Tag Archive for begrijpen

Wil je Waardevol Faciliteren?

Deelnemers met certificaat

In twijfel ligt nochtans de zo gekoesterde vrijheid van de mens vervat. – Voltaire

De toestand is complex, onduidelijk, vaag en onzeker. En ondertussen moet je ook nog vernieuwen. En dan ook nog het fenomeen van een onduidelijke opdracht van een opdrachtgever die wel de indruk wekt het te weten, maar … twijfel. (zie Waardevol Faciliteren).

Hoe ga je daar goed mee om? Waar ligt je vrijheid? In de twijfel? Je hebt Kunstmest nodig – voeding in de kunst van het faciliteren van veranderingen met groepen. Door beter te faciliteren, omgaan met team, groepen en organisaties in transitie. Het zit in de manier van met elkaar omgaan – wie, waar, welke? – , minder in het wat en hoe. Dat laatste – hoe voer je een sessie uit? – komt zeker aan bod. Maar de nadruk ligt op met elkaar uitvinden wat voor jou en je organisatie wanneer het beste werkt.

We hebben nog twee deelnemers nodig voor de Tiende Leergang, Kunstmest XP; Faciliteren voor eXPerts. Neem contact met me op voor meer informatie of bezoek http://www.faciliteren-als-2e-beroep.nl/kunstmest-xp. Jij verdient Kunstmest!

Waar ligt de oorzaak van het begin?

Voor sommigen mensen vormen ideeën de eerste oorzaak. Het idee is, dat we eerst wat bedenken en daarna gaan doen. Dit idee, ligt ook ten gronde aan veel bijeenkomsten. Om te veranderen, hebben we een idee, droom, visie, beeld nodig. Dit idee moeten we delen, we moeten het eens worden en dan kunnen we wat gaan doen. Dat noemen we wel: “één focus” of “project”. Dat idee komen we straks weer tegen.

Maar, weet, het werkt ook omgekeerd. Wat we bereikt hebben, verklaren we uit de ideeën die we hadden. Ons brein is een meester in het uitfilteren – vergeten – van de andere ideeën die we hadden, en die het niet zijn geworden. Ook horen we nooit wat van mensen wier idee “niets” geworden is. Grote passen, snel thuis: ook voor ideeën gelden de wetten van het evolueren. Er zit niet een plan of een doel achter de wereld. Ze is wat ze is. De oorzaak is ook het resultaat, het resultaat volgt uit de oorzaak. We kunnen niet bepalen wat of welke de “eerste” oorzaak is. Omdat we zelf het idee vormen over een eerste oorzaak, geen idee zonder denker.

Wat veroorzaakte dit idee? Er zijn – als altijd – vier oorzaken denkbaar:

1. Aarde: de concrete, materiële wereld (we zeggen niet voor niets “materie”, van mater, moeder)

2. Lucht: de universele kosmische wetten (kosmos betekent immers “structuur”), zoals de Wet van Behoud van Energie

3. Water: de gemeenschap, de groep waarin we geboren werden (we spreken over “gemeenschap”. omdat die de betekenis (“meaning“) aan ons bestaan geeft)

4. Vuur: het idee (de logos, woord, wijsheid, kennis en, met een grote bocht: Sophia, het vrouwelijke aspect van het Goddelijke, de “moeder van god”)

Zoals steeds, verenigt het vierde element vuur, de andere drie. Daaruit ontstaat, als autonoom fenomeen, “een idee”. We kunnen geen ideeën scheppen, zonder een materiële, gestructureerde en gemeenschappelijke wereld. We formuleren een idee in taal. Taal heeft structuur, volgorde, grammatica. Daarbij heeft taal interactie, wisselwerking nodig, met anderen. Taal vertelt zo veel meer, ook tot welke taalgemeenschappen we onszelf rekenen. Taal is aangeleerd.

De werkelijke oorzaak is natuurlijk “Het Ene”, het ondeelbare, de oorzakelijke oorzaak. Daarna volgde de splitsing of de schepping, afhankelijk van waar de klinker plaatst (in het Hebreeuws).

Volgens mij is een gedachte altijd een verleden tijd, in elke taal. Dat komt, omdat we een ervaring, gewaarwording, “vertalen” in een gedachte, een idee. Tegelijkertijd (!) werken onze hersenen zo, dat ze een geachte in onze beleving “terugplaatsen” in de tijd. We hebben dus het idee, dat er eerst een idee is. Dit is naar mijn idee, een soort copingsmechanisme. Want wanneer er niet eerst een idee zou zijn, wie bedenkt dan de ideeën? Dat ze spontaan opkomen, is voor mensen in een gemeenschap onwenselijk. Maar volgens mij zijn ideeën voor de hersenen, wat diarree is voor de darmen. Wanneer je je gedachten probeert te volgen, zal je merken, dat ze komen en gaan. Mensen hebben ideeën, maar geen idee waar die vandaan komen. En dat kunnen we ook niet weten, omdat waar de ideeën vandaan komen, geen taal is. (Of op z’n hoogst een niet-verbale taal, maar een bio-elektrochemische taal)

Wat mensen – let op, dat “men” in “mensen” ook van “meen” afstamt – hebben uitgevonden (of ontwikkeld, weer afhankelijk van je standpunt), of bedacht, is “projecteren”: het afbeelden van een idee op de omgeving. Vandaar, dat we dingen een “voorwerp” noemen, een “pro-jectie”. Uit het aangeleerde vermogen ons beeld in een iets te projecteren, we moeten leren om te zien, ontstaat de gewaarwording, dat een idee een eerste oorzaak heeft en dat ik dat ben. Vandaar dat het eerste hoofdstuk van mijn boek gaat over “begrijpen”. We dienen het voorwerp te kunnen begrijpen, moeten er een idee van krijgen, voor we het kunnen gebruiken. Hou me te goede, dit is niet verkeerd, maar het is ook niet “echt”. Vandaar dat we uiteindelijk komen bij het begrip “kunst“, wat, het woord zegt het al, “kunstmatig” is. Ik meen me te herinneren, dat dat idee bij Reve vandaan komt. Om dat door te vertalen naar “droom”, lijkt me wel erg hineininterpretieren.

De lezer of toeschouwer wordt herinnerd aan een afspraak, die hij trachtte te vergeten, en realiseert zich opnieuw dat de gerepresenteerde wereld niet ‘natuurlijk’ is, maar kunstmatig
Verrek, het is geen kunstenaar: Gerard Reve en het schrijverschap, Edwin Praat

Implicaties voor faciliteren
– Intake: het idee, wat de “eerste oorzaak” is van een situatie, vertelt ons hoe de opdrachtgever / groep de situatie gewaar wordt. Uit die kadering, volgen hun acties en daaruit het resultaat plus het vastlopen. Vraag, bijvoorbeeld bij een intake, door op de gehanteerde metafoor. “En waar leidt …. (oorzaak) toe?” “en wat volgt dan op ….(oorzaak)?” “en wat gebeurde we vlak voor (oorzaak)?”. Gebruik “Clean Language”, zuivere taal, waarin je zo min mogelijk van je eigen ideeën verwoordt.

– Ontwerp: geef gelegenheid aan de deelnemers om “het idee” van de bijeenkomst te formuleren. Waar hebben we het over, wanneer we over het onderwerp spreken? Doe altijd een Check in, naar de ideeën van de deelnemers.

– Uitvoering: beweeg van beleving (groen) via idee (geel) naar vertaling (blauw). Laat bij voorkeur deelnemers eerst zelf een idee opschrijven. Dat vergemakkelijkt het formuleren en onthouden van een idee. Het opschrijven is een vorm van beweging.

– afronding, evaluatie: eindig positief. Laat deelnemers bijvoorbeeld in één (of zes) woorden beschrijven wat ze hebben meegemaakt. Gebruik het woord “meemaken”.

Geld geldt

Yuval Harari schetst in zijn twee boeken – Homo Sapiens en Homo Deus – een beeld van de geschiedenis van de mensheid in respectievelijk het verleden en de toekomst. Geld en geloof of vertrouwen in elkaar, speelt daarin een hoofdrol, omdat “betekenen” het sleutelbegrip is, om mensen te begrijpen.

Een van zijn conclusies (en ook de mijne) is, dat we als mensen in twee werelden tegelijkertijd leven: een objectieve, feitelijke wereld en een fictieve, imaginaire wereld. De woorden feiten en fictie verwoorden dat al: beide zijn afgeleid van “facere”, maken.

Hetzelfde geldt voor het woord “geld”. Geld is zowel reëel, objectief en feitelijk als imaginair, subjectief en fictief. Het gebruik van het woord “geld” geldt als geldigheid voor deze bewering.

Een kenmerkend verschil tussen de reële en imaginaire werkelijkheid is, dat de eerste van nature begrensd is en de tweede vanzelfsprekend onbegrensd. Onze fantasieën, dromen en verhalen, zie de boekhandel, bioscoop of tv, kennen geen maat. Onze aardbol en alle voorwerpen, zijn eindig en begrensd. Sterker: ze begrenzen ook onze dromen. Dat noemen we de harde werkelijkheid. Dit verschil houdt overigens ook in, zoals Harari betoogt, dat een echt mens echte pijn en vreugde voelt, maar een groep mensen of organisaties niet.

Geld is een manifestatie van het Thomas Principe (“If men define situations as real, they are real in their consequences.”). Het verhaal dat we elkaar vertellen over geld heet “economie”. De fictie houdt ook in, dat het feit dat iets meer waard is, ook meer kost (“moet kosten”) of opbrengt (“prijzen” (!)) (dit is in een notendop het verhaal van de uitgaven in de zorg). En in het verhaal, vertellen we elkaar, dat de economie eeuwig moet groeien. En gelukkig kunnen we de cijfers op papier laten groeien. Wat we voelen, zien en horen, is dat het fictieve verhaal feitelijk niet meer klopt. Maar ja, wat dan?

Een van de gevolgen van het geloof in ons verhaal, is dat iemand die meer geld heeft, meer waard is. Dat houdt in meer macht en genereert de scheefgroei in het individuele kapitaal. De lengte van mensen heeft een natuurlijke verdeling, niemand groeit tot in de hemel. De verdeling van geld is “onnatuurlijk”. Het verhaal gaat, dat dat “verdient” is. Het is het sprookje van de kleren van de keizer: niemand staat te wachten op een tante Mathilde die gilde: “dat geld is niet echt, je bezit niet meer dan je lichaam”.

De taak waar we voorstaan, denk ik dan, is NIET het verzinnen van een ander verhaal. (Dit is een paradoxale opdracht, ik weet het) Het vraagstuk vraagt om een paradigma verschuiving. Het oude verhaal is niet waardeloos, het is niet langer waar en niet onwaar. We moeten terug naar de bron: “wat verstaan we onder elkaar, onze gemeenschap?”. Ik vermoed, dat het niet te maken heeft met het vertellen van verhalen, maar het vermogen om naar elkaar te luisteren. Een vermogen tot het voeren van een dialoog, zoals mijn lieve vriendin Sofia doet, over de verschillen. We dienen te gaan zoeken in het duister – in onszelf -, waar we de sleutel verloren hebben, en niet in het licht dat straalt op de deur.

Als je begrijpt wat ik bedoel

haas eendEen Jung werkgroeplid stuurde me een mail:

Eend en Haas
“Je kent het plaatje in de bijlage ongetwijfeld. Is het een haas, of is het een eend?

Stel je voor, dat twee mensen aan het tekenen zijn. Zij maken hun tekeningen op grond van een aanwijzingen door een derde en het voeren van een gesprek met elkaar, inclusief de derde. Het object dat getekend wordt vormt zich aldus: het is niet concreet van te voren gegeven. En ze hebben geen zicht op elkaars werk. Het resultaat is dat de een een haas en de ander een eend heeft getekend. Uiteraard zijn beide tekenaars zeer verwonderd elkaars werk tenslotte te zien.

In het dagelijkse samenwerken doet zich dit waarschijnlijk doorlopend voor, zonder dat dit ooit duidelijk wordt noch problemen veroorzaakt. Tenzij er uit de uitkomsten juist wel problemen ontstaan. Naarmate de belangen groter zijn en ieder op zijn manier zich enorm heeft ingespannen zal zich dat ook in emotie en drama vertalen. De boel slaat los, er is geen contact en ook geen wederkerigheid meer. Het tendeert naar (symbolische) oorlogsvoering. Nadat de escalatie is uitgewoed en ieder zichzelf wat hersteld ontstaat pas weer de ruimte om naar elkaar te kijken. De schade is groot maar nog beroerder is het dat pas dan het inzicht in elkaars goede intenties naar voren komt. Dat besef maakt duidelijk dat het allemaal heel anders had gekund. Maar dat is achteraf. Niet bekend is wat hier nu eigenlijk in het spel is geweest.

Herken je wat ik bedoel?”

Möbius Ik herken je voorbeeld; ik vermoed dat een en ander speelt in elke situatie. Net zoals je niet begrijpt wat ik bedoel met het volgende:

Paaps en Turks
het is – zoals de tekening – een paradox. De “oplossing” wordt ook wel het Helsinki-principe genoemd. Bij een vroege conferentie over automatisering in Helsinki, is afgesproken dat betekenis van een boodschap, verzonden door een zender, bij de ontvanger voor 100% de betekenis is, als bedoeld door de zender. In alle andere gevallen bestaat er nl onzekerheid over de “echte” betekenis.Dit principe wordt door vrijwel iedereen impliciet gehanteerd. Belangrijke uitzonderingen zijn cabaretiers, het is immers de basis van een goede grap. Als voorbeeld kan je de huidige controverse over Erdogan in de Duits-Turkse verhouding gebruiken.”

Vanaf hier begrijp je me weer 🙂

Verzoek en opdracht?
Dit houdt in, dat iedere boodschap een meta-boodschap bevat die in een proefschrift van ene Pieter Wisse genoemd wordt Every sign is a request for compliance . In jouw mail maak je dat expliciet, maar het zit verscholen in elk (mail) bericht en verklaart de explosieve groei van berichtuitwisseling. (Wat ik interessant vond in mijn contact met Pieter Wisse, is dat hij zelf niet de (paradoxale) implicaties hiervan begreep, en een “taal” heeft ontwikkeld om dit “op te lossen”.) In het kader van je vraag, is dit “request” natuurlijk een (impliciete) “opdracht”.

Ik en ander
In iedere boodschap hanteren we naast de expliciete structuur van een zin, een impliciete grammatica. Deze impliciete grammatica maakt gebruik van een netwerk van opvattingen en aannames, die we “cultuur”, “wereldbeeld” of “werkelijkheidsopvatting” kunnen noemen. Dat laatste woord past het best, omdat het gaat over “wat werkt”. Dit zijn de pragmatische aspecten van menselijke communicatie. In communiceren dienen we steeds rekening te houden met “de ander”, opdat onze boodschap overkomt. Paradoxaal genoeg, kan het zijn, dat wanneer we juist het tegendeel zeggen van wat we willen beweren, de boodschap – in termen van betekenis – beter overkomt. Kort gezegd, wanneer iemand ander het niet met ons eens is – of zelfs boos wordt – heeft zij of hij de boodschap beter begrepen, dan na een kort instemmend “hmm”.

Ik en zelf
Verder heeft het Helsinki-principe nog een ander “aspect”: het veronderstelt, dat de zender de eigen boodschap begrijpt. Ik zelf zeg altijd, dat ik pas weet wat ik denk, wanneer ik mezelf hoor praten. Met andere woorden, er is een feed-back loop waarin ik ook op mijzelf het Helsinki-principe toepas. Verder zal de ontvanger begrijpen dat dit het geval is, of doet alsof dat niet het geval is. “Als je begrijpt wat ik bedoel” (overigens een mooie naam voor deze paradox).

Escalatie en stagnatie
In je vraag beschrijf je de paradox en haar “oplossing”: elke communicatie “veroorzaakt” escalatie (symmetrische situatie noemt Bateson dit) en stagnatie (complementaire situatie). “Veroorzaakt” tussen “”, omdat het niet de communicatie is, die dit veroorzaakt, maar de paradoxen van Expressie. Alleen in de beweging van de ene situatie naar de andere – wat jij “in-between” noemt en wat Hannah Ahrendt aanduidt met de “inter-esse“, het “tussen-zijn” – vindt betekenis overdracht plaats. (Merk op, dat ik hier de betekenis tussen – – zet). Dit fenomeen wordt wel “coupling” genoemd.

Wat het zo lastig maakt om dit te begrijpen, is deze “coupling” een proces is. Dit proces vindt plaats in het tweedimensionale (ofwel “complexe”) vlak, waarbij wij, door de aard van onze materiële existentie, alleen zichtbaar toegang hebben tot de reële as. De andere – de “irrationele” of beter “laterale” as – ervaren we wel, maar ze manifesteert zich niet concreet. We kunnen haar alleen in de realiteit representeren, door een tekening. Stel je een spiraalbeweging voor, waarvan je alleen de afbeelding in het platte vlak of een doorsnede ervaart. Dit is een cirkel. Ontbindt de cirkel in twee assen en je hebt een kruis in een cirkel. “Als je begrijpt wat ik bedoel”

Begrip en onbegrip
Een (waargebeurde) anekdote: tijdens een van de uitvoeringen van onze Leergang Kunstmest, zie op de derde dag Carolien – een van de meest intelligente vrouwen die ik ken – tegen me:
“Jan, ik begrijp niets van wat je bedoelt met je uitleg (over mijn boek)”.
Waarop ik haar bij de bovenarm “begreep” en zie: “ik begrijp je Carolien”.
“Nee”, zei ze, “ik begrijp je echt niet”.
Ik begreep haar weer en herhaalde “ik begrijp je Carolien”. Ze zei het nog een derde keer en ik herhaalde mijzelf opnieuw.
Een paar uur later bleek – uit haar gedrag – dat ze me volkomen begrepen had.

Paradox
appel peer paradoxWellicht ten overvloede: paradox vormt de grond voor betekenis. Betekenis vat ik op als een emergente eigenschap van wisselwerken. Je kan wisselwerking opvatten als gebruiken van spanning uit de complementaire tegenstellingen Vergelijk “appel” en “peer”. Een “peer” is geen “appel” en “appel” is niet “geen appel”. Een peer is ook niet “geen appel” en niet “geen peer”. Maar iets wat niet “geen peer” is, is nog geen “appel”. In onze pogingen om te begrijpen, gebruiken we de verschillen en scheppen we daarmee (vandaar “eigenschap”) de gewaarwording die we als “betekenis” ervaren. Betekenis is dus niet alleen contextueel, ze is ook subjectief en “imaginair”. De reële kant daarvan is het voorwerp – laten we zeggen “de appel” – de appel die we zien. De laterale of imaginaire kant vormt zich tot het symbool, betekenissen van “appel”. En dat kan van alles zijn, daarom gebruik ik ook bewust “appel”. (Merk op, dat je een appel kunt verschillen :-)). De “echte” betekenis van de appel, zit in het opeten. Maar dan houden we alleen een klokkenhuis over.

In de paradoxale tegenstelling is altijd sprake van een, of ander (=twee), een en ander en noch een noch ander. In communicatie is altijd sprake van begrip, of onbegrip, begrip en onbegrip en noch begrip, noch onbegrip. Merk overigens op, dat dit onafhankelijk van het bestaan van (gesproken) taal is.

( ) meaning or life?

FaciliterenOproepenMeaning resides at the very core, heart, centre, or cross of facilitation. We usually talk about facilitation of groups. In order for a group to move ahead, it has to discover its own meaning (“what are we doing here?” “who are we?” “where do we want or need to go? “,”what’s driving us” or “what is our vision”, … ). In my map of reality perceptions, meaning (ideas, dreams, future) is facilitated (liberated, if you want or “realized”) from feelings, emotions residing in a group. It is an emergent process, from green <--|--> yellow, social & mythic. It is lion (no article!, I’m using ( ) archetype) coming out of see, luctor at emergo. It is child from mother, fire from water.

No life as we know it
Meaning, I tend to conclude, is an autonomous emergent property of interacting. Meaning is not ( ) thing nor is nothing. Meaning “pops up”, as if she has a life of her own. Even more, I have to conclude, there IS NO fundamental DIFFERENCE BETWEEN LIFE AND MEANING. They’re two aspects of the same phenomenon. Life make meaning of meaning, meaning of life. It is paradox@work!

As George Spencer-Brown states: world has created itself in order to see itself (Laws of Form).

Meaning of living is living of meaning
Depending on your point of view (aspect): evolution has created life and meaning or (inclusive or) meaning has created life and evolution. Using different words here, is only because they signify different points of view, not different (intended) meanings. Life – or meaning – has created men AND vice versa.

IT’S ALIVE
This makes meaning for human beings and groups fascinating and threatening. (the correct word is “numinous“). Life is al about surviving, maintaining your self. Not on your own, you cannot. We have to co-operate. Having meaning is no difference. Men creates meaning, as we need meaning to survive. And a group can have a lot more meaning, that’s why we attribute more meaning to a group – it has a name, so it must exist – than to ourselves. There is meaning in numbers. The price we pay? Not having a meaning of our selves: not to become free, to become enslaved out of free will. A small price.

Fascinating
A. It fascinates us, as it is born out of ourselves, and is a part of us. As child is to mother. It even reflects our self, we “made it”. We can play with it, juggle, hide it, imply or find it. It is part of us and we incorporate it (hence “body language).

Even more so, language has created women (women is used in the archaic sense, the source of men), first men. The word “men”, hu”man”, “mean”, “min”d, com”mun”ity, com”mon” …. and com”mun”ication are different perspectives on the same “thing”: emerging meaning. It is a kind of auto-catalytic process. Meaning liberates, we can liberate our self. We can become free humans!

Threatening
A. It feels threatening as it is also autonomous: we have to respond to our own meaning. As creator of meaning, you are responsible (YOU are, not me: I’m responsible for these letters, nothing more – read the disclaimer. You, the reader interact with it and create meaning!).

Parent responsible for child. However, as any child, it wants to become independent, have a life of its own. It wants to become free, and then conquer, or even worse, kill us. It has to be controlled, or it will get a life of its own and destroy its maker.

Capturing meaning
Now, this is my way of thinking, because we have invented writing, we can “capture” meaning and use it for our own purposes. At last, we can control meaning! That’s why we lock up it up in books :-). We finally can define it (no you cannot, they’re just endless cycles of recycled words). That’s why we continuously seek to better define what we’re talking about: in order to control child-that-has-become-monster. The better the definition, the more control, the better we’re understood and the less ambiguity. But the only thing that doesn’t change is death. In order to preserve meaning, we have to kill it, kill ourselves.

In groups, this meaning thing becomes gargantuan: as a group is so much larger than an individual, its meaning must be more powerful, overwhelming. Meaning no longer serves us, we are becoming controlled by it. Meaning has become mean, to us? Groups impose their perspective, their rules and principles on the individual. Because then, and only then, you’ll be save(d).

The end
How will this end? Never. Every-time meaning tries to annihilate itself, meaning is recreated, revived, reborn. There will always emerge lions out of see. Leaders who liberate. The only thing we still have to learn, is to carry our own sufferings, our own burden, anxieties and not attribute them to others.

In terms of the map: this is the Renaissance movement. Facilitating renaissances. Love liberates.

Note: ( ) is used to signal there is no article, like “the” or “a”.

— Disclaimer.
The meaning of the words in this text have no meaning other than the meaning you’re reading. Words about words are about words. Any other meaning, intended or not by the author, is part of this disclaimer.

Why Y facilitates

100px-Aries.svgWHY Y?
There is a Y in you that wants to get out. Y is the brand of facilitation: the two \ / becoming | . Let me explain.

Rick Lindeman wrote in a discussion “Facilitators unite! A brand new brand is coming our way…”

I know Jan likes to to start a discussion from the etymological origin of the entity discussed, but i think the word ‘brand’ has transcended from its ‘cattle status’ of “being owned by”, to ones own identity.. it’s about knowing yourself.. γνῶθι σεαυτόν gnothi seauton .. and by knowing yourself, and your drives you can communicate what are you are doing more effectively..

As a response to my opinion, that branding facilitation is beside the issue. I do not want to be branded as a facilitator belonging to IAF. Rick continues saying people make choices subconsciously, and therefore we need brands. The word “subconsciously” triggered this:

Signs are present
My point is: every sign is ambiguous. A sign, a symbol represents. A symbol is not the thing spoken about, it is not about what is “present”. The experience, the feeling, the subconscious awareness is present. In order to talk about the present (! “he implies today!” “No, Jan means a gift.”; “are you kidding, he is presenting a joke”, … ) we need something to represent it. Now two habits kick in.

Owning the meaning
1. We have to assume the other accepts (= “owns”) the meaning as we intended. This is called “The Helsinki Principle”. (In the late 50’s, information system developers had to agree on the meaning of information on a screen. They decided that the meaning is 100% the same as intended by the sender. This is the root cause of the failure of every ICT system). See also the thesis: “Every sign is a request for compliance”.

Means controlling the meaning
2. At the same time (and now I do not mean the present), the symbol gets in the way. (In Dutch we even say: “staat voor”, meaning both stands in its place and stands in front of).

It is not that I’m against symbols and branding. I’m against the (implicit or explicit) suggestion that I own (= control) the meaning through owning the sign.

I do not control your meaning
This is what makes facilitation so special (and, if you want “weak”): it is the other who determines the meaning of what is present. We present something unique and it is NOT the brand.

Own your self
The second part of your argument, Rick, is even better. “it’s about knowing yourself.. γνῶθι σεαυτόν gnothi seauton ..”. This represents (sic) facilitation even better: the royal path to knowing yourself is in accepting the other in you. Facilitating is about making (facere) connection (li) – it is not me who started a discussion with etymology, it were the blind poets -. Getting to know yourself, means getting to now Other. The other is also in the group. We belong to the same One.

Complex
Now it gets complicated. In order to “exist” we have to become separated. A child becomes separated – parted – from mother, parents, family, tribe, …sometimes even nation. We find ourselves thrown into life. Our self becomes “dissociated”. We project the disowned parts on others. It is not me who is bad, our parent is bad; it is not me who is good, our parent is good. (You always have two times two choices).

At a certain point in life, we have to “find ourselves” (or is it “my self”, I’m unsure about this). Well, you don’t have to; you might choose to remain “incognito”, but then, you’re probably not becoming a facilitator. We have to make reconnection (= facilitate) with our split-off parts. Interestingly, every other member of your group also represents something you “remember”. These are the parts you have to connect with: other symbolizes part of you. But you have rejected them in the past and the other parts feel rejected too. (Please note the implicit use of projected). So there it is: we need a connection-maker to reconnect. This is what we call “leader”. A facilitative leader.

The only thing a leader ethically cannot do, is “owning” the other. A leader has to liberate.

Plenty
We had to work in groups in order to survive. For thousands of years. Now we’ve finally liberated ourselves – we live in a world of plenty – and are facing our worst enemy: our selves. Facilitating is in sharing with others the parts we disown. Another word for this is friendship. Or peace.

Paradox van scheppen = splitsen

appel peer paradoxGeleidelijk aan krijg ik grip op de weerbarstige materie van de paradoxen. Paradoxen zijn schijnbare tegenstellingen. Ze zijn niet ontstaan als bijproduct van ons denken of onze taal, maar ze zijn het ontstaan. In de betekenisleer wordt gedacht dat we weten wat iets is, bijvoorbeeld een appel, omdat het niet iets anders is, bijvoorbeeld een peer. Een peer is geen appel. Echter, dezelfde redenering leidt tot “geen peer” is een “appel”. Maar broccoli is geen peer en ook geen appel. Irritant. Inderdaad. Hier is een antwoord op een mail van Danielle.

“Klinkt goed, het fenomeen van de paradoxale krachten vind ik vanuit het creatieve proces gezien blijvend fascinerend, ..”

Paradoxen zijn equivalent aan energie. We ervaren paradoxen niet rechtstreeks, maar – inderdaad – door de krachten die ze “vertonen” (let op het dubbelzinnig woordgebruik).

Het creatieve proces zelf is een paradoxaal fenomeen en wel op twee manieren. Allereerst is creativiteit één kant van het paradoxale paar creativiteit – destructie. Bij elke creatie vindt ook vernietiging plaats. De destructieve kant herkennen we in “conservatieve krachten”, weerstand tegen vernieuwing. Vernietigen en scheppen “kost” energie, de zogenaamde “vrije energie”. Deze vrije energie is in staat om werk te verrichten.

Ten tweede maakt elke paradox ook energie vrij. Deze “vrije energie” schept zich zelf in de vorm van een nieuwe paradox. De eeuwige transformatie, de eeuwige cyclus geboorte –> ontwikkelen –> vernieuwen –> sterven –> geboorte –> . Met andere woorden, creativiteit als fenomeen is ook een resultaat van een paradox.

100px-Aries.svgElke schepping, elke creatie, is altijd ook een splitsing. Ik las laatst dat in de Bijbel men het Hebreeuwse woord “bra” als schepping vertaald heeft. Maar “bra” betekent ook verdelen, splijten of splitsen. Scheppen “is” het scheiden van boven en onder, hemel en aarde, licht en donker, goed en kwaad, vrouw en man, hoed en schoenen, … . Het teken voor splitsing in de astrologie is Ram, duidelijk een splitsing en ook het begin van het (zonne)jaar.

Tegelijkertijd is het maken van een onderscheid de enige noodzakelijke voorwaarde voor een paradox. Dat leert “Laws of Form” ons. De paradox uit zich in het fenomeen dat deze wereld zich zelf schept. Er bestaat geen verschil tussen de evolutie-theorie en het bestaan van god, wanneer god samenvalt met het heel-al, alles. Omdat wij een onderdeel van de evolutie/schepping zijn, kunnen we het niet bevatten. Immers, dan zou een deel het geheel bevatten. Vandaar het mysterieuze gevoel van het mysterie. En de noodzaak om ons zelf in eerste instantie af te splitsen, te dissociëren, en vervolgens te helen, met behoud van het numineuze. Ik gebruik het woord numineus, omdat jij het woord fascinerend gebruikt. Numineus betekent fascinerend en angstwekkend, aldus Otto en Jung.

“… dissociatie, Het leren waarnemen van je eigen waarneming, splitsing van objectief versus subjectief.. etc. Het wil nog niet zeggen dat ik een beeld heb bij hoe e.e.a. wordt ingezet in de praktijk maar daar ben ik wel benieuwd naar.”

De beschrijving van de inzet in de praktijk beschrijf ik in mijn boek “Faciliteren als Tweede Beroep”: het is een meta-praxis, een reflectie op de praktijk. De inzet in de praktijk, kan alleen in de praktijk, vandaar dat we de leergang Kunstmest hebben. “Faciliteren”, zei laatst een project manager in een moment van inzicht, “moet je mee maken.”.

Wetten en mensen

4C-modelMedecollega Henri stelt voor om de Wet van Murphy (“if there’s any way he can do it wrong, he will“) te gebruiken om de Wet van Parkinson (“Work expands to fill the time available for its completion.“) te doorbreken. Deze laatste maakt dat dingen altijd “te laat” komen of zijn. Dat we meer werk lijken te hebben dan we aankunnen, dat we het altijd druk hebben.

Ik neem aan, dat ik hem moet teleurstellen. Want de Wet van Hofstadter staat in de weg. De derde wet, die ik in mijn boek bespreek, is de Wet van Hofstadter, in mijn variatie: “It always more complicated than you expect, even when you take into account Hofstadter’s Law.

Wetten zijn, zo zegt het woord, wetmatig. Zouden er uitzondering zijn, dan zijn het de spreekwoordelijke bevestigingen van de wet. Uitzonderingen zijn er dus niet. De wetten vormen geen uitzonderingen op elkaar, want dan zou er een meta-wet moeten zijn die dat voorschrijft. Ook begrenzen ze elkaar niet, ze zitten elkaar niet in de weg.

Deze drie wetten zijn ook zelfrefererend, niet iedereen zit dat in. We zien alleen de wet en niet het proces waarvan de wet het resultaat is. Natuurwetten houden zich zelf in stand, ook een letterlijke betekenis van re-fereren, her-maken. Dat houdt ook ik dat ze zich zelf maken.

In de Wet van Murphy staat het woord “hij”. Dat kan ook verwijzen naar de wet zelf. Natuurlijk bedoelen we dat niet zo, maar toch. De Wet van Parkinson is gebaseerd op het fenomeen dat mensen werken. Je kan ook het fenomeen “werk” zien als wat “werkelijk” gebeurt. Werkelijkheid vult de tijd en ruimte beschikbaar. Aan alles komt een eind, alles is eindig. De Wet van Hofstadter is expliciet zelfrefererend, als grappig bedoeld voorbeeld van een paradox. Maar deze bedoeling maakt hem niet minder waar.

Misschien is dat wel het grote verschil tussen natuurwetten en menselijke wetten: natuurwetten zijn van nature zelfrefererend, ze maken zich zelf. Ze vormen een autonoom – zie hier ook het woord “eigen (auto) wet (nómos, (νόμος))” – fenomeen en daarmee een teken van een paradox. Menselijke wetten zijn dat niet, op een paar echte uitzonderingen na (bijvoorbeeld: “wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”). Dat komt, simpel gezegd, omdat de meeste wetgevers buiten de wet staan, of zich zelf buiten hun eigen wetten stellen. Tegelijkertijd schept dat het inherente probleem van het toetsen van de wet: wie zal de wetgevers de wet geven? Van wetten eisen we dat ze ondubbelzinnig zijn. Terwijl, wanneer ik het goed zie, echte wetten nu juist de uitdrukking vormen van een paradoxale dubbelzinnigheid.

Een voorbeeld van een wetmatigheid is deze: Ik heb bij AT&T onderzoek gedaan naar de klantenvraag en ons afleverpatroon. Dat bleken exact dezelfde verdelingen te zijn: hetzelfde gemiddelde, dat lijkt me geen verrassing; Maar ook zelfde, heel verrassend, dezelfde spreiding: in 3 significante cijfers. En 15% was te laat. Mijn conclusie: iedereen heeft een gelijkaardig proces en alle pogingen om “op tijd” te leveren leveren hetzelfde resultaat: een percentage is altijd te laat.

Betekent dat nu, dat we niet hoeven te plannen? Zeker niet! Het houdt in, dat we plannen als een zelfrefererend (= steeds opnieuw makend) proces moeten beschouwen, waarbij een plan het beste op ons zelf betrokken kan worden. En niet, zoals gebruikelijk, op een ander. De essentie van plannen zit niet in het plan, maar in de manier waarop we ermee omgaan: een conversatie voeren over onze betrokkenheid, ons vertrouwen (of wantrouwen). Het gaat om het communiceren van gevoelens, emoties, belangen.

Een ander voorbeeld: de gemiddelde reistijd naar het werk en de spreiding daarin sinds onheuglijke tijden drie kwartier. Al in Romeinse tijden waren er files, parkeerproblemen, tolpoorten,… . Bredere wegen maakt alleen maar dat mensen verder weg gaan wonen (van die hinderlijke autoweg). Het problematische van de file is niet de file, maar de onvoorspelbaarheid van het specifieke geval. Steeds wanneer ik op tijd moet zijn, is er file! Ook tendeert de reistijd via de hoofdweg (file!) en de sluipwegen naar hetzelfde gemiddelde. Ook hier geldt, dat er geen “oplossing” bestaat in de vorm van een werkbaar alternatief. Uiteindelijk blijkt een file het zo broodnodige rustpunt in een werkdag.

Ik denk dat het systeem een combinatie van de Wet van Parkinson is met de Wet van Murphy en de Wet van Hofstadter. De Wet van Hofstadter leert dat je het maar het beste kan nemen zoals het is. Onze verlossing komt uit het Peter’s Principe: er zijn competente mensen in iedere organisatie en daar moeten we het maar mee doen.

PS: het verklaart overigens ook waarom we steeds minder tijd lijken te hebben, ondanks steeds efficiënter werken en allerlei gadgets, tools en hulpmiddelen. Het is nooit anders geweest: het zit in de onvoorspelbaarheid van het incidentele geval en de illusie van controle. Sneller werken maakt alleen maar dat we meer incidenten per tijdseenheid kunnen verwerken. Je kan het ook positief uitleggen: het ultieme bewijs dat we allemaal tot hetzelfde systeem behoren. #let it be”.

Als je begrijpt wat ik bedoel

Onbegrijpelijk 306x203 Waar bent u, wanneer u dit bord ziet? U bent op de plaats “ik begrijp wat je bedoelt”. Wanneer u iets begrijpt, kunt u alleen maar een “onbegrijpelijke” kant uit. Faciliteren bestaat uit het uithouden van “onbegrip”. Wanneer we één zijn met de situatie, zijn we “confused”. Alleen dan kan een groep met elkaar tot gezamenlijk begrip komen.

Judith de Bruijn bespreekt in haar nieuwsbrief de vraag, hoe je iets begrijpelijk maakt. Om de een of andere reden, vinden de meeste mensen het belangrijk dat je iets, of elkaar begrijpt. Ik begrijp dat wel, dat hebben we zo geleerd. Op school – en thuis – worden we beloond wanneer we “iets goed doen“. Fijn! Maar je leert meer van je fouten. Fouten maken is pijnlijk EN je loopt je beloning mis. Dus “leren” we impliciet (een soort meta-leren) fouten maken te vermijden. Het moet de eerste keer gelijk goed en zelfs, je moet weten wat de goede manier is!

In groepen willen we graag “de verschillen overbruggen” en “we moeten elkaar eerst leren begrijpen”. Begrijpelijk, maar fout. Onbegrip, verschillen, elkaar niet verstaan is cruciaal voor het oplossen van complexe vraagstukken. Onze meningsverschillen zijn functioneel en geen gevolg van tegenstellingen. We hebben elkaar en onze verschillen nodig. Met elkaar fouten maken, in een veilige omgeving, waar ze niet bestraft worden, dat is faciliteren. “Wanneer alles goed gaat, heb je niets geleerd”.

De paradox van leren: “je leert door fouten maken; pijnlijk. Wanneer je hiervan leert om pijn te vermijden, leer je om geen fouten te maken. Maar leren om geen fouten te maken, belemmert leren”.

Ik gaf toen ik studeerde bijles wis- en natuurkunde. Vaak aan meisjes, vraag me niet waarom. Het was, zoals je schrijft, altijd een kwestie van vertrouwen. Ze vertrouwden zich zelf niet.
“Ik begrijp de som niet”, zeiden ze dan.
“Dat is het hele idee van de som”, zei ik, “schrijf op wat je wel weet”.
Vaak kenden ze de formules wel uit hun hoofd. Die schreven ze op. Dat geeft vertrouwen. Verbinden met wat ze al weten.
“OK. Schrijf nu de gegevens uit de som over”, ging ik verder.
Vreemd genoeg, dat geeft ook vertrouwen, gewoon overschrijven. Dit schept de “context”.
“Vul nu de gegevens uit de som in, in de formules die je hebt”. Dat noemen we “verhaal”.*)
Tijdens het invullen, maken ze de connecties, verbanden, relaties.

In het begin liet ik hen dit hard op doen. Dan hoor je waar ze de fouten maken. Ik corrigeerde dat meestal niet, maar ging vragen stellen, om aan hun zelf hun gedachten gang duidelijk te maken. Zo faciliteerde ik het leren. In Faciliteren als Tweede Beroep staat ook het verhaal van onze kwaliteitsmanager Rob van der Schoor. Ook hij “bewaakte” de kwaliteit, door mensen zelf te leren hun fouten te herkennen.

In Faciliteren als Tweede Beroep, begin ik met het begrip “begrijpen”. Begrijpen is een lichamelijke gewaarwording. Ons hoofd denkt, dat we iets alleen mentaal moeten begrijpen. Maar, denk ik dan, zo zijn we geconditioneerd op school. Begrijpen is ten eerste fysiek en ten tweede een achteraf resultaat van een verhaal.

*) ik heb het altijd grappig gevonden, dat je een verhaal ver-telt. Wat heeft tellen met verhalen te maken. Ik zou zeggen, dat je een verhaal verwoordt, maar ja…

Ik herinner me

Kunstmest 6 -2 Bij een sessieverslag doe ik altijd foto’s van de deelnemers “in actie”. Dat heeft te maken met de werking van de hersenen: we communiceren via projecties, we projecteren ons lichaam op de situatie (en op de anderen). Dit worden door veel hersenwetenschappers, “spiegelneuronen” genoemd, maar het zijn volgens mij de “echte” neuronen. Dat komt omdat ze ervan uitgaan, dat de beleving in de hersenen geproduceerd wordt en dat we die gebruiken om een situatie te herkennen. Volgens mij werkt het anders om. Omdat we eerst hebben geleerd via begrijpen, (verlangen en verlengen komen uit dezelfde bron, zegt Ceciel ergens), via projecties en pas later taal hebben geleerd. Onze werkelijkheidsbeleving is altijd ook lichamelijk, zoals al blijkt uit de woorden die we gebruiken.

Het hele systeem met neuronen voor de taal, is daar een latere toevoeging op. Inclusief de delen die “doen als of” dit het echte “smart system” is. Onze hersenen overtuigen ons er ook van dat onze taal gelijk valt met de lichamelijke gewaarwording EN dat dat het is. Iedere herinnering – het woord zegt het al – is ook een innerlijke ervaring, die neuronen vervolgens weer (letterlijk en figuurlijk) vertalen naar een mentale beleving en een tekstuele inhoud.

Door de foto’s verbinden de deelnemers zich opnieuw met hun beleving, de lijfelijke aanwezigheid en herinneren de deelnemers derhalve gemakkelijker de gepresenteerde teksten. Een ander argument is, dat mensen dol zijn op foto’s van mensen en zich zelf (niet noodzakelijk in die volgorde).

Overigens is dit ook de reden dat mijn boek “vertekende” foto’s heeft. Ze ondersteunen het tot je nemen van de betekenis – hé, daar staat ook weer teken-ing. Tita heeft ze vertekend, omdat foto’s teveel “ruis” bevatten. Alle details dient ons brein te filteren, om tot de essentie te komen. Een contour met een enkele kleur is voldoende om te herkennen en te herinneren.