglijke waarnemers. Maar aan de andere kant, de meeste populaties hebben meestentijds geen behoefte aan profeten, sjamanen, magiërs of facilitators. Alleen in de enkele gevallen van de geboorte van een nieuw idee, vragen we een vroedvrouw. (De NF-spiritualiteit, zo leert Richardson, kent ongeveer drie keer zoveel vrouwen als mannen).

Met dit gegeven laat het zich eenvoudig verklaren hoe “Sofia”, “Isis”, “Maria”, … godinnen van wijsheid -, geassocieerd zijn met gnostiek en hoe de vrouwelijke aspecten van het goddelijke de materie begeesteren. De vrouwelijke NF gnostici kunnen zich goed handhaven in de maatschappij, natuurlijk vooral in een dienend leidende rol. Ik denk dan aan bijvoorbeeld coaching. Voor de mannelijke NF’s, lijkt dan een plaatsje ver van de ordinaire menigte te verkiezen – ascese -. Ze gooien daarbij soms kind met badwater weg: verwarren van dienende, gevende of meer vrouwelijke rol met een inferieure positie.

Voor gnosis – als vierde smaak – geldt ook de viervoudige indeling. Onder kennis kunnen we verstaan

  1. Regels (Het Boek) en logica,
  2. Data of gegevens en wiskunde,
  3. Ervaringen, gevoel en invoelen
  4. Intuïtie of onmiddellijke inzicht en meditatie.

(en natuurlijk zijn er ook weer vier verschillende vormen van meditatie, ascese, coaching en omgaan met regels…)

Legenda als metamodel

Brein als metafoor voor werkelijkheidsopvattingenIk kreeg van Danny Greefhorst de vraag of ik het model van Nedd Herrmann (HBDI) kende. Jazeker ken ik dat, al uit de jaren ’90. (Ik bespreek het in het boek op pagina pagina 129)

Ik gebruik een vierdeling al in mijn afstudeerscriptie (1984), omdat ik geleerd had dat managers een matrix die ingewikkelder is dan twee bij twee niet kunnen begrijpen. Vanuit Kolb’s leerstijlen via Herrmann ben ik tot de opvatting van McWhinney gekomen. Hij presenteert het viervoudige model op basis van zijn studie naar veranderprocessen. Op basis van de Analytische Psychologie, de fenomenologie en Laws of Form meen ik, dat een archetypische of oorspronkelijke dubbele tweedeling de structuur van het universum vormt. Vandaar dat alle modellen in basis uit een vierdeling bestaat (bij een driedeling is er vaak een achtergrond als “vierde”; vijf is de “kwintessence”, de combinatie van de vier; verfijndere indeling zijn prima).

De kritiek op het model van Herrmann ( http://skepsis.nl/hbdi/ ) herken ik ook. Ze geldt ook voor MBTI, Management Drivers, Insights … etc. (Niet voor het enneagram, dat is een echte hoax). Ik heb een onderzoeksrapport van Coffield e.a. waarin maar dan 100 (leer)modellen (in 13 groepen) onderzocht zijn, waaronder HBDI. Ik verwijs daarnaar in mijn boek (p 103). De validiteit / voorspelbaarheid van modellen over mensen is nooit meer dan 70%, hetgeen mij als natuurlijk overkomt. De breuk tussen Jung en Freud, niet veel mensen weten dat, heeft ook te maken met de stelling van Jung, dat elk model van de menselijke psyche gemaakt is door een mens en derhalve ook de kenmerken bezit van zijn of haar bedenker. Dit geldt ook voor modellen in de natuurkunde, maar die “herkennen” hun bedenker of uitvinder niet. Freud meende dat zijn model wel degelijk universeel was.

Ik ben zelf een aanhanger van het radicaal constructivisme : we vinden modellen uit (in plaats van ze te ontdekken – dat is de achterliggende gedachtefout, overigens ook in de natuurkunde, dat we een model ontdekken) omdat ze (voor ons) werken. Het is een andere verwoording van “werkelijkheid is wat werkt”. Hierin schuilt wel een fundamentele menselijke behoefte om de (onzekere) werkelijkheid te beheersen. Zoals we vroeger de goden aanriepen, zo hanteren we nu modellen. Vandaar, dat de goden ook weer de psychologische aspecten van de mens uitdrukken. En dat de modellen nooit alle menselijke gedrag kunnen verklaren. Het universum zelf, trekt zich niets van onze modellen aan. Net zo, als onze god of goden.

Herrmann presenteert zijn model (in ieder geval later) met nadruk als metafoor. En zo zijn alle modellen metaforen, godsbeelden. Vandaar, dat hij de gebieden ook aanduidt als A,B,C en D. Het door mij gepresenteerde model is eigenlijk een “legenda” (lees ook”legendarisch“): de aanwijzing hoe een kaart of model te lezen. Het is een metamodel. En fractaal: binnen elk kwadrant, kan je weer een viervoudig model maken.

Spiegels spiegelen jezelf

4 elementenOp een bijeenkomst van IPMA Nederland (International Project Management Association) en IAF Nederland, bespraken we verschillen modellen over gedragen teamwerk. Aan bod kwamen Belbin, Emergenetics, MBTI en Spiral Dynamics. In korte sessies van 20 minuten werden de kenmerken van de typologieën besproken. Aan het eind van de avond gaf ik een overzicht van de verschillen en overeenkomsten tussen de modellen. Het levendige gesprek is lastig te reproduceren. Een uitwerking van de presentatie staat hier:
Instrumenten van facilitators – interessegroep IPMA – v3

Modellen werken als een spiegel: we zien ons zelf er in, maar links en rechts zijn verwisseld. In de presentatie schets ik hoe alle modellen voort lijken te komen uit één grondmodel, een twee bij twee matrix. Daarbij heeft elk model een maker, ontwerper, bedenker of ontwikkelaar. Omdat we ons zelf in ons model zien, vertonen we de neiging om dubbelzinnige informatie uit te leggen als passend binnen ons model. Geen model past echter altijd en overal. Door verschillende modellen te kunnen hanteren, vergroten we ons vermogen om met situaties om te gaan, ten koste van de eenduidigheid.

De presentatie met bewegende beelden volgt later.

Theorie en praktijk

Theorie en praktijk kunnen niet zonder elkaar. En ze kunnen niet met elkaar. Het lijkt wel een huwelijk. Vanwege de kinderen blijven ze dan maar bij elkaar, begrijpelijk.

Met de door mij – en Will – gepresenteerde Kaart van Werkelijkheidsopvattingen dekken we het hele veranderlandschap af; net zo als Quinne en Lohrbach, de MBTI, de leercyclus van Kolb, het vier fasen model van Hardjono, .. etc . Theorievorming maakt onderdeel uit van het landschap en alle theorieën claimen (im- of expliciet) universaliteit. Sterker, wanneer dat niet het geval is, volgen aanvullingen (met eventuele andere theorieën) tot het wel universeel is. Tegelijkertijd wil elke theorie ook van praktisch nut zijn. Maar geen enkele theorie “is” de praktijk. Daarom staat er ook ergens de quote van Einstein:

“In theorie is er geen verschil tussen theorie en praktijk; in praktijk wel”

Omgekeerd geldt ook: “In praktijk is er geen verschil tussen praktijk en theorie; maar in theorie wel!” Dat is de paradox waaruit we weten scheppen: wetenschap. Wetenschap is dus volgens mij het resultaat van een emergent proces. Ik heb het ook wel eens geformuleerd als: “wetenschap is het vervangen van de ene verzameling paradoxen door een andere en volhouden dat dat niet paradoxaal is”. Daarmee wil ik wetenschap niet diskwalificeren – ik ben wetenschapper -, maar we mogen wel onze beperkingen kennen. Bovendien geeft het aan dat wetenschap zich altijd zal blijven ontwikkelen.

Alle problemen komen voort uit onze strijd met de praktijk, de werkelijkheid. Dat verliezen we – op termijn – altijd. Maar dan ook altijd. In mijn tekening met de figuurtjes, staat rechtsboven “Gegeven Situatie” (Presenting Situation) omdat het volgens mij gaat om de manier van “aannemen”. Het interessante deel van elke theorie zijn de aannames (!). We maken het elkaar lastig omdat we op basis van de aannames conclusies trekken (= de theorie) en vervolgens de conclusies willen bewijzen, anderen gaan overtuigen of de theorie gaan implementeren. Maar de ontwikkeling van een theorie zit in het falsificeren van de aannames. Het gaat, neem ik aan, om het aannemen van de aannames. En dat noem ik een metapraxis. Daarom staat er ook de quote van de Daodejing (Tao): wanneer je iets grijpt om te veranderen, zal je niet slagen. Datzelfde geldt voor “be”grijpen. In mijn optiek is het helemaal niet nodig om een situatie te begrijpen om te kunnen interveniëren, te mogen veranderen. Ik werk zelfs omgekeerd: de interventie kan heel goed het begrijpen van een situatie zijn. “Aha, nu zie ik het. U houdt de tekening onderste boven”, zoals de man aan de telefoon zegt in de cartoon van Peter van Straten.

Ik bied geen alternatieve theorie, maar een beschrijving van de praxis. Of, anders gezegd, theorievorming als fenomeen plaats ik als onderdeel op de kaart in de “unitaire” werkelijkheidsopvatting. Als gezegd bestaat daar elke verandering uit een (her)interpretatie van regels. Een ander kenmerk van theorieën is het indelen in hiërarchieën. Het plaatsen van een theorie is dan ook een oordeel. Echter, ik plaats een theorie wel op de kaart, maar dat houdt geen oordeel in over de werking, of het succes, of de toepasbaarheid. Vanuit de Unitaire werkelijkheid zijn er drie veranderpaden:

  • analytisch, testen in de praktijk van je bedachte, ontworpen theorie of model: je krijgt dan gelijk
  • beïnvloedend, overtuigen van anderen van de theorie waar je je toe bekeerde: je krijgt dan volgers
  • bevestigend, assertief vaststellen van een geïnspireerde theorie: je krijgt dan “establishment”

Veel intuïtieve denkers (het psychologische voorkeurstype) hanteren een gemengde strategie. Je ziet dat heel mooi bij bijvoorbeeld Goldratt – Theory of Constraints – De Lerende Organisatie – Systeem denken en Theory U. Nogmaals, er niets mis of verkeerd aan deze theorieën. Ze werken. Alleen in sommige situaties even niet.

Mijn impliciete model is eigenlijk het volgende:

Goede vent + Goede theorie ==> succesvolle verandering
Verkeerde vent + Goede theorie ==> weinig succesvolle verandering
Verkeerde vent + Verkeerde theorie ==> geen succesvolle verandering
Goede vent + Verkeerde theorie ==> succesvolle verandering

(een vrouw kan ook een vent zijn; en succesvol houdt in op lange termijn. Er zijn verkeerde venten die iedere keer net op tijd weg zijn; eigenlijk is dat mijn verklaring voor het feit dat er zoveel personeelsmutaties zijn. Peter’s Principle)

De paradox bestaat hier uit: wanneer je een succesvolle verandering tot stand gebracht heb, wil dat niet zeggen dat je theorie deugt. Het enige wat relevant is, is dat u uw eigen theorie bemerkt (zelfkennis) plus de verschillen tussen je (handelings)theorie en de praktijk.

Wanneer u mijn model als een theorie beschouwt, dan dekt deze inderdaad 100% af. Ik ken er tot nu toe maar één die er buiten valt en die is dan ook volgens mij een hoax, oplichterij. In handen van een goede vent lijkt die te werken, maar de meesten komen er achter dat het niet aan die theorie ligt.

Maar, nogmaals, het enige waar ik naar streef is bewustwording van de door u gehanteerde theorie en daar op een adequate wijze met anderen over overleggen. Het enig zinnige doel is vooruitgang.

Het keuze probleem van de passende technieken en instrumenten is het onderwerp van het laatste hoofdstuk. De techniek die ik daar propageer, een vorm van opstellingen, is er niet één die in dezelfde omstandigheden hetzelfde resultaat geeft. En dat is fnuikend voor elke theorie.

Creativiteit

Creativiteit kent een innerlijke tegenstrijdigheid: creativiteit ontstaat uit de splitsing tussen de groep (gericht op eenheid, saamhorigheid, …) en het individu (gericht op verandering, vernieuwing, beweging…). Machiavelli schreef al in De Prins dat alle vernieuwing komt van het irrationele individu, die tegen de groep in gaat. Creativiteit destabiliseert. Veel managers houden in hun gedrag niet van creativiteit omdat dit inherent bedreigend – of in ieder geval onbeheersbaar of onvoorspelbaar – is. Tegelijkertijd zullen ze zeggen dat ze wel creativiteit willen bevorderen. Dit is wat Chris Argyris noemt Theory I in Use (wat je gebruikt) versus Theory II Espoused (wat je zegt). Dat er een verschil tussen zit kunnen we niet bespreken vanwege regel 2. (Regl 1: de baas heeft altijd gelijk; Regel 2: wanneer de baas geen gelijk heeft, treedt regel 1 in werking).

De meeste groepen, is mijn ervaring, hebben ook moeite met creativiteit. Allereerst herkennen ze creativiteit niet eens wanneer ze erover struikelen. Verder hebben groepen de neiging zich afhankelijk te maken van de baas. De neiging zal bestaan om de creatieveling uit te sluiten, als zonderling of zondebok te bestempelen. Het resultaat van innoveren is “Creative destruction“, de term van Schumpeter. Om iets nieuws te scheppen dienen we het oude te vernietigen. Daarin ligt vaak een probleem – sommigen noemen dit een uitdaging – bij het faciliteren, want een groep wil allebei. Je wilt behouden wat werkt en weet nog niet wat ook of beter kan werken.

Creativiteit houdt immers ook in het accepteren van “het andere” in. Dit noemen we ook wel out-of-the-box denken. Hoewel ik een grote fan ben van De Bono’s denkhoeden, bleek uit onderzoek wat we jaren geleden bij Createch hebben gedaan, dat alleen de buitenstaander in staat was met buiten de bekende kaders te treden. Alleen wanneer je je niet bewust bent van je belemmerende overtuigingen, kan je over de belemmering heen stappen. Creatieve, nieuwe ideeën blijken te komen in een situatie van rust en ontspanning, die de werking van toeval bespoedigt. Mijn voorkeur gaat uit naar het inviteren van echte buitenstaanders. Alleen zij kennen creatief gedrag. De ander representeert het nieuwe.

Tenslotte, Drucker vond dat het onverwachtte de meest bepalende factor is voor innovatie. Ik vraag me af, in hoeverre het brein bedoeld is om tot creativiteit te komen. Een beetje zoals Freek de Jonge in zijn jonge jaren: “niet zo bedoeld, maar mooi meegenomen”.

Besluitvormingssituaties

Op pagina 135 gebruik ik de kaart van werkelijkheidsopvattingen voor het inventariseren van besluitvormingssituaties. De twee assen zijn:
– onzekerheid in doelstellingen laag of hoog
– onzekerheid in oorzaak & gevolg laag of hoog

In het gemakkelijkste geval – beide laag – kunnen we een besluit berekenen. Dit heet ook beslissen. Denk daarbij aan Multi-Criteria Analyse, oorzaak-gevolg analyse, keuzematrixen etc. In het moeilijkste, complexe geval – beide hoog – kunne we alleen door inspiratie een besluit nemen. Vergeet hierbij ook niet het gooien met een dobbelsteen, muntje of het lezen van de as van een verbrand hertgewei. Laat het lot beslissen, op die manier heeft in ieder geval niemand schuld – of erger, succes – bij een bepaalde oplossing. Succes is de snelste manier om je verliezen te laten oplopen en problemen te komen (p 267).

Mensen zijn probleemoplossende wezens en hebben de neiging onzekerheid te reduceren. Daaruit hebben we de neiging om problemen rationeel te benaderen. Zelfs een compromis – doelstellingen verschillend; oorzaak-gevolg laag – staat in een slecht daglicht. In veel gevallen hebben mensen een oplossing voor ogen en ontstaan er problemen bij de invoering. De oplossing wordt dan het probleem, een implementatieprobleem. Dit op zich is een indicator voor een complexer, achterliggend probleem.

Hoe herkennen we de situatie? Hierbij criteria:

  • Tijdschaal te bereiken doel: hoe korter (dagen, weken), hoe zekerder; hoe langer (jaren, eeuwen) hoe onzekerder. Maanden bezet de tussen positie
  • Aantal betrokkenen: hoe minder (5 – 225 (5*5*5)), hoe zekerder; hoe meer (meer dan 5000), hoe onzekerder. Tussen de 200 en 5000 hebben we een soort tussen positie
  • Wetmatigheid: hoe regelmatiger de patronen (wat omhoog gaat, komt weer omlaag; sterke verbanden), hoe zekerder; hoe onregelmatiger de patronen (verstoringen, mutaties, toeval, zwakke verbanden), hoe onzekerder
  • Gewoonte: mensen zijn gewoonte dieren. Hoe minder verandering van gewoontes, hoe voorspelbaarder.
  • Vaker geprobeerd: wat is er al gedaan om de situatie op te lossen? Hoe meer pogingen er gestrand zijn, hoe complexer de besluitvormingssituatie.
  • Tijdens de start van de implementatie van een JIT/Total Quality project maakte ik kennis met een aantal betrokkenen. Eén iemand nam me terzijde en vroeg: “Kom je hier Total Quality Management (TQM) invoeren?”. “Ja”. “Ik kan je de graven van je voorgangers laten zien”, was het antwoord

  • Veerkracht, buigzaamheid of resilience: hoe veerkrachtiger, hoe beter in staat om tegenslagen op te vangen. Denk aan de beschikbaarheid van hulpbronnen, sterkte van het netwerk, geoefendheid, back-up, redundantie etc. Ik verwacht dat dit begrip in de toekomst steeds belangrijker gaat worden.