Archive for paradox

Het proces en de paradoxen van expressie

De cruciale paradox voor faciliteren van veranderingen, is de (deel/deel) paradox van expressie. Dit is het vermogen om je als deel van een groep uit te drukken, tegen of met de druk van een groep. De hiermee gerelateerde (heel/heel) paradox, is de paradox van vermogen (Engels “power“). Als illustratie kan het proces van over de uitspraken van Wilders dienen. Let op: vermijd het persoonlijk nemen van een uitspraak! En proces heeft nog een andere betekenis: de manier waarop iets zich ontwikkelt, de voortgang. Deze aspecten ga ik hier belichten.

Er bestaan spanningen in onze maatschappij. De spanningen worden veroorzaakt door verschillen. Die spanningen lopen op. Soms verdwijnen ze weer, als sneeuw voor de zon. Of ze lopen op, tot ze vast lopen. De situatie wordt hyperkritisch, een situatie waarin een kleine aanleiding zorgt voor een groot effect. Een lawine, aardbeving, een revolutie, een schisma of opstand. Dat gebeurt met een bepaalde cyclustijd. De spanningen hangen samen met paradoxen, schijnbare tegenstellingen. De tegenstellingen die aanleiding geven tot de spanningen en die zelf weer andere spanningen en tegenstellingen oproepen.

Doe een uitspraak over een uitspraak
Ook het Wilders proces vormt zich uit een paradox en schept nieuwe paradoxen. Welke paradoxen? De paradox van Expressie (gezien vanuit het perspectief van binnen een groep) en Macht (perspectief tussen groepen). Deze Paradoxen bestaan uit de paradoxen van Autoriteit, Afhankelijkheid, Creativiteit, Moed. Er treedt bij het proces tegen Wilders een aardige dubbeling op: “de vrijheid van meningsuiting” ofwel expressie, is zelf deel van de situatie. De uiting “vrijheid van meningsuiting” is ook een uiting.

Stagnatie of escalatie
Onderdrukken van uitspraken is normaal, de regel. Het begint er al mee, dat je zelf niet alles kunt of wilt zeggen. Met name (sic) dingen over jezelf, gevoelens, zaken, die je niet wilt erkennen. Vanuit het perspectief van Transactionele Analyse, is dit de “ouderpositie”. Archetypisch, is hier “Vader” aan het woord. Vandaar dat er in autoritaire staten zelfs niet gesproken mag worden, zelfs niet over de vrijheid van meningsuiting. Of dat sommige uitspraken, bijvoorbeeld over een heilig boek, niet gedaan mogen worden. Deze dienen met macht onderdrukt te worden. In meer democratische staten, komt steeds de vraag op, waar de grenzen van “de vrijheid van meningsuiting” liggen. In het eerste geval, treedt stagnatie op; in het tweede geval escalatie. Uitspraken van de voorzitter van de PVV geven aanleiding tot escalatie, die geëscaleerd worden naar de rechtbank. (Gisteren, 6 februari, nog een mooi voorbeeld van D’66 versus PVV).

Minder, minder minder uitspraken….
Het proces van (of is het tegen, over?) de voorzitter van de PVV gaat na verloop van tijd niet meer over die uitspraak, maar ook over uitspraken over die uitspraak, over uitspraken van uitspraken (merk op: een vonnis heet ook een uitspraak) en er is sprake van uitspraken over uitspraken over uitspraken over … . En sommigen noemen het ook weer een gevolg van “de media”. Een duidelijke verwisseling van doel (uitspraak) met middel (medium). Niet verwonderlijk, want “the medium is the message“. Hier zien we in de praktijk, hoe een paradox leidt tot een vicieuze cirkel. Of omgekeerd, dat een eindeloze regressie een zeker teken van een paradox is.

We kunnen de aspecten van de paradox van expressie / macht herkennen:

Salomon’s (anti)autoriteit
Wie is hier de autoriteit? Dat kan zijn de heer Wilders, een rechter, het volk, de ingezondenbrievenschrijver, de krant, de deskundige. Maar het kan ook zijn “de politiek”, “het wetboek van strafrecht”, “het vonnis”, en natuurlijk die uitspraak zelf. Juist het feit, dat de uitspraak vanuit een autoriteit is gedaan was, maakt het tot de vonk die het vuur laat ontbranden. Hier is de uitspraak “hoe krijgen we de geest weer in de fles” op van toepassing. Het proces van autoriseren gaat ongeveer als volgt: om als autoriteit door de volgers (h)erkent te worden, dienen er met autoriteit uitspraken gedaan te worden. Een leider kan niet bestaan zonder volgers. Een groep kan niet bestaan zonder andere groepen. Een paradox uit de uitspraak “minder, minder, minder …” is dat de leider de “anderen” nodig heeft om zich zelf te promoten. Vandaar de neiging, om te escaleren naar buiten het territorium – de anderen die zullen komen. Een bijkomend voordeel voor een autoriteit van een rechtszaak, is dat het de autoriteit bevordert. Een optie voor een rechtbank, zou een paradoxaal Salomonsoordeel kunnen zijn: de uitspraak is niet letterlijk bedoeld, maar bij wijze van spreken.

De menselijke stem: (on)afhankelijkheid
we zijn afhankelijk van elkaar. Om onafhankelijk te zijn, zullen we eerst onze afhankelijkheden moeten erkennen. De politiek is afhankelijk van tegenstemmers, nee-stemmers, onafhankelijk van welke partij je aanhangt. Media zijn voor hun inkomsten en oplage afhankelijk van uitspraken, uitspraken van politici. Ze leven van voor- en tegenstanders. Politici zijn afhankelijk van kiezers, de stem van de kiezer. (Merk op, dat “stem” een letterlijk verwoording is van de paradox van expressie). De paradox komt tot uiting in de uitspraak: “having a say differs from having a vote“. Stemmen krijg je van standpunten, standpunten die niet alleen duidelijk zijn, maar ook tot acties en resultaten leiden. We zijn afhankelijk van zogenaamd onafhankelijke rechters. Rechters kunnen niet onafhankelijk zijn, omdat ze afhankelijk zijn van wetten, regels en uitspraken. Ze zijn mensen. Wat belangrijk is, is dat ze een autonome positie kunnen blijven innemen. Vandaar dat autoritaire staten geen autonomen rechters kunnen accepteren.

Lachen: (destruc)(crea)tiviteit
Creativiteit houdt ook in omgaan met destructie. Iedere autoriteit, zal een betere toekomst beloven aan de volgers, op voorwaarde, dat je hem of haar volgt. En dat je je eigen ideeën vernietigt. Het is zelfs ongewenst, wanneer volgers met nieuwe ideeën komen, omdat ze de macht van de leiding ondergraven. Het is noodzakelijk voor de autoriteit, om zich de ideeën van anderen toe te eigenen. En andere geluiden het zwijgen op te leggen. Het zelfstandig kunnen denken en een oordeel vormen is de vijand van de macht. Creativiteit, als expressie van individualiteit, dient onderdrukt te worden. Vandaar bijvoorbeeld kledingvoorschriften. Vandaar, dat er zoveel fotomontages gemaakt worden – erg creatief. De oplossing voor een paradox, zit in de humor, de ontspannende lach.

Moed moet
Het vergt moed, om tegen een groep in te gaan. Het vergt geen moed, om voor een groep te verkondigen, wat een groep al “meent”. Voorop lopen met steun van anderen, is wat anders dan vooroplopen en kwetsbaar zijn. De confrontatie zoeken, is makkelijker, dan onderzoek doen. Het vraagt moed om uit te vinden, waar een groep werkelijk behoefte aan heeft. Door een deelbelang op de voorgrond te zetten, hoef je het algemeen belang niet te dienen. De paradox van moed, houdt in, dat je doorgaat, ondanks je angst. Dat je een ander in de ogen kijkt.


Aanwijzingen voor facilitators

De belangrijkste aanwijzing is om altijd op hetzelfde niveau te zijn als de ander en te bewegen naar de “Ouder-positie”. Gebruik je autoriteit om te delen, je afhankelijkheid om gezichtspunten van anderen te zien en je creativiteit om veiligheid te bieden. Met moed, kan je de ander in de ogen kijken en ze zien. Laat zien, dat je ze ziet. Ga zitten met de anderen, wanneer de anderen zitten. Laat anderen staan, wanneer je staat. Gebruik je moed, om te zeggen waar je behoefte aan hebt, wanneer je iets niet weet. Herinner je, dat je een ander niet kunt veranderen. Leer de ander om zelf de autoriteit te nemen, over de eigen situatie. Toon je verantwoordelijkheid.

Je kan een paradoxale situatie niet oplossen door een actie, noch door een reactie, alleen door interactie. Door de polariteiten te verenigen, te dulden, kan je ruimte en tijd scheppen voor een manifestatie van mogelijke wegen. Vertrouw op de keuze van de groep, zeker wanneer je merkt dat ze begrijpen “wat het probleem is”. Het verkeerde antwoord op het goede probleem, is te prefereren boven een nieuw antwoord op het oude probleem. Een paradoxale situatie kan alleen zich zelf “oplossen”.

Evoluerend Universum

Naar aanleiding van een bijdrage in de Correspondent van Tamar Stelling, heb ik mijn gedachten laten opkomen over evolutie. [Tussen [] wat aanvullingen]

hoofdstuk7paden-02Evolutie, of evolueren – ik vermijd reïficeren -, is een emergent, autonoom fenomeen, ontstaan uit de paradox van “behoren” (Belonging), ofwel de schijnbare tegenstelling tussen samenwerken (overvloed) of concurreren (schaarste). Ik hanteer een inclusieve of: het kan ook allebei. Deze twee zijn niet tegengesteld aan elkaar, maar complementair. Ze vullen elkaar aan en de één is niet beter dan de ander. Eigenlijk is het één en hetzelfde proces, wat we aanduiden als evolueren. Omdat we om gewaar te worden onderscheid moeten maken1) , ontstaat daarbij een illusie van tegenstellingen. Deze fictieve tegenstellingen verwoorden we in zelfstandig naamwoorden, waardoor ze feiten lijken. 2)3)

Zoals evolueren altijd uit het best aangepaste (fittest) systeem bestaat – er kan geen ander bestaan, anders had dat wel bestaan -, zo ontwikkelt zich ook ons denken over evolueren. 4) Ons denken over evolutie past zich aan, evolueert ook.

[op ieder moment bestaat ons denken uit het begrijpen-tot-dan-toe. Ze is aangepast aan de situatie waarin we verkeren. Wat werkt werkt en wordt werkelijk. Omdat gewaarworden en oordelen onverbrekelijk met elkaar en de gegeven situatie verbonden zijn, kunnen we niet anders dan de gewaarde werkelijkheid verwerkelijken en voor waar houden. Ons wereldbeeld is noodzakelijkerwijs begrensd door – zie de paradoxen van behoren -, zowel ons eigen denken als het denken door anderen. Hieruit ontstaat de beleving van samenwerken (“eens”) of concurreren (“oneens”).

appel peer paradoxIn termen van het gehanteerde model van paradoxen, vertalen we oneens in niet-eens, een digitale tegenstelling. In beide gevallen kunnen we dit aanduiden met het woord “school” (werk zelf uit).

Het moge duidelijk worden, dat daarmee “denken” een noodzakelijk bijproduct is van “evolueren”. Vanuit een bepaald standpunt, zou je de hele evolutie kunnen beschouwen als een denkende, analoge computer, die haar eigen resultaten ontwikkelt. Met de DNA/RNA-“machine” code ontwikkelt zich de eiwit-“programmeertaal”. Een bacterie kunnen we dan opvatten als een stukje samenhangende code of “object”. Deze ontwikkelen zich – de term Agile dringt zich op – tot grotere systemen, met complexe interfaces. Het proces van evolueren omvat het product van evolutie. Zo werkt alles aan haar eigen betekenis.

Wanneer alles een uitdrukking is van paradoxen 5) – in dit geval de paradoxen van “expressie” of uitdrukken -, roepen deze processen een emergent fenomeen op. Ik kan dan zo verklaren, hoe het product van deze processen – in casu de mens – een schepper, designer of ontwikkelaar aanroept. Wat wellicht lastiger te begrijpen valt, is dat deze universele “maker” samenvalt met zijn of haar schepping en dat de geschapene als deel, noodzakelijkerwijs een “afbeelding” is van het geheel. Vandaar dat we in elke religie “verantwoording” dienen af te leggen over onze handelingen en dat ze tegelijkertijd de saamhorigheid (!) bevordert. Waar menige religie in doorslaat, is het verkondigen van een absolute waarheid.]

1) [uitvinden van de werkelijkheid, wat werkt]
2) [ik gebruik hier dus weer het verschijnsel dat feit en fictie “gemaakt” zijn. Reïficeren is dus een emergent fenomeen van waarnemen en denken, de paradox van engageren (Engaging, ofwel percipiëren. Je ziet hoe de paradoxen elkaar oproepen.)]
3) [In het artikel wordt beschreven dat darmflora en andere bacteriën bij ons horen. Dat geldt ook voor al onze “andere” cellen en zich daarin bevindende resten van bacteriën. In termen van de paradox van behoren, begrijp ik nu. hoe de samenhang bestaat tussen

  • identiteit (wellicht beter: identificeren of identfying)iedere cel heeft eigen eigenschappen EN die zijn “onteigent” (oneigenlijk gebruikt) uit algemene eigenschappen
  • individualiteit (en dus hier individualiseren of individualsing) iedere cel is zowel uniek als een deel van het collectief, dat de expressie van die individualiteit mogelijk maakt
  • betrokkenheid (betrekken, betrokken zijn of worden of involving iedere cel betrekt zich op nabije cellen, is tegelijkertijd afhankelijk en onafhankelijk van andere celle
  • grenzen (begrenzen of limiting iedere cel heeft grenzen en wordt begrensd door andere cellen.]

4) [Hiermee valt het universum dus samen met evolutie – niet voor niets allebei woorden die “draaiende beweging” suggereren – en het enigmatische godsbegrip. Niet voor niets begint de bijbel met “in de beginne scheidde (!) god hemel en aarde”]

5) Energie en paradox zijn equivalent. De “spanning” tussen de polen uit zich in de vorm van “energie” en “kracht”, die zich omzetten in “werk”. Omdat energie behouden is, is ook paradox behouden.

Drie regels voor productieve bijeenkomsten

Active participationTaal maakt de mens, zoals mensen taal maken. Onze taal is van oorsprong een “command-and-control“-taal. “Pas op!”, “Doe dat!”, “Hoe gaat het?”. Communicatie bestaat dan uit éénrichtingsverkeer.

In principe verstaan we een boodschap, zoals deze door de zender is bedoeld. Dit heet ook wel het Helsinki-principe, naar een afspraak op een conferentie over computers in de jaren ’50 in Helsinki. Generaliserend vormt het nog steeds de basis van onze bijeenkomsten en conferenties. Na de presentaties weten de deelnemers waar het over gaat. Eenrichtingverkeer.

Is het niet duidelijk? Dan moet het duidelijker gebracht worden. De spreker beter leren presenteren. Of neem een groter scherm, een illustratie of een (teken)filmpje. Niet verkeerd, maar het gaat voorbij aan een elementair principe: communiceren bestaat uit informatie delen. Minder mededelen, meer medeleden.

In bijgaand artikel geeft Dr Ravn duidelijk aan waarom en hoe we informatie daadwerkelijk moeten delen om tot resultaten te komen.

In bijeenkomsten moeten
(1) mensen autonoom (zelfstandig) informatie uit presentatie verwerken door
(2) betrokken (in kleine groepen) hun kennis te delen
(3) gericht op door hen bereikbare resultaten.

Meetings must transform (1) information delivered in presentations, through (2) knowledge sharing into (3) action that creates results.

Professionals moeten leren bijeenkomsten te faciliteren. Begrepen?

from_one-way_communication_to_active_involvement_0, White paper published by by Ib Ravn, Ph.D., Associate Professor, Aarhus University, 2015

Geld geldt

Yuval Harari schetst in zijn twee boeken – Homo Sapiens en Homo Deus – een beeld van de geschiedenis van de mensheid in respectievelijk het verleden en de toekomst. Geld en geloof of vertrouwen in elkaar, speelt daarin een hoofdrol, omdat “betekenen” het sleutelbegrip is, om mensen te begrijpen.

Een van zijn conclusies (en ook de mijne) is, dat we als mensen in twee werelden tegelijkertijd leven: een objectieve, feitelijke wereld en een fictieve, imaginaire wereld. De woorden feiten en fictie verwoorden dat al: beide zijn afgeleid van “facere”, maken.

Hetzelfde geldt voor het woord “geld”. Geld is zowel reëel, objectief en feitelijk als imaginair, subjectief en fictief. Het gebruik van het woord “geld” geldt als geldigheid voor deze bewering.

Een kenmerkend verschil tussen de reële en imaginaire werkelijkheid is, dat de eerste van nature begrensd is en de tweede vanzelfsprekend onbegrensd. Onze fantasieën, dromen en verhalen, zie de boekhandel, bioscoop of tv, kennen geen maat. Onze aardbol en alle voorwerpen, zijn eindig en begrensd. Sterker: ze begrenzen ook onze dromen. Dat noemen we de harde werkelijkheid. Dit verschil houdt overigens ook in, zoals Harari betoogt, dat een echt mens echte pijn en vreugde voelt, maar een groep mensen of organisaties niet.

Geld is een manifestatie van het Thomas Principe (“If men define situations as real, they are real in their consequences.”). Het verhaal dat we elkaar vertellen over geld heet “economie”. De fictie houdt ook in, dat het feit dat iets meer waard is, ook meer kost (“moet kosten”) of opbrengt (“prijzen” (!)) (dit is in een notendop het verhaal van de uitgaven in de zorg). En in het verhaal, vertellen we elkaar, dat de economie eeuwig moet groeien. En gelukkig kunnen we de cijfers op papier laten groeien. Wat we voelen, zien en horen, is dat het fictieve verhaal feitelijk niet meer klopt. Maar ja, wat dan?

Een van de gevolgen van het geloof in ons verhaal, is dat iemand die meer geld heeft, meer waard is. Dat houdt in meer macht en genereert de scheefgroei in het individuele kapitaal. De lengte van mensen heeft een natuurlijke verdeling, niemand groeit tot in de hemel. De verdeling van geld is “onnatuurlijk”. Het verhaal gaat, dat dat “verdient” is. Het is het sprookje van de kleren van de keizer: niemand staat te wachten op een tante Mathilde die gilde: “dat geld is niet echt, je bezit niet meer dan je lichaam”.

De taak waar we voorstaan, denk ik dan, is NIET het verzinnen van een ander verhaal. (Dit is een paradoxale opdracht, ik weet het) Het vraagstuk vraagt om een paradigma verschuiving. Het oude verhaal is niet waardeloos, het is niet langer waar en niet onwaar. We moeten terug naar de bron: “wat verstaan we onder elkaar, onze gemeenschap?”. Ik vermoed, dat het niet te maken heeft met het vertellen van verhalen, maar het vermogen om naar elkaar te luisteren. Een vermogen tot het voeren van een dialoog, zoals mijn lieve vriendin Sofia doet, over de verschillen. We dienen te gaan zoeken in het duister – in onszelf -, waar we de sleutel verloren hebben, en niet in het licht dat straalt op de deur.

Hoe hoort het hier

Kunstmest 6 - Impressie door een dochtertjeBij het overdenken van het al dan niet uitbreiden van onze werkgroep, stuitte ik op de volgende pragmatische paradox:

De grenzen van relaties
We definiëren relaties (die hoort er wel en die hoort er niet bij) in termen van grenzen, maar grenzen (wie zijn er binnen en wie staan er buiten) zijn geen relaties. Dit is de essentie van de paradox van Behoren. Daarbij treedt een opmerkelijk fenomeen op: het symbool van de grens valt niet samen met de fysieke manifestatie van een grens. Bijvoorbeeld, een muur of een hek tussen landen, is een fysieke afbakening, die echter niet de band tussen mensen verbreekt. Of omgekeerd, wanneer we een grens hanteren als het einde van een relatie, moeten we een ander mens wel als “geen mens”-zien. Vandaar de neiging ze te ontmenselijken. We vergelijken ze dan met “dieren” of met bepaalde negatieve eigenschappen. Ze zijn niet we. (tussen haakjes: zo werkt het dus ook met teksten tussen haakjes).

Schaarste in overvloed
De paradox van Schaarste treedt altijd op in samenhang met de paradox van Behoren. Immers, wanneer er meer mensen bij ons komen, is er minder voor ons EN tegelijkertijd kunnen we de nieuwe mensen zien als een bron van overvloed. Zo zie je, hoe de Paradox van Schaarste leidt tot discussies over kosten versus opbrengsten. Ze benadrukt ook de paradox van “identiteit”. “Ze” hebben andere normen, waarden en gewoontes dan “we” en omdat “ze” anders zijn, horen ze niet bij “we”. Er ontstaat dan druk op de individuen van “we” tot saamhorigheid, opdat “ze” geweerd kunnen worden. De paradox maakt dan overigens, dat een individu naar voren komt, die weer niet representatief is voor de groep waar hij of zij voor staat. Vervolgens maakt dit weer, dat de symbolen nadrukkelijker benadrukt worden. Uiteindelijk volgt dan het “economisch” argument – het zijn economische vluchtelingen versus de economie kan het niet aan – als begrenzing. En niemand merkt op, dat schaarste ook de oorzaak is van het verlaten van “het huis”.

De discussie in Duitsland – over de satire – gaat nu zelfs zover, dat het gebruik va symbolen (“vrijheid van meningsuiting”) tot een symbool gemaakt is.
Trouwens, ook de hele Panama Papers affaire is een mooie illustratie van de paradox van grenzen, schaarste en wat wel en niet (be)hoort.

Verlossing
In dit verband (sic) lijkt het woord verlossing op haar plaats. Er zijn geen oplossingen voor de paradoxen van Behoren, en/of de paradox van Schaarste. De paradoxen staan beide als tekens, als symbolen, voor een (komende) transformatie: die van verlossen zelf. Net zoals (maken van) relaties van een ander logisch type is als (leggen van) grenzen, zo is verlossen van grenzen van een ander logisch type als opheffen van relaties. In de woorden van Po: “Er is geen geheim, het duurde even voor ik het door had”.

Als je begrijpt wat ik bedoel

haas eendEen Jung werkgroeplid stuurde me een mail:

Eend en Haas
“Je kent het plaatje in de bijlage ongetwijfeld. Is het een haas, of is het een eend?

Stel je voor, dat twee mensen aan het tekenen zijn. Zij maken hun tekeningen op grond van een aanwijzingen door een derde en het voeren van een gesprek met elkaar, inclusief de derde. Het object dat getekend wordt vormt zich aldus: het is niet concreet van te voren gegeven. En ze hebben geen zicht op elkaars werk. Het resultaat is dat de een een haas en de ander een eend heeft getekend. Uiteraard zijn beide tekenaars zeer verwonderd elkaars werk tenslotte te zien.

In het dagelijkse samenwerken doet zich dit waarschijnlijk doorlopend voor, zonder dat dit ooit duidelijk wordt noch problemen veroorzaakt. Tenzij er uit de uitkomsten juist wel problemen ontstaan. Naarmate de belangen groter zijn en ieder op zijn manier zich enorm heeft ingespannen zal zich dat ook in emotie en drama vertalen. De boel slaat los, er is geen contact en ook geen wederkerigheid meer. Het tendeert naar (symbolische) oorlogsvoering. Nadat de escalatie is uitgewoed en ieder zichzelf wat hersteld ontstaat pas weer de ruimte om naar elkaar te kijken. De schade is groot maar nog beroerder is het dat pas dan het inzicht in elkaars goede intenties naar voren komt. Dat besef maakt duidelijk dat het allemaal heel anders had gekund. Maar dat is achteraf. Niet bekend is wat hier nu eigenlijk in het spel is geweest.

Herken je wat ik bedoel?”

Möbius Ik herken je voorbeeld; ik vermoed dat een en ander speelt in elke situatie. Net zoals je niet begrijpt wat ik bedoel met het volgende:

Paaps en Turks
het is – zoals de tekening – een paradox. De “oplossing” wordt ook wel het Helsinki-principe genoemd. Bij een vroege conferentie over automatisering in Helsinki, is afgesproken dat betekenis van een boodschap, verzonden door een zender, bij de ontvanger voor 100% de betekenis is, als bedoeld door de zender. In alle andere gevallen bestaat er nl onzekerheid over de “echte” betekenis.Dit principe wordt door vrijwel iedereen impliciet gehanteerd. Belangrijke uitzonderingen zijn cabaretiers, het is immers de basis van een goede grap. Als voorbeeld kan je de huidige controverse over Erdogan in de Duits-Turkse verhouding gebruiken.”

Vanaf hier begrijp je me weer 🙂

Verzoek en opdracht?
Dit houdt in, dat iedere boodschap een meta-boodschap bevat die in een proefschrift van ene Pieter Wisse genoemd wordt Every sign is a request for compliance . In jouw mail maak je dat expliciet, maar het zit verscholen in elk (mail) bericht en verklaart de explosieve groei van berichtuitwisseling. (Wat ik interessant vond in mijn contact met Pieter Wisse, is dat hij zelf niet de (paradoxale) implicaties hiervan begreep, en een “taal” heeft ontwikkeld om dit “op te lossen”.) In het kader van je vraag, is dit “request” natuurlijk een (impliciete) “opdracht”.

Ik en ander
In iedere boodschap hanteren we naast de expliciete structuur van een zin, een impliciete grammatica. Deze impliciete grammatica maakt gebruik van een netwerk van opvattingen en aannames, die we “cultuur”, “wereldbeeld” of “werkelijkheidsopvatting” kunnen noemen. Dat laatste woord past het best, omdat het gaat over “wat werkt”. Dit zijn de pragmatische aspecten van menselijke communicatie. In communiceren dienen we steeds rekening te houden met “de ander”, opdat onze boodschap overkomt. Paradoxaal genoeg, kan het zijn, dat wanneer we juist het tegendeel zeggen van wat we willen beweren, de boodschap – in termen van betekenis – beter overkomt. Kort gezegd, wanneer iemand ander het niet met ons eens is – of zelfs boos wordt – heeft zij of hij de boodschap beter begrepen, dan na een kort instemmend “hmm”.

Ik en zelf
Verder heeft het Helsinki-principe nog een ander “aspect”: het veronderstelt, dat de zender de eigen boodschap begrijpt. Ik zelf zeg altijd, dat ik pas weet wat ik denk, wanneer ik mezelf hoor praten. Met andere woorden, er is een feed-back loop waarin ik ook op mijzelf het Helsinki-principe toepas. Verder zal de ontvanger begrijpen dat dit het geval is, of doet alsof dat niet het geval is. “Als je begrijpt wat ik bedoel” (overigens een mooie naam voor deze paradox).

Escalatie en stagnatie
In je vraag beschrijf je de paradox en haar “oplossing”: elke communicatie “veroorzaakt” escalatie (symmetrische situatie noemt Bateson dit) en stagnatie (complementaire situatie). “Veroorzaakt” tussen “”, omdat het niet de communicatie is, die dit veroorzaakt, maar de paradoxen van Expressie. Alleen in de beweging van de ene situatie naar de andere – wat jij “in-between” noemt en wat Hannah Ahrendt aanduidt met de “inter-esse“, het “tussen-zijn” – vindt betekenis overdracht plaats. (Merk op, dat ik hier de betekenis tussen – – zet). Dit fenomeen wordt wel “coupling” genoemd.

Wat het zo lastig maakt om dit te begrijpen, is deze “coupling” een proces is. Dit proces vindt plaats in het tweedimensionale (ofwel “complexe”) vlak, waarbij wij, door de aard van onze materiële existentie, alleen zichtbaar toegang hebben tot de reële as. De andere – de “irrationele” of beter “laterale” as – ervaren we wel, maar ze manifesteert zich niet concreet. We kunnen haar alleen in de realiteit representeren, door een tekening. Stel je een spiraalbeweging voor, waarvan je alleen de afbeelding in het platte vlak of een doorsnede ervaart. Dit is een cirkel. Ontbindt de cirkel in twee assen en je hebt een kruis in een cirkel. “Als je begrijpt wat ik bedoel”

Begrip en onbegrip
Een (waargebeurde) anekdote: tijdens een van de uitvoeringen van onze Leergang Kunstmest, zie op de derde dag Carolien – een van de meest intelligente vrouwen die ik ken – tegen me:
“Jan, ik begrijp niets van wat je bedoelt met je uitleg (over mijn boek)”.
Waarop ik haar bij de bovenarm “begreep” en zie: “ik begrijp je Carolien”.
“Nee”, zei ze, “ik begrijp je echt niet”.
Ik begreep haar weer en herhaalde “ik begrijp je Carolien”. Ze zei het nog een derde keer en ik herhaalde mijzelf opnieuw.
Een paar uur later bleek – uit haar gedrag – dat ze me volkomen begrepen had.

Paradox
appel peer paradoxWellicht ten overvloede: paradox vormt de grond voor betekenis. Betekenis vat ik op als een emergente eigenschap van wisselwerken. Je kan wisselwerking opvatten als gebruiken van spanning uit de complementaire tegenstellingen Vergelijk “appel” en “peer”. Een “peer” is geen “appel” en “appel” is niet “geen appel”. Een peer is ook niet “geen appel” en niet “geen peer”. Maar iets wat niet “geen peer” is, is nog geen “appel”. In onze pogingen om te begrijpen, gebruiken we de verschillen en scheppen we daarmee (vandaar “eigenschap”) de gewaarwording die we als “betekenis” ervaren. Betekenis is dus niet alleen contextueel, ze is ook subjectief en “imaginair”. De reële kant daarvan is het voorwerp – laten we zeggen “de appel” – de appel die we zien. De laterale of imaginaire kant vormt zich tot het symbool, betekenissen van “appel”. En dat kan van alles zijn, daarom gebruik ik ook bewust “appel”. (Merk op, dat je een appel kunt verschillen :-)). De “echte” betekenis van de appel, zit in het opeten. Maar dan houden we alleen een klokkenhuis over.

In de paradoxale tegenstelling is altijd sprake van een, of ander (=twee), een en ander en noch een noch ander. In communicatie is altijd sprake van begrip, of onbegrip, begrip en onbegrip en noch begrip, noch onbegrip. Merk overigens op, dat dit onafhankelijk van het bestaan van (gesproken) taal is.

Lachen als dialoogprincipe

IMG_5167In een recent door mij begeleidde dialoog, vroeg ik na afloop aan de deelnemers om de dialoogprincipes te noemen. (Ik ga ervan uit, dat wanneer er principes zijn, ze niet verteld hoeven te worden, want “in principe” moeten we ze al kennen. Hier staan de officiële principes, op een bericht van Judith de Bruijn.). Daarbij kwam ook “humor” ter sprake als dialoogprincipe. Als één van de laatste en ook pas nadat ik de uitspraak “er zijn geen anderen, alleen mensen” drie keer herhaald had. Dat gaf aanleiding tot veel (opluchtend) gelach (vooral omdat ik verder ging met de opmerking “Andere?“). Uit een parallel gevoerde dialoog door een collega, was “humor” ook naar voren gekomen (dus N=2). Dat gaf mij weer aanleiding om een en ander nader te onderzoeken. Waarom staat lachen niet op één bij dialoogprincipes Waarom zo serieus?

Lachen heeft een aantal functies: lachen bevrijdt en verbindt. Lachen is daarmee een manifestatie van een paradoxale situatie.
Lachen ontspant, omdat het ons (even) bevrijdt van de paradoxale tegenstellingen (in dit geval onder meer binnen (ons departement) – buiten (de burgers), debat – dialoog, probleem – oplossing, vertrouwen – wantrouwen, …). De spanningen komen los. Merkwaardig genoeg, zonder dat er een “oplossing” bestaat.

Lachen verbindt, omdat dat de functie van lachen is. Uit onderzoek naar humor is gebleken, dat de meeste mensen helemaal niet lachen om wat er gezegd wordt. Onderzoekers constateerden tot hun verbazing, dat het meeste waarom gelachen wordt, gewoon niet grappig is. Ze/we lachen om aan te geven dat ze/we erbij (willen) horen. Door te lachen geef je bijvoorbeeld aan, dat je de ander gehoord hebt, waardeert, ziet. En een ander geeft je, door te lachen aan, dat jij gehoord bent.

Lachen kan je zien als “elixer*” (in termen van het verhaal van de held), waarmee “held” beter terugkeert in de realiteit, de gemeenschap, eigenlijk zonder dat er iets concreet is opgelost. Het is meer opluchting dan oplossing. Lachen, denk ik dan, is heilige graal van dialoog. Immers, niemand houdt van een serieus gesprek, toch?

Tegelijkertijd is lachen ook paradoxaal, omdat het wel spontaan moet komen (of is het gaan?). Je mag er eigenlijk niet op aansturen. Als facilitator, moet je soms de spanning opbouwen, kunnen uithouden. Hopen dat de lach komt, en zelfs dat niet.

Ik weet nog, dat ik jaren geleden als projectleider in een bijzonder beladen vergadering zat met twee directies tijdens een zware reorganisatie. Ik maakte een opmerking, waarop mijn directeur vroeg: “Meneer Lelie, bedoelt u dat serieus of als grapje?”.
Waarop ik zei: “Dat weet ik nog niet, dat bepaal ik pas achteraf”.
Een collega zei toen: “Dat is het. Zo werkt jij nou altijd!”.

O ja, ik spit altijd wat door. Dus ik heb de deelnemers ook gevraagd, wat ze verstaan onder “humor”. Er werd gezegd, “niet het masker (laten zien), relativeringsvermogen.” Dat zegt het opnieuw. Vooral dat laatste woord, waarin we “relatie” terug zien. Ons vermogen te relativeren bouwt relaties. Zo tonen we onszelf in lachen.

*) ik gebruik geen lidwoord, wanneer ik een archetype aanduid. Het is niet “het elixer” of “de oplossing”, maar elixer of oplossing. Merk overigens op, dat “oplossen” wel heel erg klinkt als “verlossen” en “bevrijden”. “Humor ist es, wenn man trotzdem lacht.”

Vertrouw je autoriteit

cropped-vazeqeurez-2.jpgConnie vroeg me wat er paradoxaal is aan “vertrouwen” en “autoriteit”.

Vertrouw het vertrouwen. De paradox is: “vertrouwen is goed, controle is beter“. Ik heb me daar altijd tegen verzet: controle versterkt het wantrouwen. We zeggen natuurlijk, dat dat niet het geval is, maar het voelt echt anders. Bij elke controle merk je, dat je niet vertrouwd wordt. Wat is anders het nut van controle? De controleur kan alleen maar zijn nut bewijzen door wantrouwen aan te tonen. De poortjes bij de NS zijn een perfect voorbeeld daarvan. De NS en de politiek – autoriteiten – MOETEN wel mensen vinden die erover heen springen, want anders is het “weggegooid geld”. Wat het overigens is.

De “double bind” is: “wanneer je te vertrouwen bent, hoef je ook niets te vrezen”. En wie wil er nu in angst leven? Wanneer we elkaar vertrouwen, is controle niet nodig. En leven we zonder angst. Maar hoe weten we dat we elkaar kunnen vertrouwen? Door te controleren. Maar als we wat te controleren hebben, is er blijkbaar grond voor wantrouwen? …. Dit is de oneindige regressie, het kenmerk van een paradox. In wezen is het leven zelf onbetrouwbaar. Je gaat er aan dood. Hoe kunnen we dan nog leven vertrouwen?

Vertrouwen is zowel een proces (ontwikkelen van vertrouwen) als een toestand (het vertrouwen). Je kan de toestand van vertrouwen alleen bereiken door die te ontwikkelen vanuit een toestand van wantrouwen, gebrek aan vertrouwen, onzekerheid, onveiligheid. Wat we meestal doen is het opbouwen van zekerheid door middel van controle. Dit heet ook wel “beheersing”. Uiteindelijk, kan je alleen op je zelf vertrouwen. En tegelijkertijd, kan je je zelf (jezelf?) niet vertrouwen (hoe weet je wat waar is? is leven geen illusie? wat als ik toch teleurgesteld wordt? Hoe verzeker ik me van geluk? # there’s someone in my head, but it isn’t me # (Pink Floyd)… ). Wanneer je jezelf vertrouwt, bevrijd je jezelf. Dat doorbreekt de beheersing en is een vorm van zelfbeheersing. De emergente kwaliteit van vertrouwen is vrijheid door middel van zelfbeheersing, een andere paradox. Zie hier “de wet van behoud van paradox” (= energie), de Eerste Hoofdwet van Groepsdynamica. In alle groepsprocessen is paradox behouden.

Let op trouwens: met trouwen gaan we een gelijkwaardige band aan, we worden in “de echt” verenigd. Waarin we elkaar zeggen te zullen blijven vertrouwen. Vandaar – denk ik dan – dat het schaduwwerk – omgaan met het complex in jezelf – in het huwelijk plaats vindt. Wie zei daar “vrijen”? Wanneer dit werk (!) niet goed gedaan wordt, ontstaat “van zelf” ontrouw en daarmee echt-scheiding. Die trouw, wordt ten overstaan van een autoriteit bevestigd: hier komt de andere paradox. Overigens, een bekend verhaal, hebben Rian en ik voor ons huwelijk de scheiding geregeld. Dat kan je dan maar beter doen, wanneer je elkaar vertrouwt …. .

Bevestig de Autoriteit is op dezelfde wijze zowel een proces – het proces van autorisatie – als een toestand. Het is vergelijkbaar met “quisque custos custodiet?“, wie zal de autoriteit autoriseren. We hebben daarvoor de Trias Politica, Politiek, Rechtspraak en Politie (!). Maar die zitten ook in een eeuwigdurende strijd over wie het laatste woord heeft: de rechter die de grondwet toetst, de politiek, die haar gezag aan het volk ontleent (zie de samenstelling van de Eerste Kamer 🙂 ) of de macht van de kracht? Uiteindelijk ligt de autoriteit bij G’d (geëxternaliseerd) en bij “volk” (geïnternaliseerd).

De autoriteit is altijd ook verwikkeld in een proces van (zelf-)autorisering. Een mooi voorbeeld daarvan is “Fuck de koning(in)“. Was z(h)ij een echte autoriteit, zou het bij de ondergeschikte niet opkomen om dat te zeggen. Tegelijkertijd, wanneer de autoriteit ertegen optreedt, wordt pas echt duidelijk dat deze autoriteit “nergens” op gebaseerd is. De dwang moet dus “in de wet” worden opgenomen. De wet is echter nutteloos, wanneer er geen overtredingen zijn… De nieuwe wet van Poetin is daarvan weer een kraakhelder voorbeeld: om de eenheid van de natie te beschermen, moeten we beschermd worden tegen de vrijheid om ons zelf te beschermen. En die kan natuurlijk alleen van buiten komen.

Vertrouw de autoriteit. Vandaar dat de paradox van autoriteit verwoven is met die van expressie en die van vertrouwen met verbinden, met “de ander”. De paradoxen zijn ook met elkaar verbonden, omdat Autoriteit “vanzelf” vertrouwd moet worden. Immers, wanneer dat niet het geval is, deugen zowel ondergeschikte als autoriteiten niet. Hier speelt “ouder”-positie versus “kind”-positie een rol. Wanneer kind tegen ouder in verzet komt, is het duidelijk, dat het kind nog geen “ouder” kan worden en terecht “tegen zichzelf beschermd moet worden”. Mooi voorbeeld is de alcoholwetgeving, waarbij de autoriteit van de wetenschap gebruikt, om aan te tonen dat wat al eeuwenlang goed werkt, drinken in je jeugd, niet werkt. Wie vertrouwt het oordeel van de wetenschap nu niet? Omgekeerd, zal ouder die nalaat kind te ontwikkelen autoriteit verliezen. “Volwassen” kunnen we dus zien als de autonome kwaliteit van de vertrouwde autoriteit EN de onvertrouwde onmacht.

Over trouwen trouwens: hoe kan autoriteit vaststellen (! let op de letterlijke betekenis) in hoeverre de twee elkaar vertrouwen en trouw zullen blijven? Dat moet wel aan een hogere macht, een super autoriteit worden toegewezen. Die G’d “is” de autonome kwaliteit van het verbond. Vandaar, waar we ook zijn, geroepen of niet, G’d is aanwezig.

De ene pool roept niet alleen de andere op, met elkaar roepen ze een nieuwe paradox op. Varela (Watzlawick (ed) “The Invented Reality“) wijst er op, dat elke paradox ook een emergente kwaliteit heeft, die zich uit in een “autonoom” fenomeen. Het enige wat ik eraan toevoeg, is dat dit autonome, zich zelfscheppende, fenomeen ook weer een paradox (of maar beter: paaradox) zal zijn. Vertrouwen “roept” ik en de ander op (en vice versa) en Autoriteit macht en onmacht. Hoe weet je dat ik te vertrouwen ben? Omdat ik autoriteit heeft. Deze roepen weer elkaar of andere paradoxen op, zoals elektrische stroom (plus en min) een magnetisch veld oproept (noord en zuid) en we met een stroom bijvoorbeeld een motor kunnen aandrijven, die beweging brengt (hier en daar) of een koelkast (warm – koud) mogelijk maakt … . Autonoom is in dat geval een interessant woord: “de eigen (auto) wet (nomos)”: alleen het stel zelf – het echte echtpaar – kan zich zelf trouwen. Maar dan wel eerst voor de wet en niet gaan samenhokken, want daar komt alleen maar ellende van …

Verder vroeg ze zich af: “Ik werk (tamelijk beperkt en simpel) met dat de ene pool de andere ‘oproept’. Daar zit dus weerstand en kun je ruzie krijgen.”

Maken van verschil, roept keuze op. Dit is precies – denk ik dan – waarom je het woord “werk” gebruikt: paradoxen “werken” en ook werken is paradoxaal, omdat we onderscheid maken tussen “nuttig” werk (echt werk) en onnut werk (of weerstand) en dat dit werk het echte werk is. In termen van Spinoza: G’d is het werkende werk, wat werkt “is” G’d, het werk zelf. G’d is ook het autonome fenomeen waaruit (en waarin) de werkelijkheid (!) is ontstaan en bestaat.

Bedankt voor de gedachte aan weerstand: dat is precies wat voorkomt dat de ene pool gelijk de andere opheft. De weerstand is noodzakelijk om de verschillen in stand te houden, lang genoeg om hun werk te doen. De kwalificatie “ruzie” heeft te maken met het autonome, emergente fenomeen dat weerstand “slecht” is. Zonder wrijving geen glans.

Het valt me in, dat wat in het Engels “realiteit” (Watzlawick (ed) “The Invented Reality”) genoemd wordt, in het Nederlands “werkelijkheid” heet. Dit zijn de twee aspecten van werkelijke werkelijkheid, reële realiteit. Wat werkt “is” de relatie. Daarmee schept deze werkelijkheid zich zelf. Onze taak is, dat te benoemen. Veel duidelijker kan ik het helaas niet maken.

Dit kan niet waar zijn

Joris Luyendijk schreef een boek over de financiële wereld in Londen. De titel, die de lading dekt, is “dit kan niet waar zijn”. In een Linked-In discussie op “Slow Management”, kwam ik tot deze gedachten, gekaderd door paradoxen, McWhinney en mijn boek.

De titel
hoofdstuk 1 paradoxDe titel van het boek, is paradoxaal: “dit kan niet waar zijn” kan niet waar zijn (en is dus waar). Hij beschrijft een interessant, extreem geval van de paradoxen van “Belonging“, Behoren: identiteit, inzet, individualiteit en grenzen. Deze paradoxen zijn gekoppeld aan de paradox van Schaarste (zie “Paradoxes of Group Life“, van Smith en Berg). Bij behoren hoort ook: “hoe hoort het hier”. Geld geldt als een substituut voor (individuele) vrijheid en “bindt” tegelijkertijd. Je inzet wordt beloond, naar waarde geschat, maar vertaald in geld, al heel snel aan inflatie onderhevig. De grenzen worden verlegd, omdat geld “lucht” is, in haar aard geen beperkingen kent.

Een paradox is een schijnbare tegenstelling, vandaar dat we extreme schaarste zien naast extreme overvloed. Het is ook een schijnwereld, omdat geld niet echt is. Het is een fictie, een getal op een scherm. Daarom is er ook geen grens, geen moraal en geen vaste baan. Daarom kan er ook gewoon 140 000 000 000 euro “gemaakt” worden.

Het woord: “fictie” duidt op zowel fictief, als gemaakt. Overigens, net als het woord “feit” of “fact”. Door van een fictie een feit te maken, wordt gedaan alsof het “echt” (= waar) is. Het is echter niet waar in termen van concreetheid. Het kan ook niet waar zijn, omdat, wanneer het “echt geld” zou zijn, het pakhuizen vol met papier zou zijn (en dan is het het papier waarop het gedrukt is, nog niet waard…).

Geld is, geloof ik, geloof. Vandaar, denk ik dan, loven en bieden. Waar het omgaat is dus ook goed gelovigheid, of goedgelovigheid. Het gaat net zolang goed, als we het geloven. Het is, in termen van verhalen, het verhaal van de kleren van de keizer. Opmerkelijk is dat dit geen echt verhaal is, maar echt waar: zelf wanneer iemand (Joris) roept: “dat kan niet waar zijn”, “de keizer is naakt”, dan nog zien we het niet.

Paradox van waarheid
Waarheid is – net als realiteit – ook een viervoudig begrip. “Alles wat waar is, is (bewijsbaar) waar”, “er bestaat één waarheid”, “het gaat om de waarheid te spreken”, en “ik wil dat het waar is”. Alles kan waar zijn. Of, om met Vroman te spreken: “sommige dagen van het jaar, is alles wel eens waar”.

Daarbij bestaan er twee paradoxale ontkenningen: waar versus onwaar en waar versus niet-waar. Over het algemeen nemen we aan, dat als iets onwaar is (analoge ontkenning) het (dus) ook niet-waar is (digitale ontkenning). Als dat zo zou zijn, dan is de analoge ontkenning er van, niet-onwaar, dankzij een digitale ontkenning waar. Maar, wat niet onwaar is, hoeft nog niet waar te zijn. “Het kan niet waar zijn” lijkt me de ware variant van “niet onwaar”. Het zou zomaar wel waar kunnen zijn: de titel houdt de paradoxale spanning open.

Waar staat faciliteren voor?

Onbegrijpelijk 306x203Henri kaart op LinkedIn in de groep Platform Faciliteren, de vraag aan “what’s in a name?“. Wat, als faciliteren niet duidelijk is, is wel een duidelijke naam. Ook binnen de IAF-World komt dit punt steeds op.

Naamgeving komt voort uit spanningen, de paradoxen van behoren. Ik noem dat ook wel de Groucho Marx paradox (waarop Woody Allen weer preludeert in Annie Hall):

“I don’t want to belong to any club that will accept people like me as a member.”

1. identiteit: vind ik me wel of niet behoren tot de groep?
2. inzet: wat moet ik geven om te kunnen nemen?
3. individualiteit: in hoeverre kan ik mijn afhankelijkheid, mijn zwakte tonen in deze sterke, onafhankelijke groep?
4. en grenzen: waar ben ik nog deel van de groep en waar maak ik dan deel van uit?

Het gaat, wat mij betreft over verdelen, het maken van onderscheid. Zoals bij elke paradox: er is geen oplossing voor. De spanning is noodzakelijk om tot inzicht te komen. Wanneer je iets als “niet vanzelfsprekend” aanneemt, lijkt me dat een leerpunt. In onze leergang is het zelfs een uitgangspunt: “momenten van spanning gebruiken we voor inzicht”. Ik zou me in eerste instantie afvragen: “wat wil iemand zeggen, wanneer een naam “niets is”, of wanneer je “niets vindt” van een naam?”. Ik zelf zou vermoeden, dat het een angst voor het verlies aan controle, beheersing is. De naam lijkt het mogelijk te maken het fenomeen te “begrijpen”. Zie ook de eerste paragraaf van Hoofdstuk 0.

De naam, even letterlijk, is een teken en wanneer je het teken beheerst, beheers je waarover gesproken wordt (daarom hebben we drie namen, even uit mijn hoofd, de naam waarmee we genoemd worden, de naam waarmee we bekend zijn voor onze dierbaren (vaak een “bijnaam”) en onze geheime naam, die alleen ik en mijn god kent).

Erik Kijne geeft aan dat het gaat om een erkend beroep, ons beroep. Dat herinnert me aan de titel van een boek over faciliteren ( 🙂 ).

Op basis van het volgende gedicht (Neeltje Maria Min), zou ik willen voorstellen: Vergeet-me-niet

Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.