Archive for expressie

Het proces en de paradoxen van expressie

De cruciale paradox voor faciliteren van veranderingen, is de (deel/deel) paradox van expressie. Dit is het vermogen om je als deel van een groep uit te drukken, tegen of met de druk van een groep. De hiermee gerelateerde (heel/heel) paradox, is de paradox van vermogen (Engels “power“). Als illustratie kan het proces van over de uitspraken van Wilders dienen. Let op: vermijd het persoonlijk nemen van een uitspraak! En proces heeft nog een andere betekenis: de manier waarop iets zich ontwikkelt, de voortgang. Deze aspecten ga ik hier belichten.

Er bestaan spanningen in onze maatschappij. De spanningen worden veroorzaakt door verschillen. Die spanningen lopen op. Soms verdwijnen ze weer, als sneeuw voor de zon. Of ze lopen op, tot ze vast lopen. De situatie wordt hyperkritisch, een situatie waarin een kleine aanleiding zorgt voor een groot effect. Een lawine, aardbeving, een revolutie, een schisma of opstand. Dat gebeurt met een bepaalde cyclustijd. De spanningen hangen samen met paradoxen, schijnbare tegenstellingen. De tegenstellingen die aanleiding geven tot de spanningen en die zelf weer andere spanningen en tegenstellingen oproepen.

Doe een uitspraak over een uitspraak
Ook het Wilders proces vormt zich uit een paradox en schept nieuwe paradoxen. Welke paradoxen? De paradox van Expressie (gezien vanuit het perspectief van binnen een groep) en Macht (perspectief tussen groepen). Deze Paradoxen bestaan uit de paradoxen van Autoriteit, Afhankelijkheid, Creativiteit, Moed. Er treedt bij het proces tegen Wilders een aardige dubbeling op: “de vrijheid van meningsuiting” ofwel expressie, is zelf deel van de situatie. De uiting “vrijheid van meningsuiting” is ook een uiting.

Stagnatie of escalatie
Onderdrukken van uitspraken is normaal, de regel. Het begint er al mee, dat je zelf niet alles kunt of wilt zeggen. Met name (sic) dingen over jezelf, gevoelens, zaken, die je niet wilt erkennen. Vanuit het perspectief van Transactionele Analyse, is dit de “ouderpositie”. Archetypisch, is hier “Vader” aan het woord. Vandaar dat er in autoritaire staten zelfs niet gesproken mag worden, zelfs niet over de vrijheid van meningsuiting. Of dat sommige uitspraken, bijvoorbeeld over een heilig boek, niet gedaan mogen worden. Deze dienen met macht onderdrukt te worden. In meer democratische staten, komt steeds de vraag op, waar de grenzen van “de vrijheid van meningsuiting” liggen. In het eerste geval, treedt stagnatie op; in het tweede geval escalatie. Uitspraken van de voorzitter van de PVV geven aanleiding tot escalatie, die geëscaleerd worden naar de rechtbank. (Gisteren, 6 februari, nog een mooi voorbeeld van D’66 versus PVV).

Minder, minder minder uitspraken….
Het proces van (of is het tegen, over?) de voorzitter van de PVV gaat na verloop van tijd niet meer over die uitspraak, maar ook over uitspraken over die uitspraak, over uitspraken van uitspraken (merk op: een vonnis heet ook een uitspraak) en er is sprake van uitspraken over uitspraken over uitspraken over … . En sommigen noemen het ook weer een gevolg van “de media”. Een duidelijke verwisseling van doel (uitspraak) met middel (medium). Niet verwonderlijk, want “the medium is the message“. Hier zien we in de praktijk, hoe een paradox leidt tot een vicieuze cirkel. Of omgekeerd, dat een eindeloze regressie een zeker teken van een paradox is.

We kunnen de aspecten van de paradox van expressie / macht herkennen:

Salomon’s (anti)autoriteit
Wie is hier de autoriteit? Dat kan zijn de heer Wilders, een rechter, het volk, de ingezondenbrievenschrijver, de krant, de deskundige. Maar het kan ook zijn “de politiek”, “het wetboek van strafrecht”, “het vonnis”, en natuurlijk die uitspraak zelf. Juist het feit, dat de uitspraak vanuit een autoriteit is gedaan was, maakt het tot de vonk die het vuur laat ontbranden. Hier is de uitspraak “hoe krijgen we de geest weer in de fles” op van toepassing. Het proces van autoriseren gaat ongeveer als volgt: om als autoriteit door de volgers (h)erkent te worden, dienen er met autoriteit uitspraken gedaan te worden. Een leider kan niet bestaan zonder volgers. Een groep kan niet bestaan zonder andere groepen. Een paradox uit de uitspraak “minder, minder, minder …” is dat de leider de “anderen” nodig heeft om zich zelf te promoten. Vandaar de neiging, om te escaleren naar buiten het territorium – de anderen die zullen komen. Een bijkomend voordeel voor een autoriteit van een rechtszaak, is dat het de autoriteit bevordert. Een optie voor een rechtbank, zou een paradoxaal Salomonsoordeel kunnen zijn: de uitspraak is niet letterlijk bedoeld, maar bij wijze van spreken.

De menselijke stem: (on)afhankelijkheid
we zijn afhankelijk van elkaar. Om onafhankelijk te zijn, zullen we eerst onze afhankelijkheden moeten erkennen. De politiek is afhankelijk van tegenstemmers, nee-stemmers, onafhankelijk van welke partij je aanhangt. Media zijn voor hun inkomsten en oplage afhankelijk van uitspraken, uitspraken van politici. Ze leven van voor- en tegenstanders. Politici zijn afhankelijk van kiezers, de stem van de kiezer. (Merk op, dat “stem” een letterlijk verwoording is van de paradox van expressie). De paradox komt tot uiting in de uitspraak: “having a say differs from having a vote“. Stemmen krijg je van standpunten, standpunten die niet alleen duidelijk zijn, maar ook tot acties en resultaten leiden. We zijn afhankelijk van zogenaamd onafhankelijke rechters. Rechters kunnen niet onafhankelijk zijn, omdat ze afhankelijk zijn van wetten, regels en uitspraken. Ze zijn mensen. Wat belangrijk is, is dat ze een autonome positie kunnen blijven innemen. Vandaar dat autoritaire staten geen autonomen rechters kunnen accepteren.

Lachen: (destruc)(crea)tiviteit
Creativiteit houdt ook in omgaan met destructie. Iedere autoriteit, zal een betere toekomst beloven aan de volgers, op voorwaarde, dat je hem of haar volgt. En dat je je eigen ideeën vernietigt. Het is zelfs ongewenst, wanneer volgers met nieuwe ideeën komen, omdat ze de macht van de leiding ondergraven. Het is noodzakelijk voor de autoriteit, om zich de ideeën van anderen toe te eigenen. En andere geluiden het zwijgen op te leggen. Het zelfstandig kunnen denken en een oordeel vormen is de vijand van de macht. Creativiteit, als expressie van individualiteit, dient onderdrukt te worden. Vandaar bijvoorbeeld kledingvoorschriften. Vandaar, dat er zoveel fotomontages gemaakt worden – erg creatief. De oplossing voor een paradox, zit in de humor, de ontspannende lach.

Moed moet
Het vergt moed, om tegen een groep in te gaan. Het vergt geen moed, om voor een groep te verkondigen, wat een groep al “meent”. Voorop lopen met steun van anderen, is wat anders dan vooroplopen en kwetsbaar zijn. De confrontatie zoeken, is makkelijker, dan onderzoek doen. Het vraagt moed om uit te vinden, waar een groep werkelijk behoefte aan heeft. Door een deelbelang op de voorgrond te zetten, hoef je het algemeen belang niet te dienen. De paradox van moed, houdt in, dat je doorgaat, ondanks je angst. Dat je een ander in de ogen kijkt.


Aanwijzingen voor facilitators

De belangrijkste aanwijzing is om altijd op hetzelfde niveau te zijn als de ander en te bewegen naar de “Ouder-positie”. Gebruik je autoriteit om te delen, je afhankelijkheid om gezichtspunten van anderen te zien en je creativiteit om veiligheid te bieden. Met moed, kan je de ander in de ogen kijken en ze zien. Laat zien, dat je ze ziet. Ga zitten met de anderen, wanneer de anderen zitten. Laat anderen staan, wanneer je staat. Gebruik je moed, om te zeggen waar je behoefte aan hebt, wanneer je iets niet weet. Herinner je, dat je een ander niet kunt veranderen. Leer de ander om zelf de autoriteit te nemen, over de eigen situatie. Toon je verantwoordelijkheid.

Je kan een paradoxale situatie niet oplossen door een actie, noch door een reactie, alleen door interactie. Door de polariteiten te verenigen, te dulden, kan je ruimte en tijd scheppen voor een manifestatie van mogelijke wegen. Vertrouw op de keuze van de groep, zeker wanneer je merkt dat ze begrijpen “wat het probleem is”. Het verkeerde antwoord op het goede probleem, is te prefereren boven een nieuw antwoord op het oude probleem. Een paradoxale situatie kan alleen zich zelf “oplossen”.

Als je begrijpt wat ik bedoel

haas eendEen Jung werkgroeplid stuurde me een mail:

Eend en Haas
“Je kent het plaatje in de bijlage ongetwijfeld. Is het een haas, of is het een eend?

Stel je voor, dat twee mensen aan het tekenen zijn. Zij maken hun tekeningen op grond van een aanwijzingen door een derde en het voeren van een gesprek met elkaar, inclusief de derde. Het object dat getekend wordt vormt zich aldus: het is niet concreet van te voren gegeven. En ze hebben geen zicht op elkaars werk. Het resultaat is dat de een een haas en de ander een eend heeft getekend. Uiteraard zijn beide tekenaars zeer verwonderd elkaars werk tenslotte te zien.

In het dagelijkse samenwerken doet zich dit waarschijnlijk doorlopend voor, zonder dat dit ooit duidelijk wordt noch problemen veroorzaakt. Tenzij er uit de uitkomsten juist wel problemen ontstaan. Naarmate de belangen groter zijn en ieder op zijn manier zich enorm heeft ingespannen zal zich dat ook in emotie en drama vertalen. De boel slaat los, er is geen contact en ook geen wederkerigheid meer. Het tendeert naar (symbolische) oorlogsvoering. Nadat de escalatie is uitgewoed en ieder zichzelf wat hersteld ontstaat pas weer de ruimte om naar elkaar te kijken. De schade is groot maar nog beroerder is het dat pas dan het inzicht in elkaars goede intenties naar voren komt. Dat besef maakt duidelijk dat het allemaal heel anders had gekund. Maar dat is achteraf. Niet bekend is wat hier nu eigenlijk in het spel is geweest.

Herken je wat ik bedoel?”

Möbius Ik herken je voorbeeld; ik vermoed dat een en ander speelt in elke situatie. Net zoals je niet begrijpt wat ik bedoel met het volgende:

Paaps en Turks
het is – zoals de tekening – een paradox. De “oplossing” wordt ook wel het Helsinki-principe genoemd. Bij een vroege conferentie over automatisering in Helsinki, is afgesproken dat betekenis van een boodschap, verzonden door een zender, bij de ontvanger voor 100% de betekenis is, als bedoeld door de zender. In alle andere gevallen bestaat er nl onzekerheid over de “echte” betekenis.Dit principe wordt door vrijwel iedereen impliciet gehanteerd. Belangrijke uitzonderingen zijn cabaretiers, het is immers de basis van een goede grap. Als voorbeeld kan je de huidige controverse over Erdogan in de Duits-Turkse verhouding gebruiken.”

Vanaf hier begrijp je me weer 🙂

Verzoek en opdracht?
Dit houdt in, dat iedere boodschap een meta-boodschap bevat die in een proefschrift van ene Pieter Wisse genoemd wordt Every sign is a request for compliance . In jouw mail maak je dat expliciet, maar het zit verscholen in elk (mail) bericht en verklaart de explosieve groei van berichtuitwisseling. (Wat ik interessant vond in mijn contact met Pieter Wisse, is dat hij zelf niet de (paradoxale) implicaties hiervan begreep, en een “taal” heeft ontwikkeld om dit “op te lossen”.) In het kader van je vraag, is dit “request” natuurlijk een (impliciete) “opdracht”.

Ik en ander
In iedere boodschap hanteren we naast de expliciete structuur van een zin, een impliciete grammatica. Deze impliciete grammatica maakt gebruik van een netwerk van opvattingen en aannames, die we “cultuur”, “wereldbeeld” of “werkelijkheidsopvatting” kunnen noemen. Dat laatste woord past het best, omdat het gaat over “wat werkt”. Dit zijn de pragmatische aspecten van menselijke communicatie. In communiceren dienen we steeds rekening te houden met “de ander”, opdat onze boodschap overkomt. Paradoxaal genoeg, kan het zijn, dat wanneer we juist het tegendeel zeggen van wat we willen beweren, de boodschap – in termen van betekenis – beter overkomt. Kort gezegd, wanneer iemand ander het niet met ons eens is – of zelfs boos wordt – heeft zij of hij de boodschap beter begrepen, dan na een kort instemmend “hmm”.

Ik en zelf
Verder heeft het Helsinki-principe nog een ander “aspect”: het veronderstelt, dat de zender de eigen boodschap begrijpt. Ik zelf zeg altijd, dat ik pas weet wat ik denk, wanneer ik mezelf hoor praten. Met andere woorden, er is een feed-back loop waarin ik ook op mijzelf het Helsinki-principe toepas. Verder zal de ontvanger begrijpen dat dit het geval is, of doet alsof dat niet het geval is. “Als je begrijpt wat ik bedoel” (overigens een mooie naam voor deze paradox).

Escalatie en stagnatie
In je vraag beschrijf je de paradox en haar “oplossing”: elke communicatie “veroorzaakt” escalatie (symmetrische situatie noemt Bateson dit) en stagnatie (complementaire situatie). “Veroorzaakt” tussen “”, omdat het niet de communicatie is, die dit veroorzaakt, maar de paradoxen van Expressie. Alleen in de beweging van de ene situatie naar de andere – wat jij “in-between” noemt en wat Hannah Ahrendt aanduidt met de “inter-esse“, het “tussen-zijn” – vindt betekenis overdracht plaats. (Merk op, dat ik hier de betekenis tussen – – zet). Dit fenomeen wordt wel “coupling” genoemd.

Wat het zo lastig maakt om dit te begrijpen, is deze “coupling” een proces is. Dit proces vindt plaats in het tweedimensionale (ofwel “complexe”) vlak, waarbij wij, door de aard van onze materiële existentie, alleen zichtbaar toegang hebben tot de reële as. De andere – de “irrationele” of beter “laterale” as – ervaren we wel, maar ze manifesteert zich niet concreet. We kunnen haar alleen in de realiteit representeren, door een tekening. Stel je een spiraalbeweging voor, waarvan je alleen de afbeelding in het platte vlak of een doorsnede ervaart. Dit is een cirkel. Ontbindt de cirkel in twee assen en je hebt een kruis in een cirkel. “Als je begrijpt wat ik bedoel”

Begrip en onbegrip
Een (waargebeurde) anekdote: tijdens een van de uitvoeringen van onze Leergang Kunstmest, zie op de derde dag Carolien – een van de meest intelligente vrouwen die ik ken – tegen me:
“Jan, ik begrijp niets van wat je bedoelt met je uitleg (over mijn boek)”.
Waarop ik haar bij de bovenarm “begreep” en zie: “ik begrijp je Carolien”.
“Nee”, zei ze, “ik begrijp je echt niet”.
Ik begreep haar weer en herhaalde “ik begrijp je Carolien”. Ze zei het nog een derde keer en ik herhaalde mijzelf opnieuw.
Een paar uur later bleek – uit haar gedrag – dat ze me volkomen begrepen had.

Paradox
appel peer paradoxWellicht ten overvloede: paradox vormt de grond voor betekenis. Betekenis vat ik op als een emergente eigenschap van wisselwerken. Je kan wisselwerking opvatten als gebruiken van spanning uit de complementaire tegenstellingen Vergelijk “appel” en “peer”. Een “peer” is geen “appel” en “appel” is niet “geen appel”. Een peer is ook niet “geen appel” en niet “geen peer”. Maar iets wat niet “geen peer” is, is nog geen “appel”. In onze pogingen om te begrijpen, gebruiken we de verschillen en scheppen we daarmee (vandaar “eigenschap”) de gewaarwording die we als “betekenis” ervaren. Betekenis is dus niet alleen contextueel, ze is ook subjectief en “imaginair”. De reële kant daarvan is het voorwerp – laten we zeggen “de appel” – de appel die we zien. De laterale of imaginaire kant vormt zich tot het symbool, betekenissen van “appel”. En dat kan van alles zijn, daarom gebruik ik ook bewust “appel”. (Merk op, dat je een appel kunt verschillen :-)). De “echte” betekenis van de appel, zit in het opeten. Maar dan houden we alleen een klokkenhuis over.

In de paradoxale tegenstelling is altijd sprake van een, of ander (=twee), een en ander en noch een noch ander. In communicatie is altijd sprake van begrip, of onbegrip, begrip en onbegrip en noch begrip, noch onbegrip. Merk overigens op, dat dit onafhankelijk van het bestaan van (gesproken) taal is.

Vertrouw je autoriteit

cropped-vazeqeurez-2.jpgConnie vroeg me wat er paradoxaal is aan “vertrouwen” en “autoriteit”.

Vertrouw het vertrouwen. De paradox is: “vertrouwen is goed, controle is beter“. Ik heb me daar altijd tegen verzet: controle versterkt het wantrouwen. We zeggen natuurlijk, dat dat niet het geval is, maar het voelt echt anders. Bij elke controle merk je, dat je niet vertrouwd wordt. Wat is anders het nut van controle? De controleur kan alleen maar zijn nut bewijzen door wantrouwen aan te tonen. De poortjes bij de NS zijn een perfect voorbeeld daarvan. De NS en de politiek – autoriteiten – MOETEN wel mensen vinden die erover heen springen, want anders is het “weggegooid geld”. Wat het overigens is.

De “double bind” is: “wanneer je te vertrouwen bent, hoef je ook niets te vrezen”. En wie wil er nu in angst leven? Wanneer we elkaar vertrouwen, is controle niet nodig. En leven we zonder angst. Maar hoe weten we dat we elkaar kunnen vertrouwen? Door te controleren. Maar als we wat te controleren hebben, is er blijkbaar grond voor wantrouwen? …. Dit is de oneindige regressie, het kenmerk van een paradox. In wezen is het leven zelf onbetrouwbaar. Je gaat er aan dood. Hoe kunnen we dan nog leven vertrouwen?

Vertrouwen is zowel een proces (ontwikkelen van vertrouwen) als een toestand (het vertrouwen). Je kan de toestand van vertrouwen alleen bereiken door die te ontwikkelen vanuit een toestand van wantrouwen, gebrek aan vertrouwen, onzekerheid, onveiligheid. Wat we meestal doen is het opbouwen van zekerheid door middel van controle. Dit heet ook wel “beheersing”. Uiteindelijk, kan je alleen op je zelf vertrouwen. En tegelijkertijd, kan je je zelf (jezelf?) niet vertrouwen (hoe weet je wat waar is? is leven geen illusie? wat als ik toch teleurgesteld wordt? Hoe verzeker ik me van geluk? # there’s someone in my head, but it isn’t me # (Pink Floyd)… ). Wanneer je jezelf vertrouwt, bevrijd je jezelf. Dat doorbreekt de beheersing en is een vorm van zelfbeheersing. De emergente kwaliteit van vertrouwen is vrijheid door middel van zelfbeheersing, een andere paradox. Zie hier “de wet van behoud van paradox” (= energie), de Eerste Hoofdwet van Groepsdynamica. In alle groepsprocessen is paradox behouden.

Let op trouwens: met trouwen gaan we een gelijkwaardige band aan, we worden in “de echt” verenigd. Waarin we elkaar zeggen te zullen blijven vertrouwen. Vandaar – denk ik dan – dat het schaduwwerk – omgaan met het complex in jezelf – in het huwelijk plaats vindt. Wie zei daar “vrijen”? Wanneer dit werk (!) niet goed gedaan wordt, ontstaat “van zelf” ontrouw en daarmee echt-scheiding. Die trouw, wordt ten overstaan van een autoriteit bevestigd: hier komt de andere paradox. Overigens, een bekend verhaal, hebben Rian en ik voor ons huwelijk de scheiding geregeld. Dat kan je dan maar beter doen, wanneer je elkaar vertrouwt …. .

Bevestig de Autoriteit is op dezelfde wijze zowel een proces – het proces van autorisatie – als een toestand. Het is vergelijkbaar met “quisque custos custodiet?“, wie zal de autoriteit autoriseren. We hebben daarvoor de Trias Politica, Politiek, Rechtspraak en Politie (!). Maar die zitten ook in een eeuwigdurende strijd over wie het laatste woord heeft: de rechter die de grondwet toetst, de politiek, die haar gezag aan het volk ontleent (zie de samenstelling van de Eerste Kamer 🙂 ) of de macht van de kracht? Uiteindelijk ligt de autoriteit bij G’d (geëxternaliseerd) en bij “volk” (geïnternaliseerd).

De autoriteit is altijd ook verwikkeld in een proces van (zelf-)autorisering. Een mooi voorbeeld daarvan is “Fuck de koning(in)“. Was z(h)ij een echte autoriteit, zou het bij de ondergeschikte niet opkomen om dat te zeggen. Tegelijkertijd, wanneer de autoriteit ertegen optreedt, wordt pas echt duidelijk dat deze autoriteit “nergens” op gebaseerd is. De dwang moet dus “in de wet” worden opgenomen. De wet is echter nutteloos, wanneer er geen overtredingen zijn… De nieuwe wet van Poetin is daarvan weer een kraakhelder voorbeeld: om de eenheid van de natie te beschermen, moeten we beschermd worden tegen de vrijheid om ons zelf te beschermen. En die kan natuurlijk alleen van buiten komen.

Vertrouw de autoriteit. Vandaar dat de paradox van autoriteit verwoven is met die van expressie en die van vertrouwen met verbinden, met “de ander”. De paradoxen zijn ook met elkaar verbonden, omdat Autoriteit “vanzelf” vertrouwd moet worden. Immers, wanneer dat niet het geval is, deugen zowel ondergeschikte als autoriteiten niet. Hier speelt “ouder”-positie versus “kind”-positie een rol. Wanneer kind tegen ouder in verzet komt, is het duidelijk, dat het kind nog geen “ouder” kan worden en terecht “tegen zichzelf beschermd moet worden”. Mooi voorbeeld is de alcoholwetgeving, waarbij de autoriteit van de wetenschap gebruikt, om aan te tonen dat wat al eeuwenlang goed werkt, drinken in je jeugd, niet werkt. Wie vertrouwt het oordeel van de wetenschap nu niet? Omgekeerd, zal ouder die nalaat kind te ontwikkelen autoriteit verliezen. “Volwassen” kunnen we dus zien als de autonome kwaliteit van de vertrouwde autoriteit EN de onvertrouwde onmacht.

Over trouwen trouwens: hoe kan autoriteit vaststellen (! let op de letterlijke betekenis) in hoeverre de twee elkaar vertrouwen en trouw zullen blijven? Dat moet wel aan een hogere macht, een super autoriteit worden toegewezen. Die G’d “is” de autonome kwaliteit van het verbond. Vandaar, waar we ook zijn, geroepen of niet, G’d is aanwezig.

De ene pool roept niet alleen de andere op, met elkaar roepen ze een nieuwe paradox op. Varela (Watzlawick (ed) “The Invented Reality“) wijst er op, dat elke paradox ook een emergente kwaliteit heeft, die zich uit in een “autonoom” fenomeen. Het enige wat ik eraan toevoeg, is dat dit autonome, zich zelfscheppende, fenomeen ook weer een paradox (of maar beter: paaradox) zal zijn. Vertrouwen “roept” ik en de ander op (en vice versa) en Autoriteit macht en onmacht. Hoe weet je dat ik te vertrouwen ben? Omdat ik autoriteit heeft. Deze roepen weer elkaar of andere paradoxen op, zoals elektrische stroom (plus en min) een magnetisch veld oproept (noord en zuid) en we met een stroom bijvoorbeeld een motor kunnen aandrijven, die beweging brengt (hier en daar) of een koelkast (warm – koud) mogelijk maakt … . Autonoom is in dat geval een interessant woord: “de eigen (auto) wet (nomos)”: alleen het stel zelf – het echte echtpaar – kan zich zelf trouwen. Maar dan wel eerst voor de wet en niet gaan samenhokken, want daar komt alleen maar ellende van …

Verder vroeg ze zich af: “Ik werk (tamelijk beperkt en simpel) met dat de ene pool de andere ‘oproept’. Daar zit dus weerstand en kun je ruzie krijgen.”

Maken van verschil, roept keuze op. Dit is precies – denk ik dan – waarom je het woord “werk” gebruikt: paradoxen “werken” en ook werken is paradoxaal, omdat we onderscheid maken tussen “nuttig” werk (echt werk) en onnut werk (of weerstand) en dat dit werk het echte werk is. In termen van Spinoza: G’d is het werkende werk, wat werkt “is” G’d, het werk zelf. G’d is ook het autonome fenomeen waaruit (en waarin) de werkelijkheid (!) is ontstaan en bestaat.

Bedankt voor de gedachte aan weerstand: dat is precies wat voorkomt dat de ene pool gelijk de andere opheft. De weerstand is noodzakelijk om de verschillen in stand te houden, lang genoeg om hun werk te doen. De kwalificatie “ruzie” heeft te maken met het autonome, emergente fenomeen dat weerstand “slecht” is. Zonder wrijving geen glans.

Het valt me in, dat wat in het Engels “realiteit” (Watzlawick (ed) “The Invented Reality”) genoemd wordt, in het Nederlands “werkelijkheid” heet. Dit zijn de twee aspecten van werkelijke werkelijkheid, reële realiteit. Wat werkt “is” de relatie. Daarmee schept deze werkelijkheid zich zelf. Onze taak is, dat te benoemen. Veel duidelijker kan ik het helaas niet maken.

Grenzenloos faciliteren

cropped-hoofdstuk-1-verandereninwerkelijkheid-11.jpgDit is het thema van de facilitator conferentie 2015: “Grenzenloos Faciliteren“.

Samenvatting
Grenzen bepalen ons gedrag. Grenzen en relaties horen bij elkaar, als een echt-paar. We kunnen niet zonder en we kunnen niet met grenzen. En daaruit ontstaan de fenomenen van vechten/vluchten, veiligheid, schaarste en de vraag aan een facilitator, om ons daarvan te bevrijden. Jammer dat alleen een groep zichzelf kan bevrijden. Daar liggen de grenzen van faciliteren.

Vergrenzen
Tot hier en niet verder. Daar ligt de grens. Van jongs af aan leren we waar onze grenzen liggen. En daar binnen te blijven. Een paar jaar geleden had ik deze conversatie:
“Lelie, je gaat over grenzen”.
“Dat weet ik, maar hoe kan ik weten waar de grens ligt, zonder er overheen te gaan”.
“Je bent een professional, dat hoor je te weten”.

Grenzen, begrenzen, is een paradoxaal fenomeen. Met paradoxaal bedoel ik een schijnbare tegenstelling. Begrenzen – het maken van een binnen en buiten, die aansluiten en elkaar uitsluiten -, maken paradoxen mogelijk. Onderscheid in ruimte, voor, achter en naast. Onderscheid in tijd, voor en na. Alleen het hier-en-nu is onbegrensd, want altijd. In een sociale context bepaalt de groep de grenzen. Van gezin en familie, via stam en kerk tot organisatie en natie.

Onderscheid maken is een noodzakelijke en voldoende voorwaarde voor paradoxen. Spencer Brown toont in Laws of Form zelfs aan dat niet alleen logica, maar zelfs het hele universum op dit principe gebaseerd is. Leven is paradoxaal, zoals blijkt uit Paradoxical Life. En ook bij leven vormt de grens, het celmembraan, de cruciale stap. Leven in groepen is inherent paradoxaal, immers een groep begrenst en opent. Deze paradox hoort tot de klasse “Behoren“, samen met Identiteit, Inzet en Individualiteit. (Zie “Smith en Berg, Paradoxes of Group Life“).

In het faciliteren komen we talloze grenzen tegen. Te behalen resultaten vormen een grens. De opdrachtgever schrijft im- en expliciete grenzen voor. Daarnaast begrenzen de muren en de tijd plaats en handeling. Zelfs papier heeft grenzen. We trekken een grens rond een cluster.

We kunnen niet zonder grenzen. En tegelijkertijd vraagt een opdrachtgever van een facilitator om een “doorbraak”, een oplossing, het verlost worden van een grens. In het meest neutrale geval wordt het “een innovatie” genoemd. Hoe gaan we daarmee om? Dat geen we met elkaar onderzoeken. Hier alvast een voorschot.

Oproepen en erbij horen
Het praten over een groep roept grenzen op. Of wellicht is het andersom: maken groepen door hun bestaan geluid, praten en taal. Mensen en dieren herkennen elkaar aan hun geluiden. De grens bepaalt wie erbij horen en wie niet. Let op het gebruik van “horen“. Bij mensen staat de taal zo op de voorgrond, dat wat er gezegd wordt soms belangrijker is dan wat er gedaan wordt. Maar ja, “actions speak louder then words“.

Grenzen bepalen je identiteit. Elke groepsidentiteit bepaalt een persoonlijke identiteit en deze wordt ook een groepsidentiteit. Zo ben ik een man en hoor bij de groep “mannen”, die vervolgens bepaalt hoe ik me dien te gedragen als “man”. Grappig woord, in dit verband, “bepalen“: het gebruiken van palen om iets te begrenzen. Het woord geeft het dilemma al aan: is er ruimte tussen de palen? De paradox wordt compleet, wanneer we mannen ook laten bepalen wie wel en wie geen echte mannen zijn. Of moeten we dat aan vrouwen overlaten? Wie bepaalt, betaalt. Begrenzen heeft ook een prijs.

Groepen ontstaan spontaan, uit verschillen die zoeken naar overeenkomsten. De overeenkomsten vormen de grens, de criteria, de kenmerken. Een groep biedt veiligheid – ook wel solidariteit genoemd. Laat eens zien hoe dat gaat.

Veiligheid
Ik kan niet alles alleen. Daarbij voel ik me alleen en incompleet. Ik ga bij een groep, om met elkaar meer te doen, om me minder alleen te voelen en omdat ik iets kan brengen wat de groep niet heeft. Ik heb de groep nodig en de groep heeft mij nodig. Zo biedt een groep veiligheid, geborgenheid en mogelijkheden. Toch?

Een groep organiseert zich in eerste instantie niet op basis van verschillen, maar op overeenkomsten. Mannen bij mannen, vrouwen bij kinderen, familie bij familie, achtergrond bij achtergrond, organisaties op doelstelling. Dus ik moet meedoen aan een gezamenlijk doel – niet mijn doel. En ik moet me gedragen, zoals de anderen zich gedragen. Verder is een groep groter dan ik alleen, maar daardoor wil de groep eerst iets van mij, voordat ze zal voorzien in iets wat ik nodig heb. Dat begint bij een organisatie al met “de goede vooropleiding”.

Types
Wat een en ander zo ongrijpbaar maakt, is het verschil in wat wel genoemd wordt “logische types“. Om een klasse of verzameling elementen te beschrijven, hebben we andere concepten nodig dan de concepten die we gebruiken om de elementen te beschrijven. Kort gezegd: een groep mannen is geen man. We kunnen wel bepalen wat een man is. Op basis van allerlei eigenschappen die we dan kenmerken noemen. We noemen dat een typische man. Vervolgens kunnen we mensen met gelijke kenmerken samennemen tot een groep en deze “mannen” noemen. Die doen mannen dingen, zoals voetbal kijken, bier drinken … . Dat is een typische groep mannen. Maar de kenmerken van de groep zijn niet “mannelijk” en vaak ook niet dezelfde kenmerken als die van een typische man. Iedere keer weer lopen we in discussies tegen deze grens op: hier ligt de grens van ons begrip. We zeggen dan: “ik begrijp die mannen niet”. Ik kom straks nog even terug op de begrenzende werking van taal.

Heel lang werd gedacht dat gebruiken van “logische types” dit soort problemen zou oplossen. Maak onderscheid tussen wat een man is, iemand die zijn baard scheert, en wat een klasse van mannen is, degenen die hun baard scheren. We moeten die niet over één kam scheren, zogezegd. Maar strijk en zet liepen de redeneringen vast. Totdat Gödel bewees, dat er geen oplossing voor is. Iedere grens is onhoudbaar of open. In het eerste geval, moet de grens doorbroken worden. Maar dat kan alleen met nieuwe grenzen. In het tweede geval voldoet de grens niet en moeten er nieuwe grenzen komen. Dat houdt ook in, dat we niet zonder grenzen kunnen. En dat ook grenzen hun beperkingen hebben, zogezegd.

Over en onder de grens
Om bij een groep te horen, moeten we “een grens over”. We moeten iets van onze individualiteit opgeven, een stukje identiteit inleveren en er zal van ons gevraagd worden ons in te zetten voor de groep. Vandaar de noodzaak van een paspoort om over de grens te gaan. Kijk maar: het uitschrijven er van (vroeger een laissez-passé, een laat door), het gebruik om iemand ermee te identificeren (wat niet zo is, want je gezicht bepaalt wie je bent, niet je paspoort), de vraag of iemand meer dan één paspoort mag hebben (natuurlijk) en het intrekken ervan, wanneer je “over een grens gaat”. Illegalen is dan ook het verkeerde woord voor de groep. Het zijn mensen zonder papieren, die zonder papieren een grens overschreden hebben. Ergens moet een grens liggen.

Tegelijkertijd heeft een groep nu juist dat andere nodig, om zich te ontwikkelen, om verder te komen, ja zelfs, om over haar grenzen te gaan. Wanneer ik me aanpas en niet mijn eigen stem laat horen, krijgen we wel een eenheid. Tegelijkertijd beperkt het zowel mijn mogelijkheden – ik doe niet wat ik kan – als de mogelijkheden van groep om van alle beschikbare mogelijkheden gebruik te maken. Nou heb ik daar persoonlijk niet veel last van, maar ik merk wel hoe sterk de druk is om te conformeren. We zien het terug bij het verbreken van de relatie.

De relatie met de grens
Grenzen zijn noodzakelijk om een relatie te vormen. Of eigenlijk, ze roepen elkaar op. De relatie, de verbinding, bepaalt de grens en de grenzen bepalen de relatie. Ze horen bij elkaar, zoals liefde en een huwelijk. Wanneer we trouwen, stellen we elkaar een grens. De man is dan geen echte “man” meer, onder meer gesymboliseerd door de vrijgezellennacht. Deze grens schept spanning, want relaties zijn altijd open en meervoudig. “Een huwelijk maakt je niet blind”, zei eens een goede vriendin van me. Deze spanning kan je zien als een beperking. En deze spanning kan je ook ervaren als mogelijkheden.

Relatie, verbinding of overeenkomst, en grens, scheiding of verschil, zijn twee verschillende logische types. Hieruit ontstaat het hele fenomeen van groepen, hun grenzen en problemen. Wanneer we een grens overgaan, verbreken we dan ook de relatie? Verlaten we dan ook de groep? We hebben het dan over fight/flight, vluchten of vechten. Moeten we vechten voor onze relatie, of door scheiden, vluchten? En hoe zit dat dan met een “vechtscheiding”. Dit dilemma komt dus rechtstreeks voort uit het fenomeen van (be)grenzen. Hier komt de hele groepsdynamiek vandaan, die ons steeds nieuwe grenzen en steeds andere perspectieven biedt.

Het verlaten van een groep, versterkt paradoxaal genoeg de cohesie binnen een groep. Zo zullen zowel vrouwengroepen als mannengroepen meer cohesie ervaren uit een echtscheiding. En zelfs een huwelijk zal zich gesterkt voelen door een scheiding van een ander. Tegelijkertijd benadrukt een scheiding de band. “Ik ben meer bezig met mijn ex, dan met mijn huidige partner”.

De paradox wordt wellicht duidelijker vanuit het ontstaan van een onderbreking in de grens of de patronen. Een doorbraak of innovatie is nodig, wanneer er iets ontbreekt. Er “ontbreekt” iets of iemand. Ontbreken betekent letterlijk “beginnen (=ont) te breken”. Het is dus geen ontkenning in de letterlijk zin, geen “niet” of “on”, want dan noemen we het onbreekbaar. Een ontmoeting is dus ook het begin van een “meeting” en niet de ontkenning van moeten. Het is een ont(!)kenning in de figuurlijke zin. Meer een vorm van ontwaken, bekend worden van een “opening”. Hier is een interventie nodig, die heel veel groepen lastig vinden om uit zich zelf te doen. De groep of organisatie streeft nu eenmaal naar continuïteit.

Faciliteren begrenzen
Faciliteren betekent verbinding maken. (In het woord “gemakkelijk”, het Franse “facile“, staat ook het woord maken centraal). Een verbinding verbindt gescheiden entiteiten. Verbinden gaat over grenzen. Met groepsfaciliteren doen we interventies in groepen. De facilitator stelt een vraag of onderbreekt een spreker. Hij of zij begeleidt een discussie, gesprek of dialoog door “ertussen te komen”. Soms met het brutale “mag ik u even onderbreken?”. Hier spreekt de paradox. Aan de ene kant komen we ergens tussen, stellen facilitators een grens, terwijl we aan de andere kant verbinden we. Faciliteren is een dubbelzinnig beroep. Ik bedenk het nu pas.

Facilitators maken en maken gebruik van grenzen. We richten de ruimte in, bepalen de agenda en de volgorde. We stellen vragen en interveniëren, al dan niet actief. Daarbij, zorgen we ook voor verbindingen. Door in een kring te gaan zitten, te vertragen wanneer mensen dreigen af te haken. We vragen door, vatten samen. We geven opdracht om in kleinere groepen te werken – scheiden -, ook omdat dat makkelijker praat.

Facilitators gebruiken de grenzen, ze zoeken ze op. Met de opdrachtgever, de probleemeigenaar en de deelnemers zoeken we binnen de ruimte naar de zwakke plekken in de grens. Waar gaat het eigenlijk over? Wat mag er niet gezegd worden? Hoe ziet de olifant in de kamer eruit? Dit gebeurt vaak al voor de bijeenkomst en soms na afloop. En soms niet.

We wachten op de mogelijkheid om te interveniëren, over de grenzen heen te gaan, het onbespreekbare bespreekbaar te maken en zo een doorbraak te forceren. Want, zoals prof Homan ook aangeeft in het voorwoord van Faciliteren zonder Omwegen, een facilitator breekt patronen, intervenieert. Groepen lopen altijd tegen hun grenzen aan en zijn vrijwel niet instaat hun eigen systemen en werkwijzes zelf te doorbreken. Ze kunnen wachten op oorzaken van buitenaf, of van binnenuit zoeken naar een oplossing. En er is een derde mogelijkheid: het vragen van een facilitator.

Hier doet het fenomeen zich voor, dat een facilitator niet bij de te faciliteren groep hoort. Hij of zij is een buitenstaander, soms van binnen dezelfde organisatie, soms een externe professional. Daar vraagt de situatie om (zie de check list in Faciliteren zonder Omwegen). De facilitator loodst een groep door voor haar onbekende wateren naar een oplossing. Laura ten Ham noemt dat in haar beschouwingen in onze boeken, niet voor niets “het elixer”, dat is een ander woord voor “oplossing”. Die bevrijding, de doorbraak of – heel neutraal – innovatie is tegelijkertijd iets wat de groep zelf moet doen. Een groep dient zich zelf te bevrijden.

Tegenspraak
Grenzeloos faciliteren is dus een oxymoron, twee woorden die elkaar letterlijk tegenspreken. Dat vormt ook de essentie van faciliteren: omgaan met tegenspraak. Inspraak, uitspraak, samenspraak. De grenzen scheppen de dynamiek die we nodig hebben om ons te ontwikkelen. En gelukkig houdt het ook in, dat er nooit een einde zal komen aan faciliteren. Op die manier is het toch fijn “grenzeloos faciliteren”.

Niets bestaat zonder grenzen; alles heeft grenzen, komt tot een einde. Deze letters kan je alleen lezen, omdat ze grenzen hebben. Alle gedachten zijn eindig, punt. Iedere groep of organisatie kan alleen bestaan door het trekken van grenzen, alleen (!) staan we er niet bij stil. Zelfs de oneindige liefde kan alleen als eindig ervaren worden. Tenzij je op de grens blijft, maar dat is maar weinigen gegeven. Daar ga ik het een andere keer over hebben. U bent aan het eind van dit verhaal.

PS.
Heel vaak denkt mensen dat paradoxen een gevolg van denken of taal is, of dat het een vorm van onbegrip is. Dat er een uitleg of begrip mogelijk is, waardoor een paradox verdwijnt. Die zijn er, een soort uitleg of een model; met dien verstande, dat elke uitleg weer een nieuwe paradox oproept. Paradoxen roepen elkaar op. Varela wijst er op dat iedere paradox een “emergent” fenomeen inhoudt. “Leven” en ook “taal” lijkt mij daarvan de meest in het oog springende.

Taal maakt het mogelijk om over paradoxen te spreken, maar kan ze niet oplossen. Het lijkt mij dat taal ook zo’n manier van oplossen van een paradox is, de paradoxen van Expressie of “Speaking”, zoals Smith en Berg ze noemen. Taal ontstaat uit de paradoxale spanningen, ontspant even, lijkt een opening in de grens te bieden. Sommigen menen dat we ons moeten beroepen op de letterlijke betekenis van het woord. Maar een woord in een taal die we niet begrijpen? Dan blijkt ook taal haar grenzen te hebben, zoals Wittgenstein al inzag. Taal dient noodzakelijkerwijs de illusie van begrip te behouden.

Juist omdat paradoxen samenhangen met grenzen en we ons vrijwel altijd aan één kant van een grens bevinden, lijkt het alsof er maar één kant aan de zaak zit. Wetenschap tracht paradoxen uit te bannen, maar komt niet verder dan te doen alsof er geen paradoxen meer zijn. Er bestaan ook overzichtelijke niet-talige paradoxen, zoals een aantal van de plaatjes van Escher, muziek van bijvoorbeeld Bach of de smaak van ketchup.

Power of money talking

synchroniciteitIn Systems Thinking, Denis raised the question: “What would happen if we lived in a global environment where capital accumulation would be limited?“. It is an interesting debate. Let’s look at it from a phenomenological perspective.

Limit capital?
I need to take the discussion in a different direction. Capital (money) is power. It is not about the absolute; it about the differences. A power struggle is also a conflict over different values, that’s why Denis started with “social acts are behaviour“. That’s why we’re talking about the capitalist VALUE system. Power is an emergent property, emerging from the paradoxes of expressing, speaking. We say: “money talks”. (By the way, money used to be printed, using a printing press).

There is no fair solution to a distribution problem, not with Systems Thinking, never. Fundamentally unsolvable. The only reasonable thing, is to look at the power struggle, and create countervailing powers. One of the problems, off course, is that power also means “controlling the meaning”. Power will always tend to say that it is “good” and trying to reduce it is “bad”. Power corrupts and absolute power corrupt absolutely.

Using directing constellations
As it happens – nothing is a coincidence, and not even that – yesterday I facilitated a session on social change in The Netherlands, using constellations (I’ve developed something called “directing constellations, where a (scene) director, moves the elements around).

“Money walks”
We had, on one line, the element “citizens” (together with “equivalence” and “self”) with “money”. “Money” was represented by a person and slowly detached itself from the rest. “I do not trust the ‘citizens’ to be responsible”, it said, “therefore I have to distance myself”. In between the citizens and the money was – you’ve guessed – “government” and “taxation”. We saw how “money” circled through the system, from “citizens”, “taxation”, to “subsidies” and “payments”, back to “citizens”. But soon “money” started to move away again. There was “injustice” in the system. Which I added.

Now, the issue became a discussion between (elected, by the citizens) “government” and (tax paying) “citizens”, when we moved “equivalence” to “government”. “equivalence” became very controlling of “citizens”, it started to strive for “equality“, even unfairly!. “citizens” criticized their government for not maintaining an equal balance (equivalence) between “taxation” and “money”. “Money” was not being taxed.

And this is true: we have VAT and taxes on labour, but hardly any taxes on (large amounts of) money and capital (like machines, buildings, land). And the flow of money. They have been abolished for “freeing up” the market and capital. The interesting thing was, that “money” said, this was fair, because “citizens” are not responsibly spending “money”. For if they would, the would have been rich too. Which is clearly a fallacy. It is the old: “the poor are to blame for their own poorness, because otherwise, they would be rich too”.

Then something interesting entered: a new element appeared (it sometimes does), “intention”. “Intention” said that we had lost her, “intention” of the system. We ended the constellation by asking the elements to state “intention” of the system. From it, we derived the background of the situation: “in what ways can we ourselves attain equivalence?”

2nd Professional Facilitator

Hoe Faciliteren als Tweede Beroep ook te gebruikenMy first book is named: “Facilitation as a Second Vocation“. Professing comes from “to speak forth”, “having declared publicly and freely”, “making a vow”, to use one’s voice. I used “second vocation” or “second profession” for different reasons.

Paradoxes of Expression
1. because of this paradox: facilitators work with the paradoxes of “speaking”, “expressing”. It takes courage to speak in a group, because of its pressure. We enable participants to speak; all our speaking is aimed at this. The second voice or violin.

Success breeds disaster
2. nobody was born a facilitator. We all started out in a field of expertise, were we became “professional”, proficient. This is were our competencies are best applied. Here we had success. This (early) success however – it is the voyage of the hero – is nice and fine, but the beginning of a decline. We’re asked to develop a second profession, based on our “weak” competencies.

3. there has been, for over 10 years, a very good Dutch book called “Consulting as a Second Vocation”.

4. We organized a facilitators conference with this title. It emerged from a brain storm.

Ambiguity and doubt
In my opinion, there is something “double” with the profession of facilitating: everybody facilitates. In the same way as everybody communicates. I’m having a conversation with the IAF, as they tend to “brand” the professional facilitator, CPF. I’m not against certification – I’ve introduced in The Netherlands myself -, I just don’t agree with the current view that a certificate says something different than “I’ve got a certificate”. When the certificate (also true with quality certification, like ISO 9000) becomes more important than the relationship, you’ve migrated from professionalism to professionality –> it has become “a nation”, a group. You’ve created two groups: “the professionals” and the “not so professionals”. This is not the nature of facilitation.

to CPF or not to CPF
When a client ask me if I’m certified (I am), I first ask him (mostly him) what he requires of me. If he is uncertain about the fact that I’m professional and he wants to be sure through a certificate, then this is the issue: “what makes you uncertain, that requires me to have a certificate?”. The professionalism is in this: being able to question your own doubts. I know that everybody will become a “professional facilitator”. But that’s another story.

Powerpoint

Van alle paradoxen is de paradox van macht – power – voor facilitators de meest belangrijke. Het gaat namelijk om je zelf “uitdrukken” – expression -, (voor jezelf) te spreken. Daarom noemde MicroSoft, onbewust wellicht, haar presentatie applicatie “powerpoint“: met kracht een punt drukken.

Onder deze paradox vallen

  1. Autoriteit, het proces waarin je al dan niet door de groep geautoriseerd wordt
  2. Afhankelijkheid, het proces waarin je je (on)afhankelijk kunt opstellen
  3. Creativiteit, het proces waarmee (nieuwe) resultaten tot stand komen
  4. Moed, het vermogen om te spreken, tegen de druk van de groep in

De paradox heeft natuurlijk één op één te maken met leiderschap. Iedereen heeft geleerd dat een leider autoriteit moet uitstralen, onafhankelijk de afhankelijkheid van de groep accepteert en uitleg moet geven dat de destructie van de anderen of de andere groep eigenlijk het scheppen van een nieuwe toekomst inhoudt. Sterker nog, dat het zijn (meestal zijn) plicht is om dat te doen. Poetin liet daar op 18 maart jongstleden een onvervalst staaltje van zien. Zijn frame, vanaf het binnenkomen tot en met zijn vertrek, perfect voorbeeld van omgaan met macht, vanuit het “linker” perspectief. Het zou een mooie show zijn geweest, wanneer het niet zo serieus bedoeld is.

Het leiderschap van de facilitator, de begeleider, staat daar diametraal tegenover. De autoriteit ligt bij de groep, de deelnemers. Zij dienen te kiezen. Als facilitator scheppen we zowel keuzes als de vrijheid om te kiezen EN om het met elkaar oneens te zijn. Afhankelijkheid maakt hier geen éénheid, maar juist diversiteit. Daarbij scheppen we een sfeer waarin niet alleen de creatieve, mooie, kant van de groep naar voren komt, maar ook de destructieve, negatieve kant, gezien wordt. En we moedigen de deelnemers aan om te spreken, te tekenen, mee te doen. Het resultaat, tenslotte, is niet een mooie show, maar “het samen meemaken”. Zo werd het gisteren in een workshop over project professionals en faciliteren gezegd: “het gaat bij faciliteren om het mee maken”. Bij faciliteren gaat het om het perspectief van de “rechter” kant.

Mijn Punt, opnieuw: de dubbelzinnigheden van taal en woorden wijzen de weg.

Vereenzelvigen

Judith de Bruijn bespreekt op Facebook intro- en extraversie. Uiteindelijk komen we op een gesprek over “zelf”. “Zelf” – het woordgebruik – lijkt me een reïficatie, het maken tot een ding van een proces. Het bijbehorende proces heet “vereenzelvigen”. Om de wereld om ons heen (UoD, Universe of Discourse) en ons -spatie- zelf(!) te leren kennen, hebben we geleerd onszelf(!), geen spatie, te vereenzelvigen. Het werk – denk ik dan – heeft te maken met het kunnen vereenzelvigen met “ander” – ook weer een reïficatie, dus eigenlijk het “veranderen.

De levenshouding – extravert en introvert, maar niet tegelijkertijd – duidt aan hoe dit proces verloopt. Van buiten naar binnen (= openstaan voor de energie van buiten) en van binnen naar buiten ( = de eigen innerlijke energie aanwenden). Ik volg hierbij de opvatting van de MBTI en Jung, dat het hier gaat om een levenshouding, waar je je energie vandaan haalt en niet over je gedrag. Er bestaan mensen met een voorkeur voor introversie, die heel goed in groepen functioneren.

Opvattingen over werkelijkheidsopvattingen

Verschillende opvattingenOpvattingen over werkelijkheidsopvattingen zijn – het woord zegt het al – opvattingen. Soms maken mensen bezwaren tegen de term “opvatting”. Bijvoorbeeld omdat opvattingen kunnen veranderen, terwijl ons karakter toch min of meer vast ligt. We bestaan niet buiten onze opvattingen. We kunnen maar heel even buiten onze eigen kader denken, voelen of doen.

Vrij naar Grouch Marx: “dit zijn mijn opvattingen. bevallen ze u niet, ik heb andere.

Will gebruikt de term “perceptions”, perceptie, waarneming, gewaarwordingen. Zoals meestal, hebben Ceciel en ik heel lang overlegd over deze termen. Voor mij is allereerste belangrijk dat de term niet het begrip is. In een restaurant eten we ook niet het menu en gaan we klagen dat de biefstuk (of de vegetarische lasagne) zo droog smaakt. Mijn opvatting over opvattingen is een opvatting, die bij mij past. En die kan veranderen, mag veranderen en verandert, afhankelijk van de context. Het gaat me eerder om “hoe het werkt” dan om de beste term. Een beetje twijfel mag.

Mijn voorkeur voor opvattingen heeft te maken met het concrete (“rood”) aspect ervan, wat ik mis in “perceptie”. Het woord “capere”, komt er wel in terug: “vatten”. Hierdoor verwijst het woord impliciet ook naar “begrijpen”, vat je, de concrete aanleiding voor onze opvattingen, de noodzaak, het nut of de wil om te begrijpen.

Een derde aspect heeft te maken met veranderen: Veranderen houdt in het veranderen van opvattingen; dat is wat William James noemt het veranderen van (denk)gewoontes en daardoor je karakter vormen. James raadt aan om regelmatig te oefenen met het veranderen van gewoontes, daar een gewoonte van te maken. Want een gewoonte is handig, maar geen attribuut van de werkelijkheid. Een andere term daarvoor is tweede orde leren.

Dat brengt me bij het andere deel van het woord: “werkelijkheid”. bestaat er een werkelijkheid buiten mijn opvattingen? Ja. Die gebruik ik namelijk om mijn opvatting te testen. Opvattingen die voor mij werken, die voor mij de test doorstaan, die hou ik bij voorkeur. Daar houd ik me aan vast, daar hou ik van. De werkelijkheid is wat werkt. Vervolgens hebben we de neiging om anderen te overtuigen van onze opvattingen – ze werken immers – en komen we in de problemen. Want voor iemand anders werken andere opvattingen soms beter, die houden zich aan iets anders vast. Het is voor veel mensen lastig om te vatten, dat dat niet betekent dat de opvattingen niet deugen, of erger, dat de ander niet deugt. Daar ga ik in een andere bijdrage dieper op in.

Ik ben het ook eens met het idee dat de belevingswerelden “hard wired” zijn, maar tegelijkertijd zijn mensen plastisch. We kunnen – weliswaar met enige inspanning en vaak niet van harte – anders denken, voelen en doen dan onze bedrading ons doet denken voelen en doen; en, met nog meer inspanning, onze bedrading wijzigen. Dat zijn de paradoxen van expressie: autoriteit, afhankelijkheid, creativiteit en moed. Daarmee zijn het ook de paradoxen van leiderschap. Vandaar dat leiderschap geassocieerd wordt met autoriteit, dat mensen neigen tot afhankelijkheid van een leider, dat een leider nieuwe oplossingen brengt – hier is de link met innovatie – en de moed heeft om te veranderen wat moet veranderen.

Ik zelf zou management beperken tot de blauw-rode wijze van leiderschap: concrete situaties oplossen door het toepassen van (management)theorieën – volgens het boekje. Eventueel met “people management” of “human resource management”: “blauw – groen”. Management consultancy bestaat dan uit “blauw – geel”: het ontwikkelen en voorschrijven van (nieuwe) modellen en systemen.