Archive for zelf

Facilitators voegen waarde toe

“Facilitators kosten gewoon te veel”
Als ik een taal spreek, is het Watzlwickiaans – pragmatisch. De meeting industrie gaat over geld verdienen. Iemand die iets anders beweert, is dom, verkeerd ingelicht of begrijpt heel goed hoe het werkt.

Facilitators inhuren lijkt niet noodzakelijk en gaat dus ten koste van de winst. Dat het niet noodzakelijk lijkt, komt door het vrijwel universele gebruik van een metafoor over communicatie die gemakkelijk werkt, maar te eenvoudig en eenzijdig is: de “conduit metaphor” ofwel de “leidingsmetafoor”. Deze metafoor valt samen met het fenomeen van leiding geven als mensen vertellen wat te doen. Communicatie is een vorm van zenden, in deze metafoor. Facilitator hanteren niet alleen een andere taal (klik op deze link voor meer onderzoek). Faciliteren gebruikt impliciet een andere metafoor voor communiceren: de “gereedschapsmakersmetafoor“. In deze metafoor – kader of frame – bestaat communiceren uit conversaties, appriciative inquiry, dialoog en “stilte”. Leiding geven houdt dan in het overgeven van de leiding en het beheren van het kanaal. En dat gereedschap bestaat zowel uit taal (inclusief beeldtaal) als uit houding, toon en lichaamstaal. Maar eerst gaan we naar Helsinki.

Het “Helsinki principe” in Helsinki
Ik ben naar Helsinki gegaan, om op een wetenschappelijk congres de inleiders te begeleiden in workshops in plaats van presentaties. De feedback is bijzonder positief, door inleiders, chairs en deelnemers. Toch zullen we niet opnieuw uitgenodigd worden. Te duur. Ik herken het dilemma van onze klant. Hoe kan ik de noodzaak om geld uit te geven aan een facilitator verantwoorden? Er waren 2 technici aanwezig en zeker 3 “stand by”, en 4 hostesses bij een meeting die ik faciliteerde. En ik erbij is te duur. Ondanks dat zowel de presentatoren als de deelnemers zeer tevreden waren over mijn ondersteuning. Wat maakt, dat het investeren in huur van ruimte, meubilair, licht, geluid en technici wel verantwoord kan worden en begeleiding door facilitators van sprekers en deelnemers niet? Waarom menen we, dat we kennis kunnen overdragen door te zenden, te presenteren?

Dat komt door een impliciete aanname over waar betekenis huist. We zijn getraind – ik niet, ik heb die les gemist -, in het idee, dat betekenis in woorden (of beelden) zit. We verwarren het middel (medium) met het doel (message). Het betekent, dat betekenissen volgen uit relaties. We gebruiken niet voor niets het woord kennis voor kennis en kennissen.

We hanteren een impliciete aanname of afspraak dat de betekenis van wat we zeggen in de woorden en beelden zit die we zenden / ontvangen. De betekenis zoals die begrepen wordt, is de betekenis als bedoeld door de zender. Dit impliciete principe heet in de ICT – ik verzin het niet – Het Helsinki Principe: de betekenis van een boodschap volgt uit het correct gebruiken van de juiste taal, uit grammaticale en semantische regels. Een boodschap heeft maar één betekenis. Wanneer die niet begrepen wordt, komt dat door “ruis” in het kanaal, zie het plaatje verderop.

Het gaat er dan in communicatie om, om de ruis te verminderen, door het geluid te versterken, de zaal goed in te richten of van beelden te voorzien. Dat maakt tevens de ontvanger lui en dom. De zender moet het maar beter uitleggen en wanneer hij of zij het zelfs na 10 keer uitleggen niet begrijpt, laat maar. Het verklaart, waarom er maar zo weinig mensen reageren op conferenties: alleen zij, die het al begrijpen. Het verklaart waarom politici zenden, verzenden en herzenden.

Veel opdrachtgevers menen impliciet, dat facilitators de ruis van hun boodschap zullen verminderen en daarmee de weerstand. Ik hoor dan formuleringen als: “de boodschap verduidelijken” (alsof de duiding in de boodschap zit), “de neuzen dezelfde richting op” (kenmerkend voor het stromen door een kanaal) of “het verminderen van weerstand …” (een vorm van “ruis”). Dat leidt overigens ook tot een gevoel van onbekwaamheid bij de opdrachtgever, wat we tijdens de intake dienen te bespreken – maar dat is een ander verhaal.

Dit principe volgt uit het vrijwel universeel hanteren van de “conduit metaphor” of wel de “leidingsmetafoor” als metafoor voor het proces van communiceren. Ik noem het ook wel reïficeren, het tot een ding maken van een proces. Zoals we communiceren, vertrouwen, organiseren (en) vertalen in communicatie, het vertrouwen, de organisatie en vertaling.

De aannames zijn:

  • Concepten, gedachten, gevoelens en betekenissen zijn als objecten, dingen.
  • Woorden en zinnen zijn containers, die betekenis bevatten
  • Communiceren bestaat uit zenden en ontvangen van containers
  • Communicatie (let op het zelfstandig naamwoord) is ook een ding

Pragmatisch betekent relaties
Watzlawickiaans gaat uit van de pragmatische aspecten van menselijke communicatie: betekenis volgt uit relaties in conversatie. Dat houdt in, dat betekenis volgt uit gedrag en niet uit woorden of beelden. We gebruiken ze wel voor de overdracht, maar alleen in overdrachtelijke zin. “Metafoor” betekent ook niet voor niets letterlijk “over-dragen“. Meta betekent over en foor komt van *bher-, de stam van dragen, in het Engels, to bear. Alle gedrag (! let op dat woord) draagt over, is communicatie en alle communicatie is gedrag. Alles – ook elk woord – kan dubbelzinnig dubbelzinnig gebruikt worden.

Betekenis zit in jou, jij betekent! Betekenis huist in mensen, in onze hoofden en lichamen. Betekenis noemen we daarom “embodied“. Het hebben van betekenis, werkt anders dan het hebben van een auto. Je auto kan je uitlenen, de betekenis van je auto niet. Daarom hebben we een auto ook als een statussymbool, de betekenis van de auto, voor jou. Woorden kunnen we geven, betekenissen niet. Die betekenis volgt uit de relaties, zoals de status van de auto volgt uit onze onderlinge relaties. Ik rij zelf Peugeot, dus dan weet je het wel.

Uit onderzoek (van Michael Reddy – inMetaphor and Thought – Ortony, A. (ed)), blijkt, dat we meer en meer van de “leidingsmetafoor” gebruik maken – meer dan 70% van de communicatie in de jaren ’90 – en steeds minder van de “toolmaker metaphor” – zie plaatje. Een gevolg van het gebruiken van techniek, machines en computers.

De “gereedschapsmakersmetafoor”, gaat uit van het samenstellen van een boodschap uit de beschikbare materialen en deze overbrengen aan een ander. Dat materiaal kan van alles zijn: woorden, natuurlijk, maar ook beelden, intenties, opvattingen. Alles is materiaal. Je kan het vergelijken met twee kinderen, die in een zandbak zitten en zandvormpjes uitwisselen en versieren. De ontvanger vergelijkt het aangebodene met de daar beschikbare materialen. Uit de conversaties (letterlijk, “omzetten”) leiden we inzicht, betekenis, kennis af.

De leidingsmetafoor is efficiënt, meetbaar, effectief in eenvoudige situaties, schaalbaar en zo algemeen, dat we bijna niet meer weten, dat het ook anders kan. Bovendien heeft ze als voordeel, dat de beheersing bij de zender blijft. Deze “klassieke” benadering wordt dan opgedrongen aan de “innovatieve” benadering. “Waarom kan faciliteren niet meer zijn zoals “zenden en ontvangen”?“, zo vraagt men zich af, vanuit het perspectief van de leidingsmetafoor. Ik denk dan aan het verschil tussen een ambachtelijk product en een fabrieksproduct. Misschien zit daar een aanknopingspunt: faciliteren levert een ambachtelijk product – kunst – en geen industrieel te reproduceren kitsch.

Wat zijn de kosten van falen?
De meeting industrie, denk ik dan, verwart de boodschap van interactie – daar ben ik het mee eens – met het overbrengen door te zenden – dat tracht ik te vermijden. Je kan het zien, in deelnemers die zich tijdens presentaties geheel anders gedragen, dan tijdens de pauzes. En dat dat verschil niet besproken wordt, maakt het geheel zelfsluitend. De leidingsmetafoor leidt noodzakelijkerwijs tot een “double bind“. Deelnemers van de gefaciliteerde sessies zijn (doorgaans) buitengewoon tevreden; de klant, in de vorm van de ondersteunde mens, ook. De opdrachtgever twijfelt, was het de prijs waard? Blijven we wel binnen budget?

De “leidingsmetafoor” werkt, werkt goed. Maar dan ook uitsluitend in bekende situaties. Op onbekend terrein – ik denk dan aan innovatie, vluchtelingenproblematiek, financiële crisis, politiek, “genderissues”, veiligheid en ga zo door -, werkt de metafoor eerder tegen ons, dan met ons. De leidingsmetafoor werkt naar bekende oplossingen voor bekende problemen. We kijken dan alleen naar de kosten voor het behalen van een bekend resultaat, zoals we een voorwerp kopen aan een kraampje. De “leidingsmetafoor” is door haar aard fragiel. Kleine, bekende verstoringen kan ze aan. Maar kleine verstoringen die tot resonanties leiden of tot een hyperkritische situatie, kan ze niet aan. Eén vergissing kan alle besparingen bereikt door de “leidingsmetafoor” te niet doen. En meer dan dat. Dat komt overigens niet door de metafoor zelf natuurlijker, maar door de gebruiker, door ons gebruik van deze gebruikelijke metafoor.

Faciliteren gebruikt noodzakelijkerwijs de “toolmaker metaphor”: het gaat om relaties, interacties, ontdekken en uitvinden, fouten maken en leren. Facilitator werken als gereedschapsmakers. Facilitators verzamelen tools, methoden en technieken. Maar daar gaat het ons niet om. Het gaat om het toepassen. Faciliteren leert van fouten en is daardoor antifragiel. Faciliteren werkt versterkend. Aan een van mijn leraren – Louis de Swaaf – vroeg ik: “welk doel heeft de facilitator?”. “Het sterker maken van de klant”, was zijn onmiddellijke antwoord. Je investeert in mensen, in elkaar, door het laten faciliteren van een bijeenkomst

In de toekomstige wereld, kan u, de inleider, voorzitter of presentator uw eigen proces faciliteren. Het koste zoveel tijd en moeite om een expert op te leiden, dat we geen tijd en geld konden besteden aan het leren overdragen van zijn of haar expertise. We doen alsof de expertise verworven is door middel van de leidingsmetafoor. Het heet “opleiding”. Voor faciliteren bestaat geen opleiding. Iedereen leert het in de praktijk. We leren experts te faciliteren in hun praktijk. [reclameblokje voor Kunstmest XP; Faciliteren voor eXPerts]. Tot het zover, zullen we moeten investeren in het faciliteren van bijeenkomsten. Of anders veel geld efficiënt weggooien aan ineffectieve bijeenkomsten, kennisoverdracht en technische oplossingen. Penny wise, pound foolish.

Investeren in kennissen
Faciliteren biedt geen kant-en-klare formules. We werken met recepten in plaats van voorschriften, we improviseren op basis van ons programma. Faciliteren houdt ook opvoeding in. Faciliteren levert meer op, naar mate de klant beter begrijpt, dat hij of zij het belangrijkste ingrediënt vormt. Faciliteren betekent het maken van verbindingen, relaties, netwerken. Faciliteren voegt waarde toe door te investeren in kennis in relaties, in kennissen.

Lachen als dialoogprincipe

IMG_5167In een recent door mij begeleidde dialoog, vroeg ik na afloop aan de deelnemers om de dialoogprincipes te noemen. (Ik ga ervan uit, dat wanneer er principes zijn, ze niet verteld hoeven te worden, want “in principe” moeten we ze al kennen. Hier staan de officiële principes, op een bericht van Judith de Bruijn.). Daarbij kwam ook “humor” ter sprake als dialoogprincipe. Als één van de laatste en ook pas nadat ik de uitspraak “er zijn geen anderen, alleen mensen” drie keer herhaald had. Dat gaf aanleiding tot veel (opluchtend) gelach (vooral omdat ik verder ging met de opmerking “Andere?“). Uit een parallel gevoerde dialoog door een collega, was “humor” ook naar voren gekomen (dus N=2). Dat gaf mij weer aanleiding om een en ander nader te onderzoeken. Waarom staat lachen niet op één bij dialoogprincipes Waarom zo serieus?

Lachen heeft een aantal functies: lachen bevrijdt en verbindt. Lachen is daarmee een manifestatie van een paradoxale situatie.
Lachen ontspant, omdat het ons (even) bevrijdt van de paradoxale tegenstellingen (in dit geval onder meer binnen (ons departement) – buiten (de burgers), debat – dialoog, probleem – oplossing, vertrouwen – wantrouwen, …). De spanningen komen los. Merkwaardig genoeg, zonder dat er een “oplossing” bestaat.

Lachen verbindt, omdat dat de functie van lachen is. Uit onderzoek naar humor is gebleken, dat de meeste mensen helemaal niet lachen om wat er gezegd wordt. Onderzoekers constateerden tot hun verbazing, dat het meeste waarom gelachen wordt, gewoon niet grappig is. Ze/we lachen om aan te geven dat ze/we erbij (willen) horen. Door te lachen geef je bijvoorbeeld aan, dat je de ander gehoord hebt, waardeert, ziet. En een ander geeft je, door te lachen aan, dat jij gehoord bent.

Lachen kan je zien als “elixer*” (in termen van het verhaal van de held), waarmee “held” beter terugkeert in de realiteit, de gemeenschap, eigenlijk zonder dat er iets concreet is opgelost. Het is meer opluchting dan oplossing. Lachen, denk ik dan, is heilige graal van dialoog. Immers, niemand houdt van een serieus gesprek, toch?

Tegelijkertijd is lachen ook paradoxaal, omdat het wel spontaan moet komen (of is het gaan?). Je mag er eigenlijk niet op aansturen. Als facilitator, moet je soms de spanning opbouwen, kunnen uithouden. Hopen dat de lach komt, en zelfs dat niet.

Ik weet nog, dat ik jaren geleden als projectleider in een bijzonder beladen vergadering zat met twee directies tijdens een zware reorganisatie. Ik maakte een opmerking, waarop mijn directeur vroeg: “Meneer Lelie, bedoelt u dat serieus of als grapje?”.
Waarop ik zei: “Dat weet ik nog niet, dat bepaal ik pas achteraf”.
Een collega zei toen: “Dat is het. Zo werkt jij nou altijd!”.

O ja, ik spit altijd wat door. Dus ik heb de deelnemers ook gevraagd, wat ze verstaan onder “humor”. Er werd gezegd, “niet het masker (laten zien), relativeringsvermogen.” Dat zegt het opnieuw. Vooral dat laatste woord, waarin we “relatie” terug zien. Ons vermogen te relativeren bouwt relaties. Zo tonen we onszelf in lachen.

*) ik gebruik geen lidwoord, wanneer ik een archetype aanduid. Het is niet “het elixer” of “de oplossing”, maar elixer of oplossing. Merk overigens op, dat “oplossen” wel heel erg klinkt als “verlossen” en “bevrijden”. “Humor ist es, wenn man trotzdem lacht.”

Vertrouw je autoriteit

cropped-vazeqeurez-2.jpgConnie vroeg me wat er paradoxaal is aan “vertrouwen” en “autoriteit”.

Vertrouw het vertrouwen. De paradox is: “vertrouwen is goed, controle is beter“. Ik heb me daar altijd tegen verzet: controle versterkt het wantrouwen. We zeggen natuurlijk, dat dat niet het geval is, maar het voelt echt anders. Bij elke controle merk je, dat je niet vertrouwd wordt. Wat is anders het nut van controle? De controleur kan alleen maar zijn nut bewijzen door wantrouwen aan te tonen. De poortjes bij de NS zijn een perfect voorbeeld daarvan. De NS en de politiek – autoriteiten – MOETEN wel mensen vinden die erover heen springen, want anders is het “weggegooid geld”. Wat het overigens is.

De “double bind” is: “wanneer je te vertrouwen bent, hoef je ook niets te vrezen”. En wie wil er nu in angst leven? Wanneer we elkaar vertrouwen, is controle niet nodig. En leven we zonder angst. Maar hoe weten we dat we elkaar kunnen vertrouwen? Door te controleren. Maar als we wat te controleren hebben, is er blijkbaar grond voor wantrouwen? …. Dit is de oneindige regressie, het kenmerk van een paradox. In wezen is het leven zelf onbetrouwbaar. Je gaat er aan dood. Hoe kunnen we dan nog leven vertrouwen?

Vertrouwen is zowel een proces (ontwikkelen van vertrouwen) als een toestand (het vertrouwen). Je kan de toestand van vertrouwen alleen bereiken door die te ontwikkelen vanuit een toestand van wantrouwen, gebrek aan vertrouwen, onzekerheid, onveiligheid. Wat we meestal doen is het opbouwen van zekerheid door middel van controle. Dit heet ook wel “beheersing”. Uiteindelijk, kan je alleen op je zelf vertrouwen. En tegelijkertijd, kan je je zelf (jezelf?) niet vertrouwen (hoe weet je wat waar is? is leven geen illusie? wat als ik toch teleurgesteld wordt? Hoe verzeker ik me van geluk? # there’s someone in my head, but it isn’t me # (Pink Floyd)… ). Wanneer je jezelf vertrouwt, bevrijd je jezelf. Dat doorbreekt de beheersing en is een vorm van zelfbeheersing. De emergente kwaliteit van vertrouwen is vrijheid door middel van zelfbeheersing, een andere paradox. Zie hier “de wet van behoud van paradox” (= energie), de Eerste Hoofdwet van Groepsdynamica. In alle groepsprocessen is paradox behouden.

Let op trouwens: met trouwen gaan we een gelijkwaardige band aan, we worden in “de echt” verenigd. Waarin we elkaar zeggen te zullen blijven vertrouwen. Vandaar – denk ik dan – dat het schaduwwerk – omgaan met het complex in jezelf – in het huwelijk plaats vindt. Wie zei daar “vrijen”? Wanneer dit werk (!) niet goed gedaan wordt, ontstaat “van zelf” ontrouw en daarmee echt-scheiding. Die trouw, wordt ten overstaan van een autoriteit bevestigd: hier komt de andere paradox. Overigens, een bekend verhaal, hebben Rian en ik voor ons huwelijk de scheiding geregeld. Dat kan je dan maar beter doen, wanneer je elkaar vertrouwt …. .

Bevestig de Autoriteit is op dezelfde wijze zowel een proces – het proces van autorisatie – als een toestand. Het is vergelijkbaar met “quisque custos custodiet?“, wie zal de autoriteit autoriseren. We hebben daarvoor de Trias Politica, Politiek, Rechtspraak en Politie (!). Maar die zitten ook in een eeuwigdurende strijd over wie het laatste woord heeft: de rechter die de grondwet toetst, de politiek, die haar gezag aan het volk ontleent (zie de samenstelling van de Eerste Kamer 🙂 ) of de macht van de kracht? Uiteindelijk ligt de autoriteit bij G’d (geëxternaliseerd) en bij “volk” (geïnternaliseerd).

De autoriteit is altijd ook verwikkeld in een proces van (zelf-)autorisering. Een mooi voorbeeld daarvan is “Fuck de koning(in)“. Was z(h)ij een echte autoriteit, zou het bij de ondergeschikte niet opkomen om dat te zeggen. Tegelijkertijd, wanneer de autoriteit ertegen optreedt, wordt pas echt duidelijk dat deze autoriteit “nergens” op gebaseerd is. De dwang moet dus “in de wet” worden opgenomen. De wet is echter nutteloos, wanneer er geen overtredingen zijn… De nieuwe wet van Poetin is daarvan weer een kraakhelder voorbeeld: om de eenheid van de natie te beschermen, moeten we beschermd worden tegen de vrijheid om ons zelf te beschermen. En die kan natuurlijk alleen van buiten komen.

Vertrouw de autoriteit. Vandaar dat de paradox van autoriteit verwoven is met die van expressie en die van vertrouwen met verbinden, met “de ander”. De paradoxen zijn ook met elkaar verbonden, omdat Autoriteit “vanzelf” vertrouwd moet worden. Immers, wanneer dat niet het geval is, deugen zowel ondergeschikte als autoriteiten niet. Hier speelt “ouder”-positie versus “kind”-positie een rol. Wanneer kind tegen ouder in verzet komt, is het duidelijk, dat het kind nog geen “ouder” kan worden en terecht “tegen zichzelf beschermd moet worden”. Mooi voorbeeld is de alcoholwetgeving, waarbij de autoriteit van de wetenschap gebruikt, om aan te tonen dat wat al eeuwenlang goed werkt, drinken in je jeugd, niet werkt. Wie vertrouwt het oordeel van de wetenschap nu niet? Omgekeerd, zal ouder die nalaat kind te ontwikkelen autoriteit verliezen. “Volwassen” kunnen we dus zien als de autonome kwaliteit van de vertrouwde autoriteit EN de onvertrouwde onmacht.

Over trouwen trouwens: hoe kan autoriteit vaststellen (! let op de letterlijke betekenis) in hoeverre de twee elkaar vertrouwen en trouw zullen blijven? Dat moet wel aan een hogere macht, een super autoriteit worden toegewezen. Die G’d “is” de autonome kwaliteit van het verbond. Vandaar, waar we ook zijn, geroepen of niet, G’d is aanwezig.

De ene pool roept niet alleen de andere op, met elkaar roepen ze een nieuwe paradox op. Varela (Watzlawick (ed) “The Invented Reality“) wijst er op, dat elke paradox ook een emergente kwaliteit heeft, die zich uit in een “autonoom” fenomeen. Het enige wat ik eraan toevoeg, is dat dit autonome, zich zelfscheppende, fenomeen ook weer een paradox (of maar beter: paaradox) zal zijn. Vertrouwen “roept” ik en de ander op (en vice versa) en Autoriteit macht en onmacht. Hoe weet je dat ik te vertrouwen ben? Omdat ik autoriteit heeft. Deze roepen weer elkaar of andere paradoxen op, zoals elektrische stroom (plus en min) een magnetisch veld oproept (noord en zuid) en we met een stroom bijvoorbeeld een motor kunnen aandrijven, die beweging brengt (hier en daar) of een koelkast (warm – koud) mogelijk maakt … . Autonoom is in dat geval een interessant woord: “de eigen (auto) wet (nomos)”: alleen het stel zelf – het echte echtpaar – kan zich zelf trouwen. Maar dan wel eerst voor de wet en niet gaan samenhokken, want daar komt alleen maar ellende van …

Verder vroeg ze zich af: “Ik werk (tamelijk beperkt en simpel) met dat de ene pool de andere ‘oproept’. Daar zit dus weerstand en kun je ruzie krijgen.”

Maken van verschil, roept keuze op. Dit is precies – denk ik dan – waarom je het woord “werk” gebruikt: paradoxen “werken” en ook werken is paradoxaal, omdat we onderscheid maken tussen “nuttig” werk (echt werk) en onnut werk (of weerstand) en dat dit werk het echte werk is. In termen van Spinoza: G’d is het werkende werk, wat werkt “is” G’d, het werk zelf. G’d is ook het autonome fenomeen waaruit (en waarin) de werkelijkheid (!) is ontstaan en bestaat.

Bedankt voor de gedachte aan weerstand: dat is precies wat voorkomt dat de ene pool gelijk de andere opheft. De weerstand is noodzakelijk om de verschillen in stand te houden, lang genoeg om hun werk te doen. De kwalificatie “ruzie” heeft te maken met het autonome, emergente fenomeen dat weerstand “slecht” is. Zonder wrijving geen glans.

Het valt me in, dat wat in het Engels “realiteit” (Watzlawick (ed) “The Invented Reality”) genoemd wordt, in het Nederlands “werkelijkheid” heet. Dit zijn de twee aspecten van werkelijke werkelijkheid, reële realiteit. Wat werkt “is” de relatie. Daarmee schept deze werkelijkheid zich zelf. Onze taak is, dat te benoemen. Veel duidelijker kan ik het helaas niet maken.

Spiegels spiegelen jezelf

4 elementenOp een bijeenkomst van IPMA Nederland (International Project Management Association) en IAF Nederland, bespraken we verschillen modellen over gedragen teamwerk. Aan bod kwamen Belbin, Emergenetics, MBTI en Spiral Dynamics. In korte sessies van 20 minuten werden de kenmerken van de typologieën besproken. Aan het eind van de avond gaf ik een overzicht van de verschillen en overeenkomsten tussen de modellen. Het levendige gesprek is lastig te reproduceren. Een uitwerking van de presentatie staat hier:
Instrumenten van facilitators – interessegroep IPMA – v3

Modellen werken als een spiegel: we zien ons zelf er in, maar links en rechts zijn verwisseld. In de presentatie schets ik hoe alle modellen voort lijken te komen uit één grondmodel, een twee bij twee matrix. Daarbij heeft elk model een maker, ontwerper, bedenker of ontwikkelaar. Omdat we ons zelf in ons model zien, vertonen we de neiging om dubbelzinnige informatie uit te leggen als passend binnen ons model. Geen model past echter altijd en overal. Door verschillende modellen te kunnen hanteren, vergroten we ons vermogen om met situaties om te gaan, ten koste van de eenduidigheid.

De presentatie met bewegende beelden volgt later.

Grenzenloos faciliteren

cropped-hoofdstuk-1-verandereninwerkelijkheid-11.jpgDit is het thema van de facilitator conferentie 2015: “Grenzenloos Faciliteren“.

Samenvatting
Grenzen bepalen ons gedrag. Grenzen en relaties horen bij elkaar, als een echt-paar. We kunnen niet zonder en we kunnen niet met grenzen. En daaruit ontstaan de fenomenen van vechten/vluchten, veiligheid, schaarste en de vraag aan een facilitator, om ons daarvan te bevrijden. Jammer dat alleen een groep zichzelf kan bevrijden. Daar liggen de grenzen van faciliteren.

Vergrenzen
Tot hier en niet verder. Daar ligt de grens. Van jongs af aan leren we waar onze grenzen liggen. En daar binnen te blijven. Een paar jaar geleden had ik deze conversatie:
“Lelie, je gaat over grenzen”.
“Dat weet ik, maar hoe kan ik weten waar de grens ligt, zonder er overheen te gaan”.
“Je bent een professional, dat hoor je te weten”.

Grenzen, begrenzen, is een paradoxaal fenomeen. Met paradoxaal bedoel ik een schijnbare tegenstelling. Begrenzen – het maken van een binnen en buiten, die aansluiten en elkaar uitsluiten -, maken paradoxen mogelijk. Onderscheid in ruimte, voor, achter en naast. Onderscheid in tijd, voor en na. Alleen het hier-en-nu is onbegrensd, want altijd. In een sociale context bepaalt de groep de grenzen. Van gezin en familie, via stam en kerk tot organisatie en natie.

Onderscheid maken is een noodzakelijke en voldoende voorwaarde voor paradoxen. Spencer Brown toont in Laws of Form zelfs aan dat niet alleen logica, maar zelfs het hele universum op dit principe gebaseerd is. Leven is paradoxaal, zoals blijkt uit Paradoxical Life. En ook bij leven vormt de grens, het celmembraan, de cruciale stap. Leven in groepen is inherent paradoxaal, immers een groep begrenst en opent. Deze paradox hoort tot de klasse “Behoren“, samen met Identiteit, Inzet en Individualiteit. (Zie “Smith en Berg, Paradoxes of Group Life“).

In het faciliteren komen we talloze grenzen tegen. Te behalen resultaten vormen een grens. De opdrachtgever schrijft im- en expliciete grenzen voor. Daarnaast begrenzen de muren en de tijd plaats en handeling. Zelfs papier heeft grenzen. We trekken een grens rond een cluster.

We kunnen niet zonder grenzen. En tegelijkertijd vraagt een opdrachtgever van een facilitator om een “doorbraak”, een oplossing, het verlost worden van een grens. In het meest neutrale geval wordt het “een innovatie” genoemd. Hoe gaan we daarmee om? Dat geen we met elkaar onderzoeken. Hier alvast een voorschot.

Oproepen en erbij horen
Het praten over een groep roept grenzen op. Of wellicht is het andersom: maken groepen door hun bestaan geluid, praten en taal. Mensen en dieren herkennen elkaar aan hun geluiden. De grens bepaalt wie erbij horen en wie niet. Let op het gebruik van “horen“. Bij mensen staat de taal zo op de voorgrond, dat wat er gezegd wordt soms belangrijker is dan wat er gedaan wordt. Maar ja, “actions speak louder then words“.

Grenzen bepalen je identiteit. Elke groepsidentiteit bepaalt een persoonlijke identiteit en deze wordt ook een groepsidentiteit. Zo ben ik een man en hoor bij de groep “mannen”, die vervolgens bepaalt hoe ik me dien te gedragen als “man”. Grappig woord, in dit verband, “bepalen“: het gebruiken van palen om iets te begrenzen. Het woord geeft het dilemma al aan: is er ruimte tussen de palen? De paradox wordt compleet, wanneer we mannen ook laten bepalen wie wel en wie geen echte mannen zijn. Of moeten we dat aan vrouwen overlaten? Wie bepaalt, betaalt. Begrenzen heeft ook een prijs.

Groepen ontstaan spontaan, uit verschillen die zoeken naar overeenkomsten. De overeenkomsten vormen de grens, de criteria, de kenmerken. Een groep biedt veiligheid – ook wel solidariteit genoemd. Laat eens zien hoe dat gaat.

Veiligheid
Ik kan niet alles alleen. Daarbij voel ik me alleen en incompleet. Ik ga bij een groep, om met elkaar meer te doen, om me minder alleen te voelen en omdat ik iets kan brengen wat de groep niet heeft. Ik heb de groep nodig en de groep heeft mij nodig. Zo biedt een groep veiligheid, geborgenheid en mogelijkheden. Toch?

Een groep organiseert zich in eerste instantie niet op basis van verschillen, maar op overeenkomsten. Mannen bij mannen, vrouwen bij kinderen, familie bij familie, achtergrond bij achtergrond, organisaties op doelstelling. Dus ik moet meedoen aan een gezamenlijk doel – niet mijn doel. En ik moet me gedragen, zoals de anderen zich gedragen. Verder is een groep groter dan ik alleen, maar daardoor wil de groep eerst iets van mij, voordat ze zal voorzien in iets wat ik nodig heb. Dat begint bij een organisatie al met “de goede vooropleiding”.

Types
Wat een en ander zo ongrijpbaar maakt, is het verschil in wat wel genoemd wordt “logische types“. Om een klasse of verzameling elementen te beschrijven, hebben we andere concepten nodig dan de concepten die we gebruiken om de elementen te beschrijven. Kort gezegd: een groep mannen is geen man. We kunnen wel bepalen wat een man is. Op basis van allerlei eigenschappen die we dan kenmerken noemen. We noemen dat een typische man. Vervolgens kunnen we mensen met gelijke kenmerken samennemen tot een groep en deze “mannen” noemen. Die doen mannen dingen, zoals voetbal kijken, bier drinken … . Dat is een typische groep mannen. Maar de kenmerken van de groep zijn niet “mannelijk” en vaak ook niet dezelfde kenmerken als die van een typische man. Iedere keer weer lopen we in discussies tegen deze grens op: hier ligt de grens van ons begrip. We zeggen dan: “ik begrijp die mannen niet”. Ik kom straks nog even terug op de begrenzende werking van taal.

Heel lang werd gedacht dat gebruiken van “logische types” dit soort problemen zou oplossen. Maak onderscheid tussen wat een man is, iemand die zijn baard scheert, en wat een klasse van mannen is, degenen die hun baard scheren. We moeten die niet over één kam scheren, zogezegd. Maar strijk en zet liepen de redeneringen vast. Totdat Gödel bewees, dat er geen oplossing voor is. Iedere grens is onhoudbaar of open. In het eerste geval, moet de grens doorbroken worden. Maar dat kan alleen met nieuwe grenzen. In het tweede geval voldoet de grens niet en moeten er nieuwe grenzen komen. Dat houdt ook in, dat we niet zonder grenzen kunnen. En dat ook grenzen hun beperkingen hebben, zogezegd.

Over en onder de grens
Om bij een groep te horen, moeten we “een grens over”. We moeten iets van onze individualiteit opgeven, een stukje identiteit inleveren en er zal van ons gevraagd worden ons in te zetten voor de groep. Vandaar de noodzaak van een paspoort om over de grens te gaan. Kijk maar: het uitschrijven er van (vroeger een laissez-passé, een laat door), het gebruik om iemand ermee te identificeren (wat niet zo is, want je gezicht bepaalt wie je bent, niet je paspoort), de vraag of iemand meer dan één paspoort mag hebben (natuurlijk) en het intrekken ervan, wanneer je “over een grens gaat”. Illegalen is dan ook het verkeerde woord voor de groep. Het zijn mensen zonder papieren, die zonder papieren een grens overschreden hebben. Ergens moet een grens liggen.

Tegelijkertijd heeft een groep nu juist dat andere nodig, om zich te ontwikkelen, om verder te komen, ja zelfs, om over haar grenzen te gaan. Wanneer ik me aanpas en niet mijn eigen stem laat horen, krijgen we wel een eenheid. Tegelijkertijd beperkt het zowel mijn mogelijkheden – ik doe niet wat ik kan – als de mogelijkheden van groep om van alle beschikbare mogelijkheden gebruik te maken. Nou heb ik daar persoonlijk niet veel last van, maar ik merk wel hoe sterk de druk is om te conformeren. We zien het terug bij het verbreken van de relatie.

De relatie met de grens
Grenzen zijn noodzakelijk om een relatie te vormen. Of eigenlijk, ze roepen elkaar op. De relatie, de verbinding, bepaalt de grens en de grenzen bepalen de relatie. Ze horen bij elkaar, zoals liefde en een huwelijk. Wanneer we trouwen, stellen we elkaar een grens. De man is dan geen echte “man” meer, onder meer gesymboliseerd door de vrijgezellennacht. Deze grens schept spanning, want relaties zijn altijd open en meervoudig. “Een huwelijk maakt je niet blind”, zei eens een goede vriendin van me. Deze spanning kan je zien als een beperking. En deze spanning kan je ook ervaren als mogelijkheden.

Relatie, verbinding of overeenkomst, en grens, scheiding of verschil, zijn twee verschillende logische types. Hieruit ontstaat het hele fenomeen van groepen, hun grenzen en problemen. Wanneer we een grens overgaan, verbreken we dan ook de relatie? Verlaten we dan ook de groep? We hebben het dan over fight/flight, vluchten of vechten. Moeten we vechten voor onze relatie, of door scheiden, vluchten? En hoe zit dat dan met een “vechtscheiding”. Dit dilemma komt dus rechtstreeks voort uit het fenomeen van (be)grenzen. Hier komt de hele groepsdynamiek vandaan, die ons steeds nieuwe grenzen en steeds andere perspectieven biedt.

Het verlaten van een groep, versterkt paradoxaal genoeg de cohesie binnen een groep. Zo zullen zowel vrouwengroepen als mannengroepen meer cohesie ervaren uit een echtscheiding. En zelfs een huwelijk zal zich gesterkt voelen door een scheiding van een ander. Tegelijkertijd benadrukt een scheiding de band. “Ik ben meer bezig met mijn ex, dan met mijn huidige partner”.

De paradox wordt wellicht duidelijker vanuit het ontstaan van een onderbreking in de grens of de patronen. Een doorbraak of innovatie is nodig, wanneer er iets ontbreekt. Er “ontbreekt” iets of iemand. Ontbreken betekent letterlijk “beginnen (=ont) te breken”. Het is dus geen ontkenning in de letterlijk zin, geen “niet” of “on”, want dan noemen we het onbreekbaar. Een ontmoeting is dus ook het begin van een “meeting” en niet de ontkenning van moeten. Het is een ont(!)kenning in de figuurlijke zin. Meer een vorm van ontwaken, bekend worden van een “opening”. Hier is een interventie nodig, die heel veel groepen lastig vinden om uit zich zelf te doen. De groep of organisatie streeft nu eenmaal naar continuïteit.

Faciliteren begrenzen
Faciliteren betekent verbinding maken. (In het woord “gemakkelijk”, het Franse “facile“, staat ook het woord maken centraal). Een verbinding verbindt gescheiden entiteiten. Verbinden gaat over grenzen. Met groepsfaciliteren doen we interventies in groepen. De facilitator stelt een vraag of onderbreekt een spreker. Hij of zij begeleidt een discussie, gesprek of dialoog door “ertussen te komen”. Soms met het brutale “mag ik u even onderbreken?”. Hier spreekt de paradox. Aan de ene kant komen we ergens tussen, stellen facilitators een grens, terwijl we aan de andere kant verbinden we. Faciliteren is een dubbelzinnig beroep. Ik bedenk het nu pas.

Facilitators maken en maken gebruik van grenzen. We richten de ruimte in, bepalen de agenda en de volgorde. We stellen vragen en interveniëren, al dan niet actief. Daarbij, zorgen we ook voor verbindingen. Door in een kring te gaan zitten, te vertragen wanneer mensen dreigen af te haken. We vragen door, vatten samen. We geven opdracht om in kleinere groepen te werken – scheiden -, ook omdat dat makkelijker praat.

Facilitators gebruiken de grenzen, ze zoeken ze op. Met de opdrachtgever, de probleemeigenaar en de deelnemers zoeken we binnen de ruimte naar de zwakke plekken in de grens. Waar gaat het eigenlijk over? Wat mag er niet gezegd worden? Hoe ziet de olifant in de kamer eruit? Dit gebeurt vaak al voor de bijeenkomst en soms na afloop. En soms niet.

We wachten op de mogelijkheid om te interveniëren, over de grenzen heen te gaan, het onbespreekbare bespreekbaar te maken en zo een doorbraak te forceren. Want, zoals prof Homan ook aangeeft in het voorwoord van Faciliteren zonder Omwegen, een facilitator breekt patronen, intervenieert. Groepen lopen altijd tegen hun grenzen aan en zijn vrijwel niet instaat hun eigen systemen en werkwijzes zelf te doorbreken. Ze kunnen wachten op oorzaken van buitenaf, of van binnenuit zoeken naar een oplossing. En er is een derde mogelijkheid: het vragen van een facilitator.

Hier doet het fenomeen zich voor, dat een facilitator niet bij de te faciliteren groep hoort. Hij of zij is een buitenstaander, soms van binnen dezelfde organisatie, soms een externe professional. Daar vraagt de situatie om (zie de check list in Faciliteren zonder Omwegen). De facilitator loodst een groep door voor haar onbekende wateren naar een oplossing. Laura ten Ham noemt dat in haar beschouwingen in onze boeken, niet voor niets “het elixer”, dat is een ander woord voor “oplossing”. Die bevrijding, de doorbraak of – heel neutraal – innovatie is tegelijkertijd iets wat de groep zelf moet doen. Een groep dient zich zelf te bevrijden.

Tegenspraak
Grenzeloos faciliteren is dus een oxymoron, twee woorden die elkaar letterlijk tegenspreken. Dat vormt ook de essentie van faciliteren: omgaan met tegenspraak. Inspraak, uitspraak, samenspraak. De grenzen scheppen de dynamiek die we nodig hebben om ons te ontwikkelen. En gelukkig houdt het ook in, dat er nooit een einde zal komen aan faciliteren. Op die manier is het toch fijn “grenzeloos faciliteren”.

Niets bestaat zonder grenzen; alles heeft grenzen, komt tot een einde. Deze letters kan je alleen lezen, omdat ze grenzen hebben. Alle gedachten zijn eindig, punt. Iedere groep of organisatie kan alleen bestaan door het trekken van grenzen, alleen (!) staan we er niet bij stil. Zelfs de oneindige liefde kan alleen als eindig ervaren worden. Tenzij je op de grens blijft, maar dat is maar weinigen gegeven. Daar ga ik het een andere keer over hebben. U bent aan het eind van dit verhaal.

PS.
Heel vaak denkt mensen dat paradoxen een gevolg van denken of taal is, of dat het een vorm van onbegrip is. Dat er een uitleg of begrip mogelijk is, waardoor een paradox verdwijnt. Die zijn er, een soort uitleg of een model; met dien verstande, dat elke uitleg weer een nieuwe paradox oproept. Paradoxen roepen elkaar op. Varela wijst er op dat iedere paradox een “emergent” fenomeen inhoudt. “Leven” en ook “taal” lijkt mij daarvan de meest in het oog springende.

Taal maakt het mogelijk om over paradoxen te spreken, maar kan ze niet oplossen. Het lijkt mij dat taal ook zo’n manier van oplossen van een paradox is, de paradoxen van Expressie of “Speaking”, zoals Smith en Berg ze noemen. Taal ontstaat uit de paradoxale spanningen, ontspant even, lijkt een opening in de grens te bieden. Sommigen menen dat we ons moeten beroepen op de letterlijke betekenis van het woord. Maar een woord in een taal die we niet begrijpen? Dan blijkt ook taal haar grenzen te hebben, zoals Wittgenstein al inzag. Taal dient noodzakelijkerwijs de illusie van begrip te behouden.

Juist omdat paradoxen samenhangen met grenzen en we ons vrijwel altijd aan één kant van een grens bevinden, lijkt het alsof er maar één kant aan de zaak zit. Wetenschap tracht paradoxen uit te bannen, maar komt niet verder dan te doen alsof er geen paradoxen meer zijn. Er bestaan ook overzichtelijke niet-talige paradoxen, zoals een aantal van de plaatjes van Escher, muziek van bijvoorbeeld Bach of de smaak van ketchup.

( ) meaning or life?

FaciliterenOproepenMeaning resides at the very core, heart, centre, or cross of facilitation. We usually talk about facilitation of groups. In order for a group to move ahead, it has to discover its own meaning (“what are we doing here?” “who are we?” “where do we want or need to go? “,”what’s driving us” or “what is our vision”, … ). In my map of reality perceptions, meaning (ideas, dreams, future) is facilitated (liberated, if you want or “realized”) from feelings, emotions residing in a group. It is an emergent process, from green <--|--> yellow, social & mythic. It is lion (no article!, I’m using ( ) archetype) coming out of see, luctor at emergo. It is child from mother, fire from water.

No life as we know it
Meaning, I tend to conclude, is an autonomous emergent property of interacting. Meaning is not ( ) thing nor is nothing. Meaning “pops up”, as if she has a life of her own. Even more, I have to conclude, there IS NO fundamental DIFFERENCE BETWEEN LIFE AND MEANING. They’re two aspects of the same phenomenon. Life make meaning of meaning, meaning of life. It is paradox@work!

As George Spencer-Brown states: world has created itself in order to see itself (Laws of Form).

Meaning of living is living of meaning
Depending on your point of view (aspect): evolution has created life and meaning or (inclusive or) meaning has created life and evolution. Using different words here, is only because they signify different points of view, not different (intended) meanings. Life – or meaning – has created men AND vice versa.

IT’S ALIVE
This makes meaning for human beings and groups fascinating and threatening. (the correct word is “numinous“). Life is al about surviving, maintaining your self. Not on your own, you cannot. We have to co-operate. Having meaning is no difference. Men creates meaning, as we need meaning to survive. And a group can have a lot more meaning, that’s why we attribute more meaning to a group – it has a name, so it must exist – than to ourselves. There is meaning in numbers. The price we pay? Not having a meaning of our selves: not to become free, to become enslaved out of free will. A small price.

Fascinating
A. It fascinates us, as it is born out of ourselves, and is a part of us. As child is to mother. It even reflects our self, we “made it”. We can play with it, juggle, hide it, imply or find it. It is part of us and we incorporate it (hence “body language).

Even more so, language has created women (women is used in the archaic sense, the source of men), first men. The word “men”, hu”man”, “mean”, “min”d, com”mun”ity, com”mon” …. and com”mun”ication are different perspectives on the same “thing”: emerging meaning. It is a kind of auto-catalytic process. Meaning liberates, we can liberate our self. We can become free humans!

Threatening
A. It feels threatening as it is also autonomous: we have to respond to our own meaning. As creator of meaning, you are responsible (YOU are, not me: I’m responsible for these letters, nothing more – read the disclaimer. You, the reader interact with it and create meaning!).

Parent responsible for child. However, as any child, it wants to become independent, have a life of its own. It wants to become free, and then conquer, or even worse, kill us. It has to be controlled, or it will get a life of its own and destroy its maker.

Capturing meaning
Now, this is my way of thinking, because we have invented writing, we can “capture” meaning and use it for our own purposes. At last, we can control meaning! That’s why we lock up it up in books :-). We finally can define it (no you cannot, they’re just endless cycles of recycled words). That’s why we continuously seek to better define what we’re talking about: in order to control child-that-has-become-monster. The better the definition, the more control, the better we’re understood and the less ambiguity. But the only thing that doesn’t change is death. In order to preserve meaning, we have to kill it, kill ourselves.

In groups, this meaning thing becomes gargantuan: as a group is so much larger than an individual, its meaning must be more powerful, overwhelming. Meaning no longer serves us, we are becoming controlled by it. Meaning has become mean, to us? Groups impose their perspective, their rules and principles on the individual. Because then, and only then, you’ll be save(d).

The end
How will this end? Never. Every-time meaning tries to annihilate itself, meaning is recreated, revived, reborn. There will always emerge lions out of see. Leaders who liberate. The only thing we still have to learn, is to carry our own sufferings, our own burden, anxieties and not attribute them to others.

In terms of the map: this is the Renaissance movement. Facilitating renaissances. Love liberates.

Note: ( ) is used to signal there is no article, like “the” or “a”.

— Disclaimer.
The meaning of the words in this text have no meaning other than the meaning you’re reading. Words about words are about words. Any other meaning, intended or not by the author, is part of this disclaimer.

Power of money talking

synchroniciteitIn Systems Thinking, Denis raised the question: “What would happen if we lived in a global environment where capital accumulation would be limited?“. It is an interesting debate. Let’s look at it from a phenomenological perspective.

Limit capital?
I need to take the discussion in a different direction. Capital (money) is power. It is not about the absolute; it about the differences. A power struggle is also a conflict over different values, that’s why Denis started with “social acts are behaviour“. That’s why we’re talking about the capitalist VALUE system. Power is an emergent property, emerging from the paradoxes of expressing, speaking. We say: “money talks”. (By the way, money used to be printed, using a printing press).

There is no fair solution to a distribution problem, not with Systems Thinking, never. Fundamentally unsolvable. The only reasonable thing, is to look at the power struggle, and create countervailing powers. One of the problems, off course, is that power also means “controlling the meaning”. Power will always tend to say that it is “good” and trying to reduce it is “bad”. Power corrupts and absolute power corrupt absolutely.

Using directing constellations
As it happens – nothing is a coincidence, and not even that – yesterday I facilitated a session on social change in The Netherlands, using constellations (I’ve developed something called “directing constellations, where a (scene) director, moves the elements around).

“Money walks”
We had, on one line, the element “citizens” (together with “equivalence” and “self”) with “money”. “Money” was represented by a person and slowly detached itself from the rest. “I do not trust the ‘citizens’ to be responsible”, it said, “therefore I have to distance myself”. In between the citizens and the money was – you’ve guessed – “government” and “taxation”. We saw how “money” circled through the system, from “citizens”, “taxation”, to “subsidies” and “payments”, back to “citizens”. But soon “money” started to move away again. There was “injustice” in the system. Which I added.

Now, the issue became a discussion between (elected, by the citizens) “government” and (tax paying) “citizens”, when we moved “equivalence” to “government”. “equivalence” became very controlling of “citizens”, it started to strive for “equality“, even unfairly!. “citizens” criticized their government for not maintaining an equal balance (equivalence) between “taxation” and “money”. “Money” was not being taxed.

And this is true: we have VAT and taxes on labour, but hardly any taxes on (large amounts of) money and capital (like machines, buildings, land). And the flow of money. They have been abolished for “freeing up” the market and capital. The interesting thing was, that “money” said, this was fair, because “citizens” are not responsibly spending “money”. For if they would, the would have been rich too. Which is clearly a fallacy. It is the old: “the poor are to blame for their own poorness, because otherwise, they would be rich too”.

Then something interesting entered: a new element appeared (it sometimes does), “intention”. “Intention” said that we had lost her, “intention” of the system. We ended the constellation by asking the elements to state “intention” of the system. From it, we derived the background of the situation: “in what ways can we ourselves attain equivalence?”

Paradox van scheppen = splitsen

appel peer paradoxGeleidelijk aan krijg ik grip op de weerbarstige materie van de paradoxen. Paradoxen zijn schijnbare tegenstellingen. Ze zijn niet ontstaan als bijproduct van ons denken of onze taal, maar ze zijn het ontstaan. In de betekenisleer wordt gedacht dat we weten wat iets is, bijvoorbeeld een appel, omdat het niet iets anders is, bijvoorbeeld een peer. Een peer is geen appel. Echter, dezelfde redenering leidt tot “geen peer” is een “appel”. Maar broccoli is geen peer en ook geen appel. Irritant. Inderdaad. Hier is een antwoord op een mail van Danielle.

“Klinkt goed, het fenomeen van de paradoxale krachten vind ik vanuit het creatieve proces gezien blijvend fascinerend, ..”

Paradoxen zijn equivalent aan energie. We ervaren paradoxen niet rechtstreeks, maar – inderdaad – door de krachten die ze “vertonen” (let op het dubbelzinnig woordgebruik).

Het creatieve proces zelf is een paradoxaal fenomeen en wel op twee manieren. Allereerst is creativiteit één kant van het paradoxale paar creativiteit – destructie. Bij elke creatie vindt ook vernietiging plaats. De destructieve kant herkennen we in “conservatieve krachten”, weerstand tegen vernieuwing. Vernietigen en scheppen “kost” energie, de zogenaamde “vrije energie”. Deze vrije energie is in staat om werk te verrichten.

Ten tweede maakt elke paradox ook energie vrij. Deze “vrije energie” schept zich zelf in de vorm van een nieuwe paradox. De eeuwige transformatie, de eeuwige cyclus geboorte –> ontwikkelen –> vernieuwen –> sterven –> geboorte –> . Met andere woorden, creativiteit als fenomeen is ook een resultaat van een paradox.

100px-Aries.svgElke schepping, elke creatie, is altijd ook een splitsing. Ik las laatst dat in de Bijbel men het Hebreeuwse woord “bra” als schepping vertaald heeft. Maar “bra” betekent ook verdelen, splijten of splitsen. Scheppen “is” het scheiden van boven en onder, hemel en aarde, licht en donker, goed en kwaad, vrouw en man, hoed en schoenen, … . Het teken voor splitsing in de astrologie is Ram, duidelijk een splitsing en ook het begin van het (zonne)jaar.

Tegelijkertijd is het maken van een onderscheid de enige noodzakelijke voorwaarde voor een paradox. Dat leert “Laws of Form” ons. De paradox uit zich in het fenomeen dat deze wereld zich zelf schept. Er bestaat geen verschil tussen de evolutie-theorie en het bestaan van god, wanneer god samenvalt met het heel-al, alles. Omdat wij een onderdeel van de evolutie/schepping zijn, kunnen we het niet bevatten. Immers, dan zou een deel het geheel bevatten. Vandaar het mysterieuze gevoel van het mysterie. En de noodzaak om ons zelf in eerste instantie af te splitsen, te dissociëren, en vervolgens te helen, met behoud van het numineuze. Ik gebruik het woord numineus, omdat jij het woord fascinerend gebruikt. Numineus betekent fascinerend en angstwekkend, aldus Otto en Jung.

“… dissociatie, Het leren waarnemen van je eigen waarneming, splitsing van objectief versus subjectief.. etc. Het wil nog niet zeggen dat ik een beeld heb bij hoe e.e.a. wordt ingezet in de praktijk maar daar ben ik wel benieuwd naar.”

De beschrijving van de inzet in de praktijk beschrijf ik in mijn boek “Faciliteren als Tweede Beroep”: het is een meta-praxis, een reflectie op de praktijk. De inzet in de praktijk, kan alleen in de praktijk, vandaar dat we de leergang Kunstmest hebben. “Faciliteren”, zei laatst een project manager in een moment van inzicht, “moet je mee maken.”.

Staying alive to solve problems

On System Thinking World, this question was posed: “What is the best way to handle a problem that has no solution ? Example: The lifeboat problem (a small boat in the sea with a lot of people in the water). Which we are experiencing worldwide with respect to survivability of civilisation and resources etc.” . Here is my – slighty editted – answer.

Veranderen in werkelijkheidLife is how this universe solves “unsolvable problems”, and creates some more. First of all, a problem, any problem depends on your perspective. A problem, I’ve been taught, is a difference between my/your expectation (or intention, vision, ..) and the actual situation (current reality) coupled with my/your negative feeling. Technically, a positive feeling with this difference should also constitute a “problem”, but isn’t judged to be one. So, I’ll answer this question from a human perspective (the boat or sharks may have a different approach).

1. We live – or, are thrown into life, or find ourselves living – and run into trouble, problems. As: we wake up in a boat on a sea.

2. We solve problems in a rational way (action – reaction). In these cases we analyse the problems, create a model, system or theory and try to reduce the impact. Testing and designing, designing and testing. Consequence of this are – in many cases – symptoms. Kurieren am Symptom. We start to apply rational solutions to symptoms of rational problem solving. We’ve done this very successfully and now all solvable problems have a solution – although for various reasons we don’t implement them all. (Mainly, I think, because we blame the victim; this is a side effect of the system archetype sucess-to-the-successful ). Example: first we admit people to our boat, then we start to make war. When we’ve reduced numbers, we take in people. Repeat.

3. When we encounter an unsolvable problem, usually symptoms of solutions, we use a creative way. We seek for inventions, new designs, creative problem solving. This drives innovation. In stead of action – reaction, we use creativity: ” what is our current situation and what our fundamental choice?” Any designed solution will be turned into 2: apply it rationally. (There is nothing ” wrong” with an analytical and rational approach, mind you). What we – human beings – call creativity, we call “an error” or ” mutation” with other beings; that is from our perspective. Example: we start building rafts from floating materials – and many of the inventive solutions mentioned here.

4. Some problems are unsolvable, even with using creativity. These are the fundamental elements of life. Life is paradoxical, as it doesn’t solve anything nor does it seem to be a problem. Problem solving itself is paradoxical: all problems are created by solutions (to different problems) and not solving problems (i.e. having no choice, or being death) doesn’t solve this problem. Life – also in terms of meaning – seems to me to be the net result of “nature solving natural problems” (please note the Spinozist turn of God being “naturing nature”) . These kind of problems tell us something about the meaning of life, of living. The example: your boat example. In my opinion it is on how we (e)valu(at)e life. From there it is only a small step to the evolution of life.

What is the best way to handle an unsolvable problem? #staying alive, staying alive#

Vereenzelvigen

Judith de Bruijn bespreekt op Facebook intro- en extraversie. Uiteindelijk komen we op een gesprek over “zelf”. “Zelf” – het woordgebruik – lijkt me een reïficatie, het maken tot een ding van een proces. Het bijbehorende proces heet “vereenzelvigen”. Om de wereld om ons heen (UoD, Universe of Discourse) en ons -spatie- zelf(!) te leren kennen, hebben we geleerd onszelf(!), geen spatie, te vereenzelvigen. Het werk – denk ik dan – heeft te maken met het kunnen vereenzelvigen met “ander” – ook weer een reïficatie, dus eigenlijk het “veranderen.

De levenshouding – extravert en introvert, maar niet tegelijkertijd – duidt aan hoe dit proces verloopt. Van buiten naar binnen (= openstaan voor de energie van buiten) en van binnen naar buiten ( = de eigen innerlijke energie aanwenden). Ik volg hierbij de opvatting van de MBTI en Jung, dat het hier gaat om een levenshouding, waar je je energie vandaan haalt en niet over je gedrag. Er bestaan mensen met een voorkeur voor introversie, die heel goed in groepen functioneren.