Archive for meaning

Facilitators voegen waarde toe

“Facilitators kosten gewoon te veel”
Als ik een taal spreek, is het Watzlwickiaans – pragmatisch. De meeting industrie gaat over geld verdienen. Iemand die iets anders beweert, is dom, verkeerd ingelicht of begrijpt heel goed hoe het werkt.

Facilitators inhuren lijkt niet noodzakelijk en gaat dus ten koste van de winst. Dat het niet noodzakelijk lijkt, komt door het vrijwel universele gebruik van een metafoor over communicatie die gemakkelijk werkt, maar te eenvoudig en eenzijdig is: de “conduit metaphor” ofwel de “leidingsmetafoor”. Deze metafoor valt samen met het fenomeen van leiding geven als mensen vertellen wat te doen. Communicatie is een vorm van zenden, in deze metafoor. Facilitator hanteren niet alleen een andere taal (klik op deze link voor meer onderzoek). Faciliteren gebruikt impliciet een andere metafoor voor communiceren: de “gereedschapsmakersmetafoor“. In deze metafoor – kader of frame – bestaat communiceren uit conversaties, appriciative inquiry, dialoog en “stilte”. Leiding geven houdt dan in het overgeven van de leiding en het beheren van het kanaal. En dat gereedschap bestaat zowel uit taal (inclusief beeldtaal) als uit houding, toon en lichaamstaal. Maar eerst gaan we naar Helsinki.

Het “Helsinki principe” in Helsinki
Ik ben naar Helsinki gegaan, om op een wetenschappelijk congres de inleiders te begeleiden in workshops in plaats van presentaties. De feedback is bijzonder positief, door inleiders, chairs en deelnemers. Toch zullen we niet opnieuw uitgenodigd worden. Te duur. Ik herken het dilemma van onze klant. Hoe kan ik de noodzaak om geld uit te geven aan een facilitator verantwoorden? Er waren 2 technici aanwezig en zeker 3 “stand by”, en 4 hostesses bij een meeting die ik faciliteerde. En ik erbij is te duur. Ondanks dat zowel de presentatoren als de deelnemers zeer tevreden waren over mijn ondersteuning. Wat maakt, dat het investeren in huur van ruimte, meubilair, licht, geluid en technici wel verantwoord kan worden en begeleiding door facilitators van sprekers en deelnemers niet? Waarom menen we, dat we kennis kunnen overdragen door te zenden, te presenteren?

Dat komt door een impliciete aanname over waar betekenis huist. We zijn getraind – ik niet, ik heb die les gemist -, in het idee, dat betekenis in woorden (of beelden) zit. We verwarren het middel (medium) met het doel (message). Het betekent, dat betekenissen volgen uit relaties. We gebruiken niet voor niets het woord kennis voor kennis en kennissen.

We hanteren een impliciete aanname of afspraak dat de betekenis van wat we zeggen in de woorden en beelden zit die we zenden / ontvangen. De betekenis zoals die begrepen wordt, is de betekenis als bedoeld door de zender. Dit impliciete principe heet in de ICT – ik verzin het niet – Het Helsinki Principe: de betekenis van een boodschap volgt uit het correct gebruiken van de juiste taal, uit grammaticale en semantische regels. Een boodschap heeft maar één betekenis. Wanneer die niet begrepen wordt, komt dat door “ruis” in het kanaal, zie het plaatje verderop.

Het gaat er dan in communicatie om, om de ruis te verminderen, door het geluid te versterken, de zaal goed in te richten of van beelden te voorzien. Dat maakt tevens de ontvanger lui en dom. De zender moet het maar beter uitleggen en wanneer hij of zij het zelfs na 10 keer uitleggen niet begrijpt, laat maar. Het verklaart, waarom er maar zo weinig mensen reageren op conferenties: alleen zij, die het al begrijpen. Het verklaart waarom politici zenden, verzenden en herzenden.

Veel opdrachtgevers menen impliciet, dat facilitators de ruis van hun boodschap zullen verminderen en daarmee de weerstand. Ik hoor dan formuleringen als: “de boodschap verduidelijken” (alsof de duiding in de boodschap zit), “de neuzen dezelfde richting op” (kenmerkend voor het stromen door een kanaal) of “het verminderen van weerstand …” (een vorm van “ruis”). Dat leidt overigens ook tot een gevoel van onbekwaamheid bij de opdrachtgever, wat we tijdens de intake dienen te bespreken – maar dat is een ander verhaal.

Dit principe volgt uit het vrijwel universeel hanteren van de “conduit metaphor” of wel de “leidingsmetafoor” als metafoor voor het proces van communiceren. Ik noem het ook wel reïficeren, het tot een ding maken van een proces. Zoals we communiceren, vertrouwen, organiseren (en) vertalen in communicatie, het vertrouwen, de organisatie en vertaling.

De aannames zijn:

  • Concepten, gedachten, gevoelens en betekenissen zijn als objecten, dingen.
  • Woorden en zinnen zijn containers, die betekenis bevatten
  • Communiceren bestaat uit zenden en ontvangen van containers
  • Communicatie (let op het zelfstandig naamwoord) is ook een ding

Pragmatisch betekent relaties
Watzlawickiaans gaat uit van de pragmatische aspecten van menselijke communicatie: betekenis volgt uit relaties in conversatie. Dat houdt in, dat betekenis volgt uit gedrag en niet uit woorden of beelden. We gebruiken ze wel voor de overdracht, maar alleen in overdrachtelijke zin. “Metafoor” betekent ook niet voor niets letterlijk “over-dragen“. Meta betekent over en foor komt van *bher-, de stam van dragen, in het Engels, to bear. Alle gedrag (! let op dat woord) draagt over, is communicatie en alle communicatie is gedrag. Alles – ook elk woord – kan dubbelzinnig dubbelzinnig gebruikt worden.

Betekenis zit in jou, jij betekent! Betekenis huist in mensen, in onze hoofden en lichamen. Betekenis noemen we daarom “embodied“. Het hebben van betekenis, werkt anders dan het hebben van een auto. Je auto kan je uitlenen, de betekenis van je auto niet. Daarom hebben we een auto ook als een statussymbool, de betekenis van de auto, voor jou. Woorden kunnen we geven, betekenissen niet. Die betekenis volgt uit de relaties, zoals de status van de auto volgt uit onze onderlinge relaties. Ik rij zelf Peugeot, dus dan weet je het wel.

Uit onderzoek (van Michael Reddy – inMetaphor and Thought – Ortony, A. (ed)), blijkt, dat we meer en meer van de “leidingsmetafoor” gebruik maken – meer dan 70% van de communicatie in de jaren ’90 – en steeds minder van de “toolmaker metaphor” – zie plaatje. Een gevolg van het gebruiken van techniek, machines en computers.

De “gereedschapsmakersmetafoor”, gaat uit van het samenstellen van een boodschap uit de beschikbare materialen en deze overbrengen aan een ander. Dat materiaal kan van alles zijn: woorden, natuurlijk, maar ook beelden, intenties, opvattingen. Alles is materiaal. Je kan het vergelijken met twee kinderen, die in een zandbak zitten en zandvormpjes uitwisselen en versieren. De ontvanger vergelijkt het aangebodene met de daar beschikbare materialen. Uit de conversaties (letterlijk, “omzetten”) leiden we inzicht, betekenis, kennis af.

De leidingsmetafoor is efficiënt, meetbaar, effectief in eenvoudige situaties, schaalbaar en zo algemeen, dat we bijna niet meer weten, dat het ook anders kan. Bovendien heeft ze als voordeel, dat de beheersing bij de zender blijft. Deze “klassieke” benadering wordt dan opgedrongen aan de “innovatieve” benadering. “Waarom kan faciliteren niet meer zijn zoals “zenden en ontvangen”?“, zo vraagt men zich af, vanuit het perspectief van de leidingsmetafoor. Ik denk dan aan het verschil tussen een ambachtelijk product en een fabrieksproduct. Misschien zit daar een aanknopingspunt: faciliteren levert een ambachtelijk product – kunst – en geen industrieel te reproduceren kitsch.

Wat zijn de kosten van falen?
De meeting industrie, denk ik dan, verwart de boodschap van interactie – daar ben ik het mee eens – met het overbrengen door te zenden – dat tracht ik te vermijden. Je kan het zien, in deelnemers die zich tijdens presentaties geheel anders gedragen, dan tijdens de pauzes. En dat dat verschil niet besproken wordt, maakt het geheel zelfsluitend. De leidingsmetafoor leidt noodzakelijkerwijs tot een “double bind“. Deelnemers van de gefaciliteerde sessies zijn (doorgaans) buitengewoon tevreden; de klant, in de vorm van de ondersteunde mens, ook. De opdrachtgever twijfelt, was het de prijs waard? Blijven we wel binnen budget?

De “leidingsmetafoor” werkt, werkt goed. Maar dan ook uitsluitend in bekende situaties. Op onbekend terrein – ik denk dan aan innovatie, vluchtelingenproblematiek, financiële crisis, politiek, “genderissues”, veiligheid en ga zo door -, werkt de metafoor eerder tegen ons, dan met ons. De leidingsmetafoor werkt naar bekende oplossingen voor bekende problemen. We kijken dan alleen naar de kosten voor het behalen van een bekend resultaat, zoals we een voorwerp kopen aan een kraampje. De “leidingsmetafoor” is door haar aard fragiel. Kleine, bekende verstoringen kan ze aan. Maar kleine verstoringen die tot resonanties leiden of tot een hyperkritische situatie, kan ze niet aan. Eén vergissing kan alle besparingen bereikt door de “leidingsmetafoor” te niet doen. En meer dan dat. Dat komt overigens niet door de metafoor zelf natuurlijker, maar door de gebruiker, door ons gebruik van deze gebruikelijke metafoor.

Faciliteren gebruikt noodzakelijkerwijs de “toolmaker metaphor”: het gaat om relaties, interacties, ontdekken en uitvinden, fouten maken en leren. Facilitator werken als gereedschapsmakers. Facilitators verzamelen tools, methoden en technieken. Maar daar gaat het ons niet om. Het gaat om het toepassen. Faciliteren leert van fouten en is daardoor antifragiel. Faciliteren werkt versterkend. Aan een van mijn leraren – Louis de Swaaf – vroeg ik: “welk doel heeft de facilitator?”. “Het sterker maken van de klant”, was zijn onmiddellijke antwoord. Je investeert in mensen, in elkaar, door het laten faciliteren van een bijeenkomst

In de toekomstige wereld, kan u, de inleider, voorzitter of presentator uw eigen proces faciliteren. Het koste zoveel tijd en moeite om een expert op te leiden, dat we geen tijd en geld konden besteden aan het leren overdragen van zijn of haar expertise. We doen alsof de expertise verworven is door middel van de leidingsmetafoor. Het heet “opleiding”. Voor faciliteren bestaat geen opleiding. Iedereen leert het in de praktijk. We leren experts te faciliteren in hun praktijk. [reclameblokje voor Kunstmest XP; Faciliteren voor eXPerts]. Tot het zover, zullen we moeten investeren in het faciliteren van bijeenkomsten. Of anders veel geld efficiënt weggooien aan ineffectieve bijeenkomsten, kennisoverdracht en technische oplossingen. Penny wise, pound foolish.

Investeren in kennissen
Faciliteren biedt geen kant-en-klare formules. We werken met recepten in plaats van voorschriften, we improviseren op basis van ons programma. Faciliteren houdt ook opvoeding in. Faciliteren levert meer op, naar mate de klant beter begrijpt, dat hij of zij het belangrijkste ingrediënt vormt. Faciliteren betekent het maken van verbindingen, relaties, netwerken. Faciliteren voegt waarde toe door te investeren in kennis in relaties, in kennissen.

Het proces en de paradoxen van expressie

De cruciale paradox voor faciliteren van veranderingen, is de (deel/deel) paradox van expressie. Dit is het vermogen om je als deel van een groep uit te drukken, tegen of met de druk van een groep. De hiermee gerelateerde (heel/heel) paradox, is de paradox van vermogen (Engels “power“). Als illustratie kan het proces van over de uitspraken van Wilders dienen. Let op: vermijd het persoonlijk nemen van een uitspraak! En proces heeft nog een andere betekenis: de manier waarop iets zich ontwikkelt, de voortgang. Deze aspecten ga ik hier belichten.

Er bestaan spanningen in onze maatschappij. De spanningen worden veroorzaakt door verschillen. Die spanningen lopen op. Soms verdwijnen ze weer, als sneeuw voor de zon. Of ze lopen op, tot ze vast lopen. De situatie wordt hyperkritisch, een situatie waarin een kleine aanleiding zorgt voor een groot effect. Een lawine, aardbeving, een revolutie, een schisma of opstand. Dat gebeurt met een bepaalde cyclustijd. De spanningen hangen samen met paradoxen, schijnbare tegenstellingen. De tegenstellingen die aanleiding geven tot de spanningen en die zelf weer andere spanningen en tegenstellingen oproepen.

Doe een uitspraak over een uitspraak
Ook het Wilders proces vormt zich uit een paradox en schept nieuwe paradoxen. Welke paradoxen? De paradox van Expressie (gezien vanuit het perspectief van binnen een groep) en Macht (perspectief tussen groepen). Deze Paradoxen bestaan uit de paradoxen van Autoriteit, Afhankelijkheid, Creativiteit, Moed. Er treedt bij het proces tegen Wilders een aardige dubbeling op: “de vrijheid van meningsuiting” ofwel expressie, is zelf deel van de situatie. De uiting “vrijheid van meningsuiting” is ook een uiting.

Stagnatie of escalatie
Onderdrukken van uitspraken is normaal, de regel. Het begint er al mee, dat je zelf niet alles kunt of wilt zeggen. Met name (sic) dingen over jezelf, gevoelens, zaken, die je niet wilt erkennen. Vanuit het perspectief van Transactionele Analyse, is dit de “ouderpositie”. Archetypisch, is hier “Vader” aan het woord. Vandaar dat er in autoritaire staten zelfs niet gesproken mag worden, zelfs niet over de vrijheid van meningsuiting. Of dat sommige uitspraken, bijvoorbeeld over een heilig boek, niet gedaan mogen worden. Deze dienen met macht onderdrukt te worden. In meer democratische staten, komt steeds de vraag op, waar de grenzen van “de vrijheid van meningsuiting” liggen. In het eerste geval, treedt stagnatie op; in het tweede geval escalatie. Uitspraken van de voorzitter van de PVV geven aanleiding tot escalatie, die geëscaleerd worden naar de rechtbank. (Gisteren, 6 februari, nog een mooi voorbeeld van D’66 versus PVV).

Minder, minder minder uitspraken….
Het proces van (of is het tegen, over?) de voorzitter van de PVV gaat na verloop van tijd niet meer over die uitspraak, maar ook over uitspraken over die uitspraak, over uitspraken van uitspraken (merk op: een vonnis heet ook een uitspraak) en er is sprake van uitspraken over uitspraken over uitspraken over … . En sommigen noemen het ook weer een gevolg van “de media”. Een duidelijke verwisseling van doel (uitspraak) met middel (medium). Niet verwonderlijk, want “the medium is the message“. Hier zien we in de praktijk, hoe een paradox leidt tot een vicieuze cirkel. Of omgekeerd, dat een eindeloze regressie een zeker teken van een paradox is.

We kunnen de aspecten van de paradox van expressie / macht herkennen:

Salomon’s (anti)autoriteit
Wie is hier de autoriteit? Dat kan zijn de heer Wilders, een rechter, het volk, de ingezondenbrievenschrijver, de krant, de deskundige. Maar het kan ook zijn “de politiek”, “het wetboek van strafrecht”, “het vonnis”, en natuurlijk die uitspraak zelf. Juist het feit, dat de uitspraak vanuit een autoriteit is gedaan was, maakt het tot de vonk die het vuur laat ontbranden. Hier is de uitspraak “hoe krijgen we de geest weer in de fles” op van toepassing. Het proces van autoriseren gaat ongeveer als volgt: om als autoriteit door de volgers (h)erkent te worden, dienen er met autoriteit uitspraken gedaan te worden. Een leider kan niet bestaan zonder volgers. Een groep kan niet bestaan zonder andere groepen. Een paradox uit de uitspraak “minder, minder, minder …” is dat de leider de “anderen” nodig heeft om zich zelf te promoten. Vandaar de neiging, om te escaleren naar buiten het territorium – de anderen die zullen komen. Een bijkomend voordeel voor een autoriteit van een rechtszaak, is dat het de autoriteit bevordert. Een optie voor een rechtbank, zou een paradoxaal Salomonsoordeel kunnen zijn: de uitspraak is niet letterlijk bedoeld, maar bij wijze van spreken.

De menselijke stem: (on)afhankelijkheid
we zijn afhankelijk van elkaar. Om onafhankelijk te zijn, zullen we eerst onze afhankelijkheden moeten erkennen. De politiek is afhankelijk van tegenstemmers, nee-stemmers, onafhankelijk van welke partij je aanhangt. Media zijn voor hun inkomsten en oplage afhankelijk van uitspraken, uitspraken van politici. Ze leven van voor- en tegenstanders. Politici zijn afhankelijk van kiezers, de stem van de kiezer. (Merk op, dat “stem” een letterlijk verwoording is van de paradox van expressie). De paradox komt tot uiting in de uitspraak: “having a say differs from having a vote“. Stemmen krijg je van standpunten, standpunten die niet alleen duidelijk zijn, maar ook tot acties en resultaten leiden. We zijn afhankelijk van zogenaamd onafhankelijke rechters. Rechters kunnen niet onafhankelijk zijn, omdat ze afhankelijk zijn van wetten, regels en uitspraken. Ze zijn mensen. Wat belangrijk is, is dat ze een autonome positie kunnen blijven innemen. Vandaar dat autoritaire staten geen autonomen rechters kunnen accepteren.

Lachen: (destruc)(crea)tiviteit
Creativiteit houdt ook in omgaan met destructie. Iedere autoriteit, zal een betere toekomst beloven aan de volgers, op voorwaarde, dat je hem of haar volgt. En dat je je eigen ideeën vernietigt. Het is zelfs ongewenst, wanneer volgers met nieuwe ideeën komen, omdat ze de macht van de leiding ondergraven. Het is noodzakelijk voor de autoriteit, om zich de ideeën van anderen toe te eigenen. En andere geluiden het zwijgen op te leggen. Het zelfstandig kunnen denken en een oordeel vormen is de vijand van de macht. Creativiteit, als expressie van individualiteit, dient onderdrukt te worden. Vandaar bijvoorbeeld kledingvoorschriften. Vandaar, dat er zoveel fotomontages gemaakt worden – erg creatief. De oplossing voor een paradox, zit in de humor, de ontspannende lach.

Moed moet
Het vergt moed, om tegen een groep in te gaan. Het vergt geen moed, om voor een groep te verkondigen, wat een groep al “meent”. Voorop lopen met steun van anderen, is wat anders dan vooroplopen en kwetsbaar zijn. De confrontatie zoeken, is makkelijker, dan onderzoek doen. Het vraagt moed om uit te vinden, waar een groep werkelijk behoefte aan heeft. Door een deelbelang op de voorgrond te zetten, hoef je het algemeen belang niet te dienen. De paradox van moed, houdt in, dat je doorgaat, ondanks je angst. Dat je een ander in de ogen kijkt.


Aanwijzingen voor facilitators

De belangrijkste aanwijzing is om altijd op hetzelfde niveau te zijn als de ander en te bewegen naar de “Ouder-positie”. Gebruik je autoriteit om te delen, je afhankelijkheid om gezichtspunten van anderen te zien en je creativiteit om veiligheid te bieden. Met moed, kan je de ander in de ogen kijken en ze zien. Laat zien, dat je ze ziet. Ga zitten met de anderen, wanneer de anderen zitten. Laat anderen staan, wanneer je staat. Gebruik je moed, om te zeggen waar je behoefte aan hebt, wanneer je iets niet weet. Herinner je, dat je een ander niet kunt veranderen. Leer de ander om zelf de autoriteit te nemen, over de eigen situatie. Toon je verantwoordelijkheid.

Je kan een paradoxale situatie niet oplossen door een actie, noch door een reactie, alleen door interactie. Door de polariteiten te verenigen, te dulden, kan je ruimte en tijd scheppen voor een manifestatie van mogelijke wegen. Vertrouw op de keuze van de groep, zeker wanneer je merkt dat ze begrijpen “wat het probleem is”. Het verkeerde antwoord op het goede probleem, is te prefereren boven een nieuw antwoord op het oude probleem. Een paradoxale situatie kan alleen zich zelf “oplossen”.

Drie regels voor productieve bijeenkomsten

Active participationTaal maakt de mens, zoals mensen taal maken. Onze taal is van oorsprong een “command-and-control“-taal. “Pas op!”, “Doe dat!”, “Hoe gaat het?”. Communicatie bestaat dan uit éénrichtingsverkeer.

In principe verstaan we een boodschap, zoals deze door de zender is bedoeld. Dit heet ook wel het Helsinki-principe, naar een afspraak op een conferentie over computers in de jaren ’50 in Helsinki. Generaliserend vormt het nog steeds de basis van onze bijeenkomsten en conferenties. Na de presentaties weten de deelnemers waar het over gaat. Eenrichtingverkeer.

Is het niet duidelijk? Dan moet het duidelijker gebracht worden. De spreker beter leren presenteren. Of neem een groter scherm, een illustratie of een (teken)filmpje. Niet verkeerd, maar het gaat voorbij aan een elementair principe: communiceren bestaat uit informatie delen. Minder mededelen, meer medeleden.

In bijgaand artikel geeft Dr Ravn duidelijk aan waarom en hoe we informatie daadwerkelijk moeten delen om tot resultaten te komen.

In bijeenkomsten moeten
(1) mensen autonoom (zelfstandig) informatie uit presentatie verwerken door
(2) betrokken (in kleine groepen) hun kennis te delen
(3) gericht op door hen bereikbare resultaten.

Meetings must transform (1) information delivered in presentations, through (2) knowledge sharing into (3) action that creates results.

Professionals moeten leren bijeenkomsten te faciliteren. Begrepen?

from_one-way_communication_to_active_involvement_0, White paper published by by Ib Ravn, Ph.D., Associate Professor, Aarhus University, 2015

Als je begrijpt wat ik bedoel

haas eendEen Jung werkgroeplid stuurde me een mail:

Eend en Haas
“Je kent het plaatje in de bijlage ongetwijfeld. Is het een haas, of is het een eend?

Stel je voor, dat twee mensen aan het tekenen zijn. Zij maken hun tekeningen op grond van een aanwijzingen door een derde en het voeren van een gesprek met elkaar, inclusief de derde. Het object dat getekend wordt vormt zich aldus: het is niet concreet van te voren gegeven. En ze hebben geen zicht op elkaars werk. Het resultaat is dat de een een haas en de ander een eend heeft getekend. Uiteraard zijn beide tekenaars zeer verwonderd elkaars werk tenslotte te zien.

In het dagelijkse samenwerken doet zich dit waarschijnlijk doorlopend voor, zonder dat dit ooit duidelijk wordt noch problemen veroorzaakt. Tenzij er uit de uitkomsten juist wel problemen ontstaan. Naarmate de belangen groter zijn en ieder op zijn manier zich enorm heeft ingespannen zal zich dat ook in emotie en drama vertalen. De boel slaat los, er is geen contact en ook geen wederkerigheid meer. Het tendeert naar (symbolische) oorlogsvoering. Nadat de escalatie is uitgewoed en ieder zichzelf wat hersteld ontstaat pas weer de ruimte om naar elkaar te kijken. De schade is groot maar nog beroerder is het dat pas dan het inzicht in elkaars goede intenties naar voren komt. Dat besef maakt duidelijk dat het allemaal heel anders had gekund. Maar dat is achteraf. Niet bekend is wat hier nu eigenlijk in het spel is geweest.

Herken je wat ik bedoel?”

Möbius Ik herken je voorbeeld; ik vermoed dat een en ander speelt in elke situatie. Net zoals je niet begrijpt wat ik bedoel met het volgende:

Paaps en Turks
het is – zoals de tekening – een paradox. De “oplossing” wordt ook wel het Helsinki-principe genoemd. Bij een vroege conferentie over automatisering in Helsinki, is afgesproken dat betekenis van een boodschap, verzonden door een zender, bij de ontvanger voor 100% de betekenis is, als bedoeld door de zender. In alle andere gevallen bestaat er nl onzekerheid over de “echte” betekenis.Dit principe wordt door vrijwel iedereen impliciet gehanteerd. Belangrijke uitzonderingen zijn cabaretiers, het is immers de basis van een goede grap. Als voorbeeld kan je de huidige controverse over Erdogan in de Duits-Turkse verhouding gebruiken.”

Vanaf hier begrijp je me weer 🙂

Verzoek en opdracht?
Dit houdt in, dat iedere boodschap een meta-boodschap bevat die in een proefschrift van ene Pieter Wisse genoemd wordt Every sign is a request for compliance . In jouw mail maak je dat expliciet, maar het zit verscholen in elk (mail) bericht en verklaart de explosieve groei van berichtuitwisseling. (Wat ik interessant vond in mijn contact met Pieter Wisse, is dat hij zelf niet de (paradoxale) implicaties hiervan begreep, en een “taal” heeft ontwikkeld om dit “op te lossen”.) In het kader van je vraag, is dit “request” natuurlijk een (impliciete) “opdracht”.

Ik en ander
In iedere boodschap hanteren we naast de expliciete structuur van een zin, een impliciete grammatica. Deze impliciete grammatica maakt gebruik van een netwerk van opvattingen en aannames, die we “cultuur”, “wereldbeeld” of “werkelijkheidsopvatting” kunnen noemen. Dat laatste woord past het best, omdat het gaat over “wat werkt”. Dit zijn de pragmatische aspecten van menselijke communicatie. In communiceren dienen we steeds rekening te houden met “de ander”, opdat onze boodschap overkomt. Paradoxaal genoeg, kan het zijn, dat wanneer we juist het tegendeel zeggen van wat we willen beweren, de boodschap – in termen van betekenis – beter overkomt. Kort gezegd, wanneer iemand ander het niet met ons eens is – of zelfs boos wordt – heeft zij of hij de boodschap beter begrepen, dan na een kort instemmend “hmm”.

Ik en zelf
Verder heeft het Helsinki-principe nog een ander “aspect”: het veronderstelt, dat de zender de eigen boodschap begrijpt. Ik zelf zeg altijd, dat ik pas weet wat ik denk, wanneer ik mezelf hoor praten. Met andere woorden, er is een feed-back loop waarin ik ook op mijzelf het Helsinki-principe toepas. Verder zal de ontvanger begrijpen dat dit het geval is, of doet alsof dat niet het geval is. “Als je begrijpt wat ik bedoel” (overigens een mooie naam voor deze paradox).

Escalatie en stagnatie
In je vraag beschrijf je de paradox en haar “oplossing”: elke communicatie “veroorzaakt” escalatie (symmetrische situatie noemt Bateson dit) en stagnatie (complementaire situatie). “Veroorzaakt” tussen “”, omdat het niet de communicatie is, die dit veroorzaakt, maar de paradoxen van Expressie. Alleen in de beweging van de ene situatie naar de andere – wat jij “in-between” noemt en wat Hannah Ahrendt aanduidt met de “inter-esse“, het “tussen-zijn” – vindt betekenis overdracht plaats. (Merk op, dat ik hier de betekenis tussen – – zet). Dit fenomeen wordt wel “coupling” genoemd.

Wat het zo lastig maakt om dit te begrijpen, is deze “coupling” een proces is. Dit proces vindt plaats in het tweedimensionale (ofwel “complexe”) vlak, waarbij wij, door de aard van onze materiële existentie, alleen zichtbaar toegang hebben tot de reële as. De andere – de “irrationele” of beter “laterale” as – ervaren we wel, maar ze manifesteert zich niet concreet. We kunnen haar alleen in de realiteit representeren, door een tekening. Stel je een spiraalbeweging voor, waarvan je alleen de afbeelding in het platte vlak of een doorsnede ervaart. Dit is een cirkel. Ontbindt de cirkel in twee assen en je hebt een kruis in een cirkel. “Als je begrijpt wat ik bedoel”

Begrip en onbegrip
Een (waargebeurde) anekdote: tijdens een van de uitvoeringen van onze Leergang Kunstmest, zie op de derde dag Carolien – een van de meest intelligente vrouwen die ik ken – tegen me:
“Jan, ik begrijp niets van wat je bedoelt met je uitleg (over mijn boek)”.
Waarop ik haar bij de bovenarm “begreep” en zie: “ik begrijp je Carolien”.
“Nee”, zei ze, “ik begrijp je echt niet”.
Ik begreep haar weer en herhaalde “ik begrijp je Carolien”. Ze zei het nog een derde keer en ik herhaalde mijzelf opnieuw.
Een paar uur later bleek – uit haar gedrag – dat ze me volkomen begrepen had.

Paradox
appel peer paradoxWellicht ten overvloede: paradox vormt de grond voor betekenis. Betekenis vat ik op als een emergente eigenschap van wisselwerken. Je kan wisselwerking opvatten als gebruiken van spanning uit de complementaire tegenstellingen Vergelijk “appel” en “peer”. Een “peer” is geen “appel” en “appel” is niet “geen appel”. Een peer is ook niet “geen appel” en niet “geen peer”. Maar iets wat niet “geen peer” is, is nog geen “appel”. In onze pogingen om te begrijpen, gebruiken we de verschillen en scheppen we daarmee (vandaar “eigenschap”) de gewaarwording die we als “betekenis” ervaren. Betekenis is dus niet alleen contextueel, ze is ook subjectief en “imaginair”. De reële kant daarvan is het voorwerp – laten we zeggen “de appel” – de appel die we zien. De laterale of imaginaire kant vormt zich tot het symbool, betekenissen van “appel”. En dat kan van alles zijn, daarom gebruik ik ook bewust “appel”. (Merk op, dat je een appel kunt verschillen :-)). De “echte” betekenis van de appel, zit in het opeten. Maar dan houden we alleen een klokkenhuis over.

In de paradoxale tegenstelling is altijd sprake van een, of ander (=twee), een en ander en noch een noch ander. In communicatie is altijd sprake van begrip, of onbegrip, begrip en onbegrip en noch begrip, noch onbegrip. Merk overigens op, dat dit onafhankelijk van het bestaan van (gesproken) taal is.

Waar staat faciliteren voor?

Onbegrijpelijk 306x203Henri kaart op LinkedIn in de groep Platform Faciliteren, de vraag aan “what’s in a name?“. Wat, als faciliteren niet duidelijk is, is wel een duidelijke naam. Ook binnen de IAF-World komt dit punt steeds op.

Naamgeving komt voort uit spanningen, de paradoxen van behoren. Ik noem dat ook wel de Groucho Marx paradox (waarop Woody Allen weer preludeert in Annie Hall):

“I don’t want to belong to any club that will accept people like me as a member.”

1. identiteit: vind ik me wel of niet behoren tot de groep?
2. inzet: wat moet ik geven om te kunnen nemen?
3. individualiteit: in hoeverre kan ik mijn afhankelijkheid, mijn zwakte tonen in deze sterke, onafhankelijke groep?
4. en grenzen: waar ben ik nog deel van de groep en waar maak ik dan deel van uit?

Het gaat, wat mij betreft over verdelen, het maken van onderscheid. Zoals bij elke paradox: er is geen oplossing voor. De spanning is noodzakelijk om tot inzicht te komen. Wanneer je iets als “niet vanzelfsprekend” aanneemt, lijkt me dat een leerpunt. In onze leergang is het zelfs een uitgangspunt: “momenten van spanning gebruiken we voor inzicht”. Ik zou me in eerste instantie afvragen: “wat wil iemand zeggen, wanneer een naam “niets is”, of wanneer je “niets vindt” van een naam?”. Ik zelf zou vermoeden, dat het een angst voor het verlies aan controle, beheersing is. De naam lijkt het mogelijk te maken het fenomeen te “begrijpen”. Zie ook de eerste paragraaf van Hoofdstuk 0.

De naam, even letterlijk, is een teken en wanneer je het teken beheerst, beheers je waarover gesproken wordt (daarom hebben we drie namen, even uit mijn hoofd, de naam waarmee we genoemd worden, de naam waarmee we bekend zijn voor onze dierbaren (vaak een “bijnaam”) en onze geheime naam, die alleen ik en mijn god kent).

Erik Kijne geeft aan dat het gaat om een erkend beroep, ons beroep. Dat herinnert me aan de titel van een boek over faciliteren ( 🙂 ).

Op basis van het volgende gedicht (Neeltje Maria Min), zou ik willen voorstellen: Vergeet-me-niet

Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Het symbool staat er vóór

facilitereninhethierennu7Een naam is een symbool, een teken. De naam staat ergens voor. In een conversatie binnen mijn Jungwerkgroep, die ging over symbolen en het gebruik ervan, nam ik dat letterlijk: een symbool staat ergens voor en “ontneemt” daardoor als het ware het zicht op waar het “vóór” staat. We (moeten) doen alsof “waar het symbool voor staat”, is waar het voor staat; met ander woorden, het symbool is hetgeen waar we het over hebben. Maar het symbool is niet waar het voor staat. Een beetje zoals

“Lees maar wat er staat, er staat niet wat er staat”

(Nijhoff, overigens waarschijnlijk naar aanleiding van een bordje met (Rijks)waterstaat).

Vandaar, denk ik, dat het eigenlijk voor ieder (gecompliceerd) symbool eigenlijk “onduidelijk” is, waar het voor staat. De (dis-)ambiguïteit maakt deel uit van het proces van communiceren. Werken met deze dubbelzinnigheden, onduidelijkheden, ambiguïteiten en verwarring, is de kern van faciliteren. Betekenis, ik heb het vaker gezegd, is een emergente eigenschap van wisselwerking. Met elk teken, elk symbool wordt ook een “request for compliance” meegezonden. Dit is de titel van een proefschrift van ene Wisse (die overigens meende dat je de betekenis van iets wel eenduidig kunt vastleggen, op voorwaarde dat je de context beschrijft. Maar ja, dat zijn ook symbolen die “ergens” voor staan).

Nu staat het symbool “symbool” ook ergens voor. Het interessante is, dat dit woord uit het Grieks, staat voor “met elkaar heel maken”. Een koning brak munten, een obool, in tweeën. De ene helft gaf hij mee aan een generaal, de andere hield hij zelf. Wanneer de koning of de generaal zeker wilde maken dat een door hem gezonden bericht van hem was (“Aanvallen!” “Terugtrekken?”), gaf deze zijn helft mee aan de koerier. De ander kon dan de waarheid van het bericht verifiëren, door de andere helft, letterlijk het sym-bool, te passen aan de eigen helft. Een passend symbool.

Grenzenloos faciliteren

cropped-hoofdstuk-1-verandereninwerkelijkheid-11.jpgDit is het thema van de facilitator conferentie 2015: “Grenzenloos Faciliteren“.

Samenvatting
Grenzen bepalen ons gedrag. Grenzen en relaties horen bij elkaar, als een echt-paar. We kunnen niet zonder en we kunnen niet met grenzen. En daaruit ontstaan de fenomenen van vechten/vluchten, veiligheid, schaarste en de vraag aan een facilitator, om ons daarvan te bevrijden. Jammer dat alleen een groep zichzelf kan bevrijden. Daar liggen de grenzen van faciliteren.

Vergrenzen
Tot hier en niet verder. Daar ligt de grens. Van jongs af aan leren we waar onze grenzen liggen. En daar binnen te blijven. Een paar jaar geleden had ik deze conversatie:
“Lelie, je gaat over grenzen”.
“Dat weet ik, maar hoe kan ik weten waar de grens ligt, zonder er overheen te gaan”.
“Je bent een professional, dat hoor je te weten”.

Grenzen, begrenzen, is een paradoxaal fenomeen. Met paradoxaal bedoel ik een schijnbare tegenstelling. Begrenzen – het maken van een binnen en buiten, die aansluiten en elkaar uitsluiten -, maken paradoxen mogelijk. Onderscheid in ruimte, voor, achter en naast. Onderscheid in tijd, voor en na. Alleen het hier-en-nu is onbegrensd, want altijd. In een sociale context bepaalt de groep de grenzen. Van gezin en familie, via stam en kerk tot organisatie en natie.

Onderscheid maken is een noodzakelijke en voldoende voorwaarde voor paradoxen. Spencer Brown toont in Laws of Form zelfs aan dat niet alleen logica, maar zelfs het hele universum op dit principe gebaseerd is. Leven is paradoxaal, zoals blijkt uit Paradoxical Life. En ook bij leven vormt de grens, het celmembraan, de cruciale stap. Leven in groepen is inherent paradoxaal, immers een groep begrenst en opent. Deze paradox hoort tot de klasse “Behoren“, samen met Identiteit, Inzet en Individualiteit. (Zie “Smith en Berg, Paradoxes of Group Life“).

In het faciliteren komen we talloze grenzen tegen. Te behalen resultaten vormen een grens. De opdrachtgever schrijft im- en expliciete grenzen voor. Daarnaast begrenzen de muren en de tijd plaats en handeling. Zelfs papier heeft grenzen. We trekken een grens rond een cluster.

We kunnen niet zonder grenzen. En tegelijkertijd vraagt een opdrachtgever van een facilitator om een “doorbraak”, een oplossing, het verlost worden van een grens. In het meest neutrale geval wordt het “een innovatie” genoemd. Hoe gaan we daarmee om? Dat geen we met elkaar onderzoeken. Hier alvast een voorschot.

Oproepen en erbij horen
Het praten over een groep roept grenzen op. Of wellicht is het andersom: maken groepen door hun bestaan geluid, praten en taal. Mensen en dieren herkennen elkaar aan hun geluiden. De grens bepaalt wie erbij horen en wie niet. Let op het gebruik van “horen“. Bij mensen staat de taal zo op de voorgrond, dat wat er gezegd wordt soms belangrijker is dan wat er gedaan wordt. Maar ja, “actions speak louder then words“.

Grenzen bepalen je identiteit. Elke groepsidentiteit bepaalt een persoonlijke identiteit en deze wordt ook een groepsidentiteit. Zo ben ik een man en hoor bij de groep “mannen”, die vervolgens bepaalt hoe ik me dien te gedragen als “man”. Grappig woord, in dit verband, “bepalen“: het gebruiken van palen om iets te begrenzen. Het woord geeft het dilemma al aan: is er ruimte tussen de palen? De paradox wordt compleet, wanneer we mannen ook laten bepalen wie wel en wie geen echte mannen zijn. Of moeten we dat aan vrouwen overlaten? Wie bepaalt, betaalt. Begrenzen heeft ook een prijs.

Groepen ontstaan spontaan, uit verschillen die zoeken naar overeenkomsten. De overeenkomsten vormen de grens, de criteria, de kenmerken. Een groep biedt veiligheid – ook wel solidariteit genoemd. Laat eens zien hoe dat gaat.

Veiligheid
Ik kan niet alles alleen. Daarbij voel ik me alleen en incompleet. Ik ga bij een groep, om met elkaar meer te doen, om me minder alleen te voelen en omdat ik iets kan brengen wat de groep niet heeft. Ik heb de groep nodig en de groep heeft mij nodig. Zo biedt een groep veiligheid, geborgenheid en mogelijkheden. Toch?

Een groep organiseert zich in eerste instantie niet op basis van verschillen, maar op overeenkomsten. Mannen bij mannen, vrouwen bij kinderen, familie bij familie, achtergrond bij achtergrond, organisaties op doelstelling. Dus ik moet meedoen aan een gezamenlijk doel – niet mijn doel. En ik moet me gedragen, zoals de anderen zich gedragen. Verder is een groep groter dan ik alleen, maar daardoor wil de groep eerst iets van mij, voordat ze zal voorzien in iets wat ik nodig heb. Dat begint bij een organisatie al met “de goede vooropleiding”.

Types
Wat een en ander zo ongrijpbaar maakt, is het verschil in wat wel genoemd wordt “logische types“. Om een klasse of verzameling elementen te beschrijven, hebben we andere concepten nodig dan de concepten die we gebruiken om de elementen te beschrijven. Kort gezegd: een groep mannen is geen man. We kunnen wel bepalen wat een man is. Op basis van allerlei eigenschappen die we dan kenmerken noemen. We noemen dat een typische man. Vervolgens kunnen we mensen met gelijke kenmerken samennemen tot een groep en deze “mannen” noemen. Die doen mannen dingen, zoals voetbal kijken, bier drinken … . Dat is een typische groep mannen. Maar de kenmerken van de groep zijn niet “mannelijk” en vaak ook niet dezelfde kenmerken als die van een typische man. Iedere keer weer lopen we in discussies tegen deze grens op: hier ligt de grens van ons begrip. We zeggen dan: “ik begrijp die mannen niet”. Ik kom straks nog even terug op de begrenzende werking van taal.

Heel lang werd gedacht dat gebruiken van “logische types” dit soort problemen zou oplossen. Maak onderscheid tussen wat een man is, iemand die zijn baard scheert, en wat een klasse van mannen is, degenen die hun baard scheren. We moeten die niet over één kam scheren, zogezegd. Maar strijk en zet liepen de redeneringen vast. Totdat Gödel bewees, dat er geen oplossing voor is. Iedere grens is onhoudbaar of open. In het eerste geval, moet de grens doorbroken worden. Maar dat kan alleen met nieuwe grenzen. In het tweede geval voldoet de grens niet en moeten er nieuwe grenzen komen. Dat houdt ook in, dat we niet zonder grenzen kunnen. En dat ook grenzen hun beperkingen hebben, zogezegd.

Over en onder de grens
Om bij een groep te horen, moeten we “een grens over”. We moeten iets van onze individualiteit opgeven, een stukje identiteit inleveren en er zal van ons gevraagd worden ons in te zetten voor de groep. Vandaar de noodzaak van een paspoort om over de grens te gaan. Kijk maar: het uitschrijven er van (vroeger een laissez-passé, een laat door), het gebruik om iemand ermee te identificeren (wat niet zo is, want je gezicht bepaalt wie je bent, niet je paspoort), de vraag of iemand meer dan één paspoort mag hebben (natuurlijk) en het intrekken ervan, wanneer je “over een grens gaat”. Illegalen is dan ook het verkeerde woord voor de groep. Het zijn mensen zonder papieren, die zonder papieren een grens overschreden hebben. Ergens moet een grens liggen.

Tegelijkertijd heeft een groep nu juist dat andere nodig, om zich te ontwikkelen, om verder te komen, ja zelfs, om over haar grenzen te gaan. Wanneer ik me aanpas en niet mijn eigen stem laat horen, krijgen we wel een eenheid. Tegelijkertijd beperkt het zowel mijn mogelijkheden – ik doe niet wat ik kan – als de mogelijkheden van groep om van alle beschikbare mogelijkheden gebruik te maken. Nou heb ik daar persoonlijk niet veel last van, maar ik merk wel hoe sterk de druk is om te conformeren. We zien het terug bij het verbreken van de relatie.

De relatie met de grens
Grenzen zijn noodzakelijk om een relatie te vormen. Of eigenlijk, ze roepen elkaar op. De relatie, de verbinding, bepaalt de grens en de grenzen bepalen de relatie. Ze horen bij elkaar, zoals liefde en een huwelijk. Wanneer we trouwen, stellen we elkaar een grens. De man is dan geen echte “man” meer, onder meer gesymboliseerd door de vrijgezellennacht. Deze grens schept spanning, want relaties zijn altijd open en meervoudig. “Een huwelijk maakt je niet blind”, zei eens een goede vriendin van me. Deze spanning kan je zien als een beperking. En deze spanning kan je ook ervaren als mogelijkheden.

Relatie, verbinding of overeenkomst, en grens, scheiding of verschil, zijn twee verschillende logische types. Hieruit ontstaat het hele fenomeen van groepen, hun grenzen en problemen. Wanneer we een grens overgaan, verbreken we dan ook de relatie? Verlaten we dan ook de groep? We hebben het dan over fight/flight, vluchten of vechten. Moeten we vechten voor onze relatie, of door scheiden, vluchten? En hoe zit dat dan met een “vechtscheiding”. Dit dilemma komt dus rechtstreeks voort uit het fenomeen van (be)grenzen. Hier komt de hele groepsdynamiek vandaan, die ons steeds nieuwe grenzen en steeds andere perspectieven biedt.

Het verlaten van een groep, versterkt paradoxaal genoeg de cohesie binnen een groep. Zo zullen zowel vrouwengroepen als mannengroepen meer cohesie ervaren uit een echtscheiding. En zelfs een huwelijk zal zich gesterkt voelen door een scheiding van een ander. Tegelijkertijd benadrukt een scheiding de band. “Ik ben meer bezig met mijn ex, dan met mijn huidige partner”.

De paradox wordt wellicht duidelijker vanuit het ontstaan van een onderbreking in de grens of de patronen. Een doorbraak of innovatie is nodig, wanneer er iets ontbreekt. Er “ontbreekt” iets of iemand. Ontbreken betekent letterlijk “beginnen (=ont) te breken”. Het is dus geen ontkenning in de letterlijk zin, geen “niet” of “on”, want dan noemen we het onbreekbaar. Een ontmoeting is dus ook het begin van een “meeting” en niet de ontkenning van moeten. Het is een ont(!)kenning in de figuurlijke zin. Meer een vorm van ontwaken, bekend worden van een “opening”. Hier is een interventie nodig, die heel veel groepen lastig vinden om uit zich zelf te doen. De groep of organisatie streeft nu eenmaal naar continuïteit.

Faciliteren begrenzen
Faciliteren betekent verbinding maken. (In het woord “gemakkelijk”, het Franse “facile“, staat ook het woord maken centraal). Een verbinding verbindt gescheiden entiteiten. Verbinden gaat over grenzen. Met groepsfaciliteren doen we interventies in groepen. De facilitator stelt een vraag of onderbreekt een spreker. Hij of zij begeleidt een discussie, gesprek of dialoog door “ertussen te komen”. Soms met het brutale “mag ik u even onderbreken?”. Hier spreekt de paradox. Aan de ene kant komen we ergens tussen, stellen facilitators een grens, terwijl we aan de andere kant verbinden we. Faciliteren is een dubbelzinnig beroep. Ik bedenk het nu pas.

Facilitators maken en maken gebruik van grenzen. We richten de ruimte in, bepalen de agenda en de volgorde. We stellen vragen en interveniëren, al dan niet actief. Daarbij, zorgen we ook voor verbindingen. Door in een kring te gaan zitten, te vertragen wanneer mensen dreigen af te haken. We vragen door, vatten samen. We geven opdracht om in kleinere groepen te werken – scheiden -, ook omdat dat makkelijker praat.

Facilitators gebruiken de grenzen, ze zoeken ze op. Met de opdrachtgever, de probleemeigenaar en de deelnemers zoeken we binnen de ruimte naar de zwakke plekken in de grens. Waar gaat het eigenlijk over? Wat mag er niet gezegd worden? Hoe ziet de olifant in de kamer eruit? Dit gebeurt vaak al voor de bijeenkomst en soms na afloop. En soms niet.

We wachten op de mogelijkheid om te interveniëren, over de grenzen heen te gaan, het onbespreekbare bespreekbaar te maken en zo een doorbraak te forceren. Want, zoals prof Homan ook aangeeft in het voorwoord van Faciliteren zonder Omwegen, een facilitator breekt patronen, intervenieert. Groepen lopen altijd tegen hun grenzen aan en zijn vrijwel niet instaat hun eigen systemen en werkwijzes zelf te doorbreken. Ze kunnen wachten op oorzaken van buitenaf, of van binnenuit zoeken naar een oplossing. En er is een derde mogelijkheid: het vragen van een facilitator.

Hier doet het fenomeen zich voor, dat een facilitator niet bij de te faciliteren groep hoort. Hij of zij is een buitenstaander, soms van binnen dezelfde organisatie, soms een externe professional. Daar vraagt de situatie om (zie de check list in Faciliteren zonder Omwegen). De facilitator loodst een groep door voor haar onbekende wateren naar een oplossing. Laura ten Ham noemt dat in haar beschouwingen in onze boeken, niet voor niets “het elixer”, dat is een ander woord voor “oplossing”. Die bevrijding, de doorbraak of – heel neutraal – innovatie is tegelijkertijd iets wat de groep zelf moet doen. Een groep dient zich zelf te bevrijden.

Tegenspraak
Grenzeloos faciliteren is dus een oxymoron, twee woorden die elkaar letterlijk tegenspreken. Dat vormt ook de essentie van faciliteren: omgaan met tegenspraak. Inspraak, uitspraak, samenspraak. De grenzen scheppen de dynamiek die we nodig hebben om ons te ontwikkelen. En gelukkig houdt het ook in, dat er nooit een einde zal komen aan faciliteren. Op die manier is het toch fijn “grenzeloos faciliteren”.

Niets bestaat zonder grenzen; alles heeft grenzen, komt tot een einde. Deze letters kan je alleen lezen, omdat ze grenzen hebben. Alle gedachten zijn eindig, punt. Iedere groep of organisatie kan alleen bestaan door het trekken van grenzen, alleen (!) staan we er niet bij stil. Zelfs de oneindige liefde kan alleen als eindig ervaren worden. Tenzij je op de grens blijft, maar dat is maar weinigen gegeven. Daar ga ik het een andere keer over hebben. U bent aan het eind van dit verhaal.

PS.
Heel vaak denkt mensen dat paradoxen een gevolg van denken of taal is, of dat het een vorm van onbegrip is. Dat er een uitleg of begrip mogelijk is, waardoor een paradox verdwijnt. Die zijn er, een soort uitleg of een model; met dien verstande, dat elke uitleg weer een nieuwe paradox oproept. Paradoxen roepen elkaar op. Varela wijst er op dat iedere paradox een “emergent” fenomeen inhoudt. “Leven” en ook “taal” lijkt mij daarvan de meest in het oog springende.

Taal maakt het mogelijk om over paradoxen te spreken, maar kan ze niet oplossen. Het lijkt mij dat taal ook zo’n manier van oplossen van een paradox is, de paradoxen van Expressie of “Speaking”, zoals Smith en Berg ze noemen. Taal ontstaat uit de paradoxale spanningen, ontspant even, lijkt een opening in de grens te bieden. Sommigen menen dat we ons moeten beroepen op de letterlijke betekenis van het woord. Maar een woord in een taal die we niet begrijpen? Dan blijkt ook taal haar grenzen te hebben, zoals Wittgenstein al inzag. Taal dient noodzakelijkerwijs de illusie van begrip te behouden.

Juist omdat paradoxen samenhangen met grenzen en we ons vrijwel altijd aan één kant van een grens bevinden, lijkt het alsof er maar één kant aan de zaak zit. Wetenschap tracht paradoxen uit te bannen, maar komt niet verder dan te doen alsof er geen paradoxen meer zijn. Er bestaan ook overzichtelijke niet-talige paradoxen, zoals een aantal van de plaatjes van Escher, muziek van bijvoorbeeld Bach of de smaak van ketchup.

Live life live

Lelie constellationChanging metaphors
In “Systems Thinking World” – think about that – there was opened a discussion on Changing metaphors. Here are some of my remarks, the mark made again.

The quote from Fritjof Capra: “life and cognition are inseparable”, Spencer Brown’s observation “… the world we know is constructed – I would have said “invented itself” – to see itself”, Dewey’s “there is no distinction between the knower and the know”, … and many sources more tell us again and again the same story: “system – I prefer “cosmos” – reflects itself in myself and through my self”. You are a part of system and apart of system are You. These paradoxes show themselves in tensions, energies, forces or power.

There are some – in my view interesting – consequences:
unum ergo pluribus
1. we (you and I) are already at one with nature, living in harmony. The only thing we have to learn yet, is that harmony is not unity (e pluribus unum) but diversity (unum ergo pluribus). All differences are “functional”. That is why, for instance, every religion splits itself in fractions (and always in heretics and schismatic), who, after some time, become mirror images of each other, fighting each other to become “whole”.

Its my own invention
2. systems thinking is both inconsistent and complete: there exists only one system, but in order to think about it, we have to distinguish between parts, a.k.a. systems. So, in my view, it is no miracle “the whole is more than its parts”. That has always been the case. We took it apart.

The apparent contradictions arise from the fact that we (You and i) think. System is complete, self, “Eigen”, neutral, no, impartial (= having no parts). Our thinking creates, or perhaps better, invents reality, creates distinctions and the need to “think” them back into wholes again. We cannot observe our own thinking! There is no way we can trace our thinking back to a cause or matter (use of matter, mother, intentionally). It is air.

Thinking is a new way to speed up the evolution, weaving the web of life and it is still inventing itself. It is now – take a few thousand years – in its adolescence. This is a critical period, which it will survive.

Meta means change
3. we (you or i) are our own metaphor, we are self-contained and in every thought present. Language consists of metaphors – it carries, contains our thoughts and feelings – and (here I differ from Watzlawick) is also its own meta-language. Words about words are about words (and not the words mentioned).

It is life, but not as we know it
4. Life lives on, “the dude abides”. Life is developing itself at exactly the right pace, the perfect velocity, as a fractal. System works – i like that word – according to the Law of the Least Action. That’s why we tend to repeat and repeat and repeat the same “changes” over and over again, until we realize “I am you and you am I” and the ways to realize this are plentiful and all different.

The division we perceive all around us, is “caused” by our inability to see how we split of “others” in order develop ourselves and to (later) accept those others as part of us. This is the story – if you want metaphor – of the prodigal son. In my view, it is also the Isis – Osiris story and the story of Christ. That’s why, the cross is our central metaphor. The only thing you need to understand, is that these stories are about you and i. (In times to come – will be called “how could they not see that”. When that happens, you’ll hear me say “told you so” 🙂 )

Why Y facilitates

100px-Aries.svgWHY Y?
There is a Y in you that wants to get out. Y is the brand of facilitation: the two \ / becoming | . Let me explain.

Rick Lindeman wrote in a discussion “Facilitators unite! A brand new brand is coming our way…”

I know Jan likes to to start a discussion from the etymological origin of the entity discussed, but i think the word ‘brand’ has transcended from its ‘cattle status’ of “being owned by”, to ones own identity.. it’s about knowing yourself.. γνῶθι σεαυτόν gnothi seauton .. and by knowing yourself, and your drives you can communicate what are you are doing more effectively..

As a response to my opinion, that branding facilitation is beside the issue. I do not want to be branded as a facilitator belonging to IAF. Rick continues saying people make choices subconsciously, and therefore we need brands. The word “subconsciously” triggered this:

Signs are present
My point is: every sign is ambiguous. A sign, a symbol represents. A symbol is not the thing spoken about, it is not about what is “present”. The experience, the feeling, the subconscious awareness is present. In order to talk about the present (! “he implies today!” “No, Jan means a gift.”; “are you kidding, he is presenting a joke”, … ) we need something to represent it. Now two habits kick in.

Owning the meaning
1. We have to assume the other accepts (= “owns”) the meaning as we intended. This is called “The Helsinki Principle”. (In the late 50’s, information system developers had to agree on the meaning of information on a screen. They decided that the meaning is 100% the same as intended by the sender. This is the root cause of the failure of every ICT system). See also the thesis: “Every sign is a request for compliance”.

Means controlling the meaning
2. At the same time (and now I do not mean the present), the symbol gets in the way. (In Dutch we even say: “staat voor”, meaning both stands in its place and stands in front of).

It is not that I’m against symbols and branding. I’m against the (implicit or explicit) suggestion that I own (= control) the meaning through owning the sign.

I do not control your meaning
This is what makes facilitation so special (and, if you want “weak”): it is the other who determines the meaning of what is present. We present something unique and it is NOT the brand.

Own your self
The second part of your argument, Rick, is even better. “it’s about knowing yourself.. γνῶθι σεαυτόν gnothi seauton ..”. This represents (sic) facilitation even better: the royal path to knowing yourself is in accepting the other in you. Facilitating is about making (facere) connection (li) – it is not me who started a discussion with etymology, it were the blind poets -. Getting to know yourself, means getting to now Other. The other is also in the group. We belong to the same One.

Complex
Now it gets complicated. In order to “exist” we have to become separated. A child becomes separated – parted – from mother, parents, family, tribe, …sometimes even nation. We find ourselves thrown into life. Our self becomes “dissociated”. We project the disowned parts on others. It is not me who is bad, our parent is bad; it is not me who is good, our parent is good. (You always have two times two choices).

At a certain point in life, we have to “find ourselves” (or is it “my self”, I’m unsure about this). Well, you don’t have to; you might choose to remain “incognito”, but then, you’re probably not becoming a facilitator. We have to make reconnection (= facilitate) with our split-off parts. Interestingly, every other member of your group also represents something you “remember”. These are the parts you have to connect with: other symbolizes part of you. But you have rejected them in the past and the other parts feel rejected too. (Please note the implicit use of projected). So there it is: we need a connection-maker to reconnect. This is what we call “leader”. A facilitative leader.

The only thing a leader ethically cannot do, is “owning” the other. A leader has to liberate.

Plenty
We had to work in groups in order to survive. For thousands of years. Now we’ve finally liberated ourselves – we live in a world of plenty – and are facing our worst enemy: our selves. Facilitating is in sharing with others the parts we disown. Another word for this is friendship. Or peace.

Paradox van scheppen = splitsen

appel peer paradoxGeleidelijk aan krijg ik grip op de weerbarstige materie van de paradoxen. Paradoxen zijn schijnbare tegenstellingen. Ze zijn niet ontstaan als bijproduct van ons denken of onze taal, maar ze zijn het ontstaan. In de betekenisleer wordt gedacht dat we weten wat iets is, bijvoorbeeld een appel, omdat het niet iets anders is, bijvoorbeeld een peer. Een peer is geen appel. Echter, dezelfde redenering leidt tot “geen peer” is een “appel”. Maar broccoli is geen peer en ook geen appel. Irritant. Inderdaad. Hier is een antwoord op een mail van Danielle.

“Klinkt goed, het fenomeen van de paradoxale krachten vind ik vanuit het creatieve proces gezien blijvend fascinerend, ..”

Paradoxen zijn equivalent aan energie. We ervaren paradoxen niet rechtstreeks, maar – inderdaad – door de krachten die ze “vertonen” (let op het dubbelzinnig woordgebruik).

Het creatieve proces zelf is een paradoxaal fenomeen en wel op twee manieren. Allereerst is creativiteit één kant van het paradoxale paar creativiteit – destructie. Bij elke creatie vindt ook vernietiging plaats. De destructieve kant herkennen we in “conservatieve krachten”, weerstand tegen vernieuwing. Vernietigen en scheppen “kost” energie, de zogenaamde “vrije energie”. Deze vrije energie is in staat om werk te verrichten.

Ten tweede maakt elke paradox ook energie vrij. Deze “vrije energie” schept zich zelf in de vorm van een nieuwe paradox. De eeuwige transformatie, de eeuwige cyclus geboorte –> ontwikkelen –> vernieuwen –> sterven –> geboorte –> . Met andere woorden, creativiteit als fenomeen is ook een resultaat van een paradox.

100px-Aries.svgElke schepping, elke creatie, is altijd ook een splitsing. Ik las laatst dat in de Bijbel men het Hebreeuwse woord “bra” als schepping vertaald heeft. Maar “bra” betekent ook verdelen, splijten of splitsen. Scheppen “is” het scheiden van boven en onder, hemel en aarde, licht en donker, goed en kwaad, vrouw en man, hoed en schoenen, … . Het teken voor splitsing in de astrologie is Ram, duidelijk een splitsing en ook het begin van het (zonne)jaar.

Tegelijkertijd is het maken van een onderscheid de enige noodzakelijke voorwaarde voor een paradox. Dat leert “Laws of Form” ons. De paradox uit zich in het fenomeen dat deze wereld zich zelf schept. Er bestaat geen verschil tussen de evolutie-theorie en het bestaan van god, wanneer god samenvalt met het heel-al, alles. Omdat wij een onderdeel van de evolutie/schepping zijn, kunnen we het niet bevatten. Immers, dan zou een deel het geheel bevatten. Vandaar het mysterieuze gevoel van het mysterie. En de noodzaak om ons zelf in eerste instantie af te splitsen, te dissociëren, en vervolgens te helen, met behoud van het numineuze. Ik gebruik het woord numineus, omdat jij het woord fascinerend gebruikt. Numineus betekent fascinerend en angstwekkend, aldus Otto en Jung.

“… dissociatie, Het leren waarnemen van je eigen waarneming, splitsing van objectief versus subjectief.. etc. Het wil nog niet zeggen dat ik een beeld heb bij hoe e.e.a. wordt ingezet in de praktijk maar daar ben ik wel benieuwd naar.”

De beschrijving van de inzet in de praktijk beschrijf ik in mijn boek “Faciliteren als Tweede Beroep”: het is een meta-praxis, een reflectie op de praktijk. De inzet in de praktijk, kan alleen in de praktijk, vandaar dat we de leergang Kunstmest hebben. “Faciliteren”, zei laatst een project manager in een moment van inzicht, “moet je mee maken.”.