Beeld-spraak

Seeing the big picture“. In een bioscoop zie je “the big picture”. Wat maakt, dat je dat kan zien? Hoe kunnen we daarmee zichtbaar maken, wat we denken? Hoe krijgen we overzicht en kunnen we een situatie vanuit verschillende gezichtshoeken bekijken? Hoe worden we het eens, terwijl we blijven verschillen? De nieuwe methode “mind@work: verhelderen van communiceren” geeft je de middelen.

Deze werkvorm biedt een uitbreiding en verdieping van klassieke werkvormen als brainstormen en moderne zoals opstellingen en LEGO(tm) Serious Play. Ze past binnen en versnelt vele andere methoden, zoals Agile, Future Search, Appriciative Inquiry, Systemisch werk, Deep Democracy enzovoorts. Ik baseer haar ook letterlijk op het werk van Will McWhinney – Creating Paths of Change. Ze bestaat eigenlijk uit een directe vorm van cocreatie, zonder dat de deelnemers veel instructie krijgen. Deelnemers “stellen” een “figuur” “voor”, die een “element” in het “systeem” “representeert” . Vervolgens gaan ze met elkaar onderzoeken of uitvinden, “waar die figuur voor staat”, waar de “interesse”, de tussenruimte, naar uit gaat en welke “bewegingen” “ontstaan”. De begeleider stelt neutrale vragen.

“Mensen werken in 3D. Het gekke is, dat de man die aanvankelijk het meest kritisch was … “werken met poppetje?” … uiteindelijk het meeste heeft bijgedragen en het het meest tevreden was” – Laura Hornick, Programma manager bij middelgrote gemeente.

Het woord configureren komt uit het Latijn: cōnfigūrāre, dezelfde vorm geven. Door te configureren stel je een systeem samen uit verschillende basiselementen: kiezen en schikken (combineren) van elementen, die samen een systeem vormen. Deze elementen kunnen in dit geval functies zijn, zoals afdelingen, (andere) organisaties, en ook documenten, gebeurtenissen – zowel uit het verleden als uit de toekomst. De elementen bestaan of uit vaste figuren, of ze kunnen door de deelnemers zelf gemaakt worden.

In de werkvorm hanteren we een cyclus van processen: projecteren – identificeren – projecteren – identificeren – … Hieruit ontstaat wat we als “betekenis” ervaren en wat ik “mind-at-work” noem.

PROJECTEREN
In de werkvorm maken we gebruik van projecteren, ik noem het ook wel “projectieve configuraties”. Projectief is gevormd uit het voorvoegsel prō- ‘voor, vooruit’, en iacere ‘werpen’, als in jet. Elk voorwerp neem je waar door middel van een projectie.

Projectief heeft te maken met drie aspecten, in overdrachtelijke zin:
1. we maken een projectie van de situatie, een 2 dimensionaal beeld
2. we gebruiken het fenomeen van projectieve identificatie
3. het uitvinden van een toekomst.

Ad 1. Een projectie van de situatie. Met behulp van figuren en objecten stellen de deelnemers een beeld – projectie – samen op een vierkant bord of vel papier. Iedere hoek heeft daarbij een eigen aspect: concreet handelen, abstract denken, samen voelen en betekenis geven. Tijdens het samenstellen en kort daarop, ontstaat (!) een gesprek over “wat er staat”. Deze structuur bestaat in wezen uit het projecteren van je lichaam (boven – onder of noord – zuid en links – rechts (of beter: oost – west, voor – achter)) op je omgeving.

Ad 2. projectieve identificatie. Majorie Klein en W. Bion hebben dit begrip ontwikkeld in hun werk met mensen en groepen. Gedachten en gevoelens worden “afgesplitst” en afgebeeld, geprojecteerd, op een ander. Meestal wordt dit gezien als het projecteren van “verboden” gevoelens, maar Bion beklemtoont dat dit de primitieve manier van communicatie is en een bouwsteen van alle communicatie. We herkennen een voorwerp niet door het op te zoeken in een soort database, maar door de waarneming in ons zelf te projecteren. Hieruit ontstaat de “embodied mind“.

Ad. 3 voorzien van een toekomst. Het configureren kan een “projectie in de toekomst” vormen, een beeld van mogelijkheden. Het maakt het mogelijk alternatieven te onderzoeken.

IDENTIFICEREN
Identificeren bestaat uit het vergelijken van eigenschappen met elkaar. Zoals ik al zei: alles in overdrachtelijke zin. Bij het projecteren, dienen we te identificeren. Daarbij hanteer je “wat je begrijpt” om te begrijpen “wat je nog niet begrijpt”. Dit proces heet “overdragen”, ofwel metaforen.

Je denkt, voelt in de vorm van metaforen, je communiceert door middel van metaforen. Normaal gesproken, gaan we ervan uit dat metaforen alleen in taal bestaan en dat er naast figuurlijk gebruik (metaforen in engere zin) ook een letterlijk gebruik is van taal, los van metaforen. Helaas, niet. In deze benadering – gebaseerd op onder meer Lakoff – bestaat er geen uitdrukking die niet (ook) metaforisch is. Taal is zowel letterlijk, als figuurlijk, kijk maar: :-). Met taal druk je metaforen uit, net zoals je metaforen uitdrukt met je lichaam(staal), houding en positie.

Identificeren betekent zowel het maken van een eigen identiteit als het door middel van toewijzen van eigenschappen herkennen van iets of iemand. Je beoordeelt of de waargenomen eigenschappen overeenstemmen met je verwachtingen. Met het projecteren projecteer je je verwachtingen en vooroordelen op de situatie. Oordelen kan je op twee manieren: door te voelen (snel, maar weinig specifiek) en door te denken (specifiek, maar langzaam).

Je projecteert verwachtingen, omdat je anders niet snel genoeg zou kunnen reageren op een potentieel gevaarlijk situatie. Een voorbeeld uit het tennis: de toegespeelde service is in ongeveer 500 ms bij je, maar je zenuwen hebben minimaal 700 ms nodig om je arm te doen reageren, nadat je hebt vastgesteld waar de bal zal komen… . Zonder concentratie en vooroordeel, zou je elke bal missen. Zoals ik in het begin.

Bij het gewaarworden van “wat er speelt” gebruik je vervolgens het verschil tussen je verwachtingen en wat je waarneemt om te kunnen beoordelen of je je reactie dient te veranderen. Lukt dat niet snel genoeg, dan heb je “een probleem”. Daarover kan je de tijd nemen, om na te denken. Overigens betekent een pro-bleem iets wat zich voor (pro) doet (blema). Pas wanneer je er een negatief gevoel mee associeert, maak je de situatie tot een eigen probleem.

Je identificeert door bekende eigenschappen toe te wijzen aan je waarnemingen. Komen ze overeen, dan “herken” je de situatie. Wanneer ze verschillen, activeert je aandacht en ga je uitvinden “wat er speelt”. Je projecteert concrete lichamelijke ervaringen als abstracte categorieën op het onbekende. Daarbij hou je de structuur van de concrete ervaringen in overeenstemming met de structuur van het onbekende. Je kan het vergelijken met een kaart en het landschap. De kaart is niet het landschap, maar de structuren (via projectie (!)) komen wel overeen. In de projectie zien we de “bekende” delen, bekend gemaakt in de legenda, terwijl we de onbekende delen (voorlopig) negeren.

In de werkvorm nemen we voor identificeren de tijd. Het kost tijd en inspanning, om van je verwachtingen en vooroordelen af te zien. Dit “afzien” gaat letterlijk, door de elementen als figuren te laten representeren in een gestructureerde ruimte, gestructureerd door de legenda. Daarbij treden de deelnemers als elkaars spiegel op, door met elkaar te “reflecteren” op de situatie. Door met elkaar uit te vinden “wat er staat”, hanteer je actief je projecties en identificaties. Dit vereist wel een andere aanpak door de facilitator: los laten en open staan, voor wat zich aandient.

DE EENHEIDSPARADOX
Hoe kunnen we het eens worden en van mening verschillen? Door met elkaar een situatie te veranderen. We weten allemaal, dat we verschillen. En we hebben het idee, dat we het eens moeten zijn, voor we iets gaan veranderen. Maar in de praktijk blijkt, dat we altijd van mening blijven verschillen.

Hoe kan dat? Omdat er tegelijkertijd twee veranderingen optreden (de overige twee laat ik even buiten beschouwing)
een (eerste orde) inhoudelijke verandering en
een (tweede orde) verandering in de onderlinge relaties of betrekkingen.

Dat eerste is voor iedereen, ook niet deelnemers te ervaren. Dat kunnen we waarnemen als een concrete, fysieke, ruimtelijk verandering. Dit houdt ook een verandering in, voor hen die niet aanwezig waren bij de besluitvorming.

Dat tweede, merk je wel als deelnemer, maar is voor buitenstaanders niet waarneembaar. De eerste verandering convergeert – ze komt samen in de concrete verandering -, de tweede verandering divergeert – de betrekkingen verschillen. Bateson (Mind and Nature) noemt dit terecht “leren”. Je ziet gelijk het voordeel en het nadeel: wanneer je je niet betrokken voelde bij de verandering, heb je niets geleerd.

De paradox van veranderen brengt met zich mee, dat wat er verandert (eerste orde) verschilt van wie er verandert (tweede orde). Omdat je met metaforen werkt en je zelf de concrete verandering ervaart, heb je moeite om in te zien, dat jouw concrete wat-ervaring niet die van een ander is. Voor de ander blijft deze verandering abstract. En, wat de situatie verergert, omdat zijn of haar betrokkenheid ontbreekt, ontstaat een gevoel van afhankelijkheid, machteloosheid en angst. De “double bind” geschapen door de “container”-metafoor voor communicatie bestendigt de situatie. Ik ga er elders dieper op in of lees ook about-conduit-and-toolmaker-metaphor/.

Deze mind@werkvorm maakt hiervan gebruik, door de situatie met elkaar te “beleven” in de vorm van metaforen – de figuren opstellen in een ruimte. Door je gevoelens en verwachtingen te projecteren in de figuren, er met elkaar mee te werken in een “ruimte”, met elkaar te converseren en verhalen te vertellen, “beleef” je de situatie. Je lichaam “herkent” de situatie, ook al “weet” je brein, dat het niet “echt” is. Echter (sic), de relaties en betrekkingen die je opbouwt, zijn wel degelijk echt. Je kunt alleen op inhoudelijk spelniveau onderscheid maken tussen spel en werkelijkheid; in het relatiespel, kan dat niet. Deelnemers kunnen het “eens” worden, terwijl de verschillen blijven bestaan. Een betere term luidt: “heel worden”. In identificeren, “neem je je projecties terug” en “word je heel”.

mind@work is gezond verstand gebruiken
Uiteindelijk ontstaat hieruit een fenomeen, dat ik aanduid met “mind“. Wat er werkt, werkt als geest, als stroom, als proces. Mind@work als metafoor voor het proces van “heel wording”. Toevallig – of niet – betekent dit hetzelfde als de uitdrukking “gezond verstand”.

VORMEN van configuraties.
Het werken met configuraties gaat met vier klassieke vormen:
1. toevoegen (adiectio) of uitbreiden
2. weglaten (detractio), of verkorting
3. overdragen (transmutatio) of transfer
4. permuteren (immutatio), uitwisseling of vervanging

TOEPASSINGEN
Je kan het gebruiken bij:
– het helder krijgen van de beelden en stemmen in je hoofd – associatieve configuraties
– een intake of onderzoek van een complexe situatie
– het verbeelden van de situatie voor het ontwerpen van interventies en je draaiboek
– met een groep onderzoeken van de actuele situatie
– met een groep onderzoeken van de historie en de bijdrage daaraan van de deelnemers
– met een groep configureren van een toekomstbeeld, visie en de bijbehorende acties

Interventies ontstaan – als vanzelf – terwijl je een situatie configureert. Het is een dynamisch proces. Je beschouwt de elementen op zichzelf (plaats, houding en figuur), in hun onderlingen relatie (de “inter-esse”), op hun betekenisvolle samenhang (het verhaal) en op de ontwikkeling ervan in de toekomst. Dit laatste vormt dan de derde vorm van “projectie”.