Tag Archive for communiceren

Facilitators voegen waarde toe

“Facilitators kosten gewoon te veel”
Als ik een taal spreek, is het Watzlwickiaans – pragmatisch. De meeting industrie gaat over geld verdienen. Iemand die iets anders beweert, is dom, verkeerd ingelicht of begrijpt heel goed hoe het werkt.

Facilitators inhuren lijkt niet noodzakelijk en gaat dus ten koste van de winst. Dat het niet noodzakelijk lijkt, komt door het vrijwel universele gebruik van een metafoor over communicatie die gemakkelijk werkt, maar te eenvoudig en eenzijdig is: de “conduit metaphor” ofwel de “leidingsmetafoor”. Deze metafoor valt samen met het fenomeen van leiding geven als mensen vertellen wat te doen. Communicatie is een vorm van zenden, in deze metafoor. Facilitator hanteren niet alleen een andere taal (klik op deze link voor meer onderzoek). Faciliteren gebruikt impliciet een andere metafoor voor communiceren: de “gereedschapsmakersmetafoor“. In deze metafoor – kader of frame – bestaat communiceren uit conversaties, appriciative inquiry, dialoog en “stilte”. Leiding geven houdt dan in het overgeven van de leiding en het beheren van het kanaal. En dat gereedschap bestaat zowel uit taal (inclusief beeldtaal) als uit houding, toon en lichaamstaal. Maar eerst gaan we naar Helsinki.

Het “Helsinki principe” in Helsinki
Ik ben naar Helsinki gegaan, om op een wetenschappelijk congres de inleiders te begeleiden in workshops in plaats van presentaties. De feedback is bijzonder positief, door inleiders, chairs en deelnemers. Toch zullen we niet opnieuw uitgenodigd worden. Te duur. Ik herken het dilemma van onze klant. Hoe kan ik de noodzaak om geld uit te geven aan een facilitator verantwoorden? Er waren 2 technici aanwezig en zeker 3 “stand by”, en 4 hostesses bij een meeting die ik faciliteerde. En ik erbij is te duur. Ondanks dat zowel de presentatoren als de deelnemers zeer tevreden waren over mijn ondersteuning. Wat maakt, dat het investeren in huur van ruimte, meubilair, licht, geluid en technici wel verantwoord kan worden en begeleiding door facilitators van sprekers en deelnemers niet? Waarom menen we, dat we kennis kunnen overdragen door te zenden, te presenteren?

Dat komt door een impliciete aanname over waar betekenis huist. We zijn getraind – ik niet, ik heb die les gemist -, in het idee, dat betekenis in woorden (of beelden) zit. We verwarren het middel (medium) met het doel (message). Het betekent, dat betekenissen volgen uit relaties. We gebruiken niet voor niets het woord kennis voor kennis en kennissen.

We hanteren een impliciete aanname of afspraak dat de betekenis van wat we zeggen in de woorden en beelden zit die we zenden / ontvangen. De betekenis zoals die begrepen wordt, is de betekenis als bedoeld door de zender. Dit impliciete principe heet in de ICT – ik verzin het niet – Het Helsinki Principe: de betekenis van een boodschap volgt uit het correct gebruiken van de juiste taal, uit grammaticale en semantische regels. Een boodschap heeft maar één betekenis. Wanneer die niet begrepen wordt, komt dat door “ruis” in het kanaal, zie het plaatje verderop.

Het gaat er dan in communicatie om, om de ruis te verminderen, door het geluid te versterken, de zaal goed in te richten of van beelden te voorzien. Dat maakt tevens de ontvanger lui en dom. De zender moet het maar beter uitleggen en wanneer hij of zij het zelfs na 10 keer uitleggen niet begrijpt, laat maar. Het verklaart, waarom er maar zo weinig mensen reageren op conferenties: alleen zij, die het al begrijpen. Het verklaart waarom politici zenden, verzenden en herzenden.

Veel opdrachtgevers menen impliciet, dat facilitators de ruis van hun boodschap zullen verminderen en daarmee de weerstand. Ik hoor dan formuleringen als: “de boodschap verduidelijken” (alsof de duiding in de boodschap zit), “de neuzen dezelfde richting op” (kenmerkend voor het stromen door een kanaal) of “het verminderen van weerstand …” (een vorm van “ruis”). Dat leidt overigens ook tot een gevoel van onbekwaamheid bij de opdrachtgever, wat we tijdens de intake dienen te bespreken – maar dat is een ander verhaal.

Dit principe volgt uit het vrijwel universeel hanteren van de “conduit metaphor” of wel de “leidingsmetafoor” als metafoor voor het proces van communiceren. Ik noem het ook wel reïficeren, het tot een ding maken van een proces. Zoals we communiceren, vertrouwen, organiseren (en) vertalen in communicatie, het vertrouwen, de organisatie en vertaling.

De aannames zijn:

  • Concepten, gedachten, gevoelens en betekenissen zijn als objecten, dingen.
  • Woorden en zinnen zijn containers, die betekenis bevatten
  • Communiceren bestaat uit zenden en ontvangen van containers
  • Communicatie (let op het zelfstandig naamwoord) is ook een ding

Pragmatisch betekent relaties
Watzlawickiaans gaat uit van de pragmatische aspecten van menselijke communicatie: betekenis volgt uit relaties in conversatie. Dat houdt in, dat betekenis volgt uit gedrag en niet uit woorden of beelden. We gebruiken ze wel voor de overdracht, maar alleen in overdrachtelijke zin. “Metafoor” betekent ook niet voor niets letterlijk “over-dragen“. Meta betekent over en foor komt van *bher-, de stam van dragen, in het Engels, to bear. Alle gedrag (! let op dat woord) draagt over, is communicatie en alle communicatie is gedrag. Alles – ook elk woord – kan dubbelzinnig dubbelzinnig gebruikt worden.

Betekenis zit in jou, jij betekent! Betekenis huist in mensen, in onze hoofden en lichamen. Betekenis noemen we daarom “embodied“. Het hebben van betekenis, werkt anders dan het hebben van een auto. Je auto kan je uitlenen, de betekenis van je auto niet. Daarom hebben we een auto ook als een statussymbool, de betekenis van de auto, voor jou. Woorden kunnen we geven, betekenissen niet. Die betekenis volgt uit de relaties, zoals de status van de auto volgt uit onze onderlinge relaties. Ik rij zelf Peugeot, dus dan weet je het wel.

Uit onderzoek (van Michael Reddy – inMetaphor and Thought – Ortony, A. (ed)), blijkt, dat we meer en meer van de “leidingsmetafoor” gebruik maken – meer dan 70% van de communicatie in de jaren ’90 – en steeds minder van de “toolmaker metaphor” – zie plaatje. Een gevolg van het gebruiken van techniek, machines en computers.

De “gereedschapsmakersmetafoor”, gaat uit van het samenstellen van een boodschap uit de beschikbare materialen en deze overbrengen aan een ander. Dat materiaal kan van alles zijn: woorden, natuurlijk, maar ook beelden, intenties, opvattingen. Alles is materiaal. Je kan het vergelijken met twee kinderen, die in een zandbak zitten en zandvormpjes uitwisselen en versieren. De ontvanger vergelijkt het aangebodene met de daar beschikbare materialen. Uit de conversaties (letterlijk, “omzetten”) leiden we inzicht, betekenis, kennis af.

De leidingsmetafoor is efficiënt, meetbaar, effectief in eenvoudige situaties, schaalbaar en zo algemeen, dat we bijna niet meer weten, dat het ook anders kan. Bovendien heeft ze als voordeel, dat de beheersing bij de zender blijft. Deze “klassieke” benadering wordt dan opgedrongen aan de “innovatieve” benadering. “Waarom kan faciliteren niet meer zijn zoals “zenden en ontvangen”?“, zo vraagt men zich af, vanuit het perspectief van de leidingsmetafoor. Ik denk dan aan het verschil tussen een ambachtelijk product en een fabrieksproduct. Misschien zit daar een aanknopingspunt: faciliteren levert een ambachtelijk product – kunst – en geen industrieel te reproduceren kitsch.

Wat zijn de kosten van falen?
De meeting industrie, denk ik dan, verwart de boodschap van interactie – daar ben ik het mee eens – met het overbrengen door te zenden – dat tracht ik te vermijden. Je kan het zien, in deelnemers die zich tijdens presentaties geheel anders gedragen, dan tijdens de pauzes. En dat dat verschil niet besproken wordt, maakt het geheel zelfsluitend. De leidingsmetafoor leidt noodzakelijkerwijs tot een “double bind“. Deelnemers van de gefaciliteerde sessies zijn (doorgaans) buitengewoon tevreden; de klant, in de vorm van de ondersteunde mens, ook. De opdrachtgever twijfelt, was het de prijs waard? Blijven we wel binnen budget?

De “leidingsmetafoor” werkt, werkt goed. Maar dan ook uitsluitend in bekende situaties. Op onbekend terrein – ik denk dan aan innovatie, vluchtelingenproblematiek, financiële crisis, politiek, “genderissues”, veiligheid en ga zo door -, werkt de metafoor eerder tegen ons, dan met ons. De leidingsmetafoor werkt naar bekende oplossingen voor bekende problemen. We kijken dan alleen naar de kosten voor het behalen van een bekend resultaat, zoals we een voorwerp kopen aan een kraampje. De “leidingsmetafoor” is door haar aard fragiel. Kleine, bekende verstoringen kan ze aan. Maar kleine verstoringen die tot resonanties leiden of tot een hyperkritische situatie, kan ze niet aan. Eén vergissing kan alle besparingen bereikt door de “leidingsmetafoor” te niet doen. En meer dan dat. Dat komt overigens niet door de metafoor zelf natuurlijker, maar door de gebruiker, door ons gebruik van deze gebruikelijke metafoor.

Faciliteren gebruikt noodzakelijkerwijs de “toolmaker metaphor”: het gaat om relaties, interacties, ontdekken en uitvinden, fouten maken en leren. Facilitator werken als gereedschapsmakers. Facilitators verzamelen tools, methoden en technieken. Maar daar gaat het ons niet om. Het gaat om het toepassen. Faciliteren leert van fouten en is daardoor antifragiel. Faciliteren werkt versterkend. Aan een van mijn leraren – Louis de Swaaf – vroeg ik: “welk doel heeft de facilitator?”. “Het sterker maken van de klant”, was zijn onmiddellijke antwoord. Je investeert in mensen, in elkaar, door het laten faciliteren van een bijeenkomst

In de toekomstige wereld, kan u, de inleider, voorzitter of presentator uw eigen proces faciliteren. Het koste zoveel tijd en moeite om een expert op te leiden, dat we geen tijd en geld konden besteden aan het leren overdragen van zijn of haar expertise. We doen alsof de expertise verworven is door middel van de leidingsmetafoor. Het heet “opleiding”. Voor faciliteren bestaat geen opleiding. Iedereen leert het in de praktijk. We leren experts te faciliteren in hun praktijk. [reclameblokje voor Kunstmest XP; Faciliteren voor eXPerts]. Tot het zover, zullen we moeten investeren in het faciliteren van bijeenkomsten. Of anders veel geld efficiënt weggooien aan ineffectieve bijeenkomsten, kennisoverdracht en technische oplossingen. Penny wise, pound foolish.

Investeren in kennissen
Faciliteren biedt geen kant-en-klare formules. We werken met recepten in plaats van voorschriften, we improviseren op basis van ons programma. Faciliteren houdt ook opvoeding in. Faciliteren levert meer op, naar mate de klant beter begrijpt, dat hij of zij het belangrijkste ingrediënt vormt. Faciliteren betekent het maken van verbindingen, relaties, netwerken. Faciliteren voegt waarde toe door te investeren in kennis in relaties, in kennissen.

Evoluerend Universum

Naar aanleiding van een bijdrage in de Correspondent van Tamar Stelling, heb ik mijn gedachten laten opkomen over evolutie. [Tussen [] wat aanvullingen]

hoofdstuk7paden-02Evolutie, of evolueren – ik vermijd reïficeren -, is een emergent, autonoom fenomeen, ontstaan uit de paradox van “behoren” (Belonging), ofwel de schijnbare tegenstelling tussen samenwerken (overvloed) of concurreren (schaarste). Ik hanteer een inclusieve of: het kan ook allebei. Deze twee zijn niet tegengesteld aan elkaar, maar complementair. Ze vullen elkaar aan en de één is niet beter dan de ander. Eigenlijk is het één en hetzelfde proces, wat we aanduiden als evolueren. Omdat we om gewaar te worden onderscheid moeten maken1) , ontstaat daarbij een illusie van tegenstellingen. Deze fictieve tegenstellingen verwoorden we in zelfstandig naamwoorden, waardoor ze feiten lijken. 2)3)

Zoals evolueren altijd uit het best aangepaste (fittest) systeem bestaat – er kan geen ander bestaan, anders had dat wel bestaan -, zo ontwikkelt zich ook ons denken over evolueren. 4) Ons denken over evolutie past zich aan, evolueert ook.

[op ieder moment bestaat ons denken uit het begrijpen-tot-dan-toe. Ze is aangepast aan de situatie waarin we verkeren. Wat werkt werkt en wordt werkelijk. Omdat gewaarworden en oordelen onverbrekelijk met elkaar en de gegeven situatie verbonden zijn, kunnen we niet anders dan de gewaarde werkelijkheid verwerkelijken en voor waar houden. Ons wereldbeeld is noodzakelijkerwijs begrensd door – zie de paradoxen van behoren -, zowel ons eigen denken als het denken door anderen. Hieruit ontstaat de beleving van samenwerken (“eens”) of concurreren (“oneens”).

appel peer paradoxIn termen van het gehanteerde model van paradoxen, vertalen we oneens in niet-eens, een digitale tegenstelling. In beide gevallen kunnen we dit aanduiden met het woord “school” (werk zelf uit).

Het moge duidelijk worden, dat daarmee “denken” een noodzakelijk bijproduct is van “evolueren”. Vanuit een bepaald standpunt, zou je de hele evolutie kunnen beschouwen als een denkende, analoge computer, die haar eigen resultaten ontwikkelt. Met de DNA/RNA-“machine” code ontwikkelt zich de eiwit-“programmeertaal”. Een bacterie kunnen we dan opvatten als een stukje samenhangende code of “object”. Deze ontwikkelen zich – de term Agile dringt zich op – tot grotere systemen, met complexe interfaces. Het proces van evolueren omvat het product van evolutie. Zo werkt alles aan haar eigen betekenis.

Wanneer alles een uitdrukking is van paradoxen 5) – in dit geval de paradoxen van “expressie” of uitdrukken -, roepen deze processen een emergent fenomeen op. Ik kan dan zo verklaren, hoe het product van deze processen – in casu de mens – een schepper, designer of ontwikkelaar aanroept. Wat wellicht lastiger te begrijpen valt, is dat deze universele “maker” samenvalt met zijn of haar schepping en dat de geschapene als deel, noodzakelijkerwijs een “afbeelding” is van het geheel. Vandaar dat we in elke religie “verantwoording” dienen af te leggen over onze handelingen en dat ze tegelijkertijd de saamhorigheid (!) bevordert. Waar menige religie in doorslaat, is het verkondigen van een absolute waarheid.]

1) [uitvinden van de werkelijkheid, wat werkt]
2) [ik gebruik hier dus weer het verschijnsel dat feit en fictie “gemaakt” zijn. Reïficeren is dus een emergent fenomeen van waarnemen en denken, de paradox van engageren (Engaging, ofwel percipiëren. Je ziet hoe de paradoxen elkaar oproepen.)]
3) [In het artikel wordt beschreven dat darmflora en andere bacteriën bij ons horen. Dat geldt ook voor al onze “andere” cellen en zich daarin bevindende resten van bacteriën. In termen van de paradox van behoren, begrijp ik nu. hoe de samenhang bestaat tussen

  • identiteit (wellicht beter: identificeren of identfying)iedere cel heeft eigen eigenschappen EN die zijn “onteigent” (oneigenlijk gebruikt) uit algemene eigenschappen
  • individualiteit (en dus hier individualiseren of individualsing) iedere cel is zowel uniek als een deel van het collectief, dat de expressie van die individualiteit mogelijk maakt
  • betrokkenheid (betrekken, betrokken zijn of worden of involving iedere cel betrekt zich op nabije cellen, is tegelijkertijd afhankelijk en onafhankelijk van andere celle
  • grenzen (begrenzen of limiting iedere cel heeft grenzen en wordt begrensd door andere cellen.]

4) [Hiermee valt het universum dus samen met evolutie – niet voor niets allebei woorden die “draaiende beweging” suggereren – en het enigmatische godsbegrip. Niet voor niets begint de bijbel met “in de beginne scheidde (!) god hemel en aarde”]

5) Energie en paradox zijn equivalent. De “spanning” tussen de polen uit zich in de vorm van “energie” en “kracht”, die zich omzetten in “werk”. Omdat energie behouden is, is ook paradox behouden.

Drie regels voor productieve bijeenkomsten

Active participationTaal maakt de mens, zoals mensen taal maken. Onze taal is van oorsprong een “command-and-control“-taal. “Pas op!”, “Doe dat!”, “Hoe gaat het?”. Communicatie bestaat dan uit éénrichtingsverkeer.

In principe verstaan we een boodschap, zoals deze door de zender is bedoeld. Dit heet ook wel het Helsinki-principe, naar een afspraak op een conferentie over computers in de jaren ’50 in Helsinki. Generaliserend vormt het nog steeds de basis van onze bijeenkomsten en conferenties. Na de presentaties weten de deelnemers waar het over gaat. Eenrichtingverkeer.

Is het niet duidelijk? Dan moet het duidelijker gebracht worden. De spreker beter leren presenteren. Of neem een groter scherm, een illustratie of een (teken)filmpje. Niet verkeerd, maar het gaat voorbij aan een elementair principe: communiceren bestaat uit informatie delen. Minder mededelen, meer medeleden.

In bijgaand artikel geeft Dr Ravn duidelijk aan waarom en hoe we informatie daadwerkelijk moeten delen om tot resultaten te komen.

In bijeenkomsten moeten
(1) mensen autonoom (zelfstandig) informatie uit presentatie verwerken door
(2) betrokken (in kleine groepen) hun kennis te delen
(3) gericht op door hen bereikbare resultaten.

Meetings must transform (1) information delivered in presentations, through (2) knowledge sharing into (3) action that creates results.

Professionals moeten leren bijeenkomsten te faciliteren. Begrepen?

from_one-way_communication_to_active_involvement_0, White paper published by by Ib Ravn, Ph.D., Associate Professor, Aarhus University, 2015

Geld geldt

Yuval Harari schetst in zijn twee boeken – Homo Sapiens en Homo Deus – een beeld van de geschiedenis van de mensheid in respectievelijk het verleden en de toekomst. Geld en geloof of vertrouwen in elkaar, speelt daarin een hoofdrol, omdat “betekenen” het sleutelbegrip is, om mensen te begrijpen.

Een van zijn conclusies (en ook de mijne) is, dat we als mensen in twee werelden tegelijkertijd leven: een objectieve, feitelijke wereld en een fictieve, imaginaire wereld. De woorden feiten en fictie verwoorden dat al: beide zijn afgeleid van “facere”, maken.

Hetzelfde geldt voor het woord “geld”. Geld is zowel reëel, objectief en feitelijk als imaginair, subjectief en fictief. Het gebruik van het woord “geld” geldt als geldigheid voor deze bewering.

Een kenmerkend verschil tussen de reële en imaginaire werkelijkheid is, dat de eerste van nature begrensd is en de tweede vanzelfsprekend onbegrensd. Onze fantasieën, dromen en verhalen, zie de boekhandel, bioscoop of tv, kennen geen maat. Onze aardbol en alle voorwerpen, zijn eindig en begrensd. Sterker: ze begrenzen ook onze dromen. Dat noemen we de harde werkelijkheid. Dit verschil houdt overigens ook in, zoals Harari betoogt, dat een echt mens echte pijn en vreugde voelt, maar een groep mensen of organisaties niet.

Geld is een manifestatie van het Thomas Principe (“If men define situations as real, they are real in their consequences.”). Het verhaal dat we elkaar vertellen over geld heet “economie”. De fictie houdt ook in, dat het feit dat iets meer waard is, ook meer kost (“moet kosten”) of opbrengt (“prijzen” (!)) (dit is in een notendop het verhaal van de uitgaven in de zorg). En in het verhaal, vertellen we elkaar, dat de economie eeuwig moet groeien. En gelukkig kunnen we de cijfers op papier laten groeien. Wat we voelen, zien en horen, is dat het fictieve verhaal feitelijk niet meer klopt. Maar ja, wat dan?

Een van de gevolgen van het geloof in ons verhaal, is dat iemand die meer geld heeft, meer waard is. Dat houdt in meer macht en genereert de scheefgroei in het individuele kapitaal. De lengte van mensen heeft een natuurlijke verdeling, niemand groeit tot in de hemel. De verdeling van geld is “onnatuurlijk”. Het verhaal gaat, dat dat “verdient” is. Het is het sprookje van de kleren van de keizer: niemand staat te wachten op een tante Mathilde die gilde: “dat geld is niet echt, je bezit niet meer dan je lichaam”.

De taak waar we voorstaan, denk ik dan, is NIET het verzinnen van een ander verhaal. (Dit is een paradoxale opdracht, ik weet het) Het vraagstuk vraagt om een paradigma verschuiving. Het oude verhaal is niet waardeloos, het is niet langer waar en niet onwaar. We moeten terug naar de bron: “wat verstaan we onder elkaar, onze gemeenschap?”. Ik vermoed, dat het niet te maken heeft met het vertellen van verhalen, maar het vermogen om naar elkaar te luisteren. Een vermogen tot het voeren van een dialoog, zoals mijn lieve vriendin Sofia doet, over de verschillen. We dienen te gaan zoeken in het duister – in onszelf -, waar we de sleutel verloren hebben, en niet in het licht dat straalt op de deur.

Als je begrijpt wat ik bedoel

haas eendEen Jung werkgroeplid stuurde me een mail:

Eend en Haas
“Je kent het plaatje in de bijlage ongetwijfeld. Is het een haas, of is het een eend?

Stel je voor, dat twee mensen aan het tekenen zijn. Zij maken hun tekeningen op grond van een aanwijzingen door een derde en het voeren van een gesprek met elkaar, inclusief de derde. Het object dat getekend wordt vormt zich aldus: het is niet concreet van te voren gegeven. En ze hebben geen zicht op elkaars werk. Het resultaat is dat de een een haas en de ander een eend heeft getekend. Uiteraard zijn beide tekenaars zeer verwonderd elkaars werk tenslotte te zien.

In het dagelijkse samenwerken doet zich dit waarschijnlijk doorlopend voor, zonder dat dit ooit duidelijk wordt noch problemen veroorzaakt. Tenzij er uit de uitkomsten juist wel problemen ontstaan. Naarmate de belangen groter zijn en ieder op zijn manier zich enorm heeft ingespannen zal zich dat ook in emotie en drama vertalen. De boel slaat los, er is geen contact en ook geen wederkerigheid meer. Het tendeert naar (symbolische) oorlogsvoering. Nadat de escalatie is uitgewoed en ieder zichzelf wat hersteld ontstaat pas weer de ruimte om naar elkaar te kijken. De schade is groot maar nog beroerder is het dat pas dan het inzicht in elkaars goede intenties naar voren komt. Dat besef maakt duidelijk dat het allemaal heel anders had gekund. Maar dat is achteraf. Niet bekend is wat hier nu eigenlijk in het spel is geweest.

Herken je wat ik bedoel?”

Möbius Ik herken je voorbeeld; ik vermoed dat een en ander speelt in elke situatie. Net zoals je niet begrijpt wat ik bedoel met het volgende:

Paaps en Turks
het is – zoals de tekening – een paradox. De “oplossing” wordt ook wel het Helsinki-principe genoemd. Bij een vroege conferentie over automatisering in Helsinki, is afgesproken dat betekenis van een boodschap, verzonden door een zender, bij de ontvanger voor 100% de betekenis is, als bedoeld door de zender. In alle andere gevallen bestaat er nl onzekerheid over de “echte” betekenis.Dit principe wordt door vrijwel iedereen impliciet gehanteerd. Belangrijke uitzonderingen zijn cabaretiers, het is immers de basis van een goede grap. Als voorbeeld kan je de huidige controverse over Erdogan in de Duits-Turkse verhouding gebruiken.”

Vanaf hier begrijp je me weer 🙂

Verzoek en opdracht?
Dit houdt in, dat iedere boodschap een meta-boodschap bevat die in een proefschrift van ene Pieter Wisse genoemd wordt Every sign is a request for compliance . In jouw mail maak je dat expliciet, maar het zit verscholen in elk (mail) bericht en verklaart de explosieve groei van berichtuitwisseling. (Wat ik interessant vond in mijn contact met Pieter Wisse, is dat hij zelf niet de (paradoxale) implicaties hiervan begreep, en een “taal” heeft ontwikkeld om dit “op te lossen”.) In het kader van je vraag, is dit “request” natuurlijk een (impliciete) “opdracht”.

Ik en ander
In iedere boodschap hanteren we naast de expliciete structuur van een zin, een impliciete grammatica. Deze impliciete grammatica maakt gebruik van een netwerk van opvattingen en aannames, die we “cultuur”, “wereldbeeld” of “werkelijkheidsopvatting” kunnen noemen. Dat laatste woord past het best, omdat het gaat over “wat werkt”. Dit zijn de pragmatische aspecten van menselijke communicatie. In communiceren dienen we steeds rekening te houden met “de ander”, opdat onze boodschap overkomt. Paradoxaal genoeg, kan het zijn, dat wanneer we juist het tegendeel zeggen van wat we willen beweren, de boodschap – in termen van betekenis – beter overkomt. Kort gezegd, wanneer iemand ander het niet met ons eens is – of zelfs boos wordt – heeft zij of hij de boodschap beter begrepen, dan na een kort instemmend “hmm”.

Ik en zelf
Verder heeft het Helsinki-principe nog een ander “aspect”: het veronderstelt, dat de zender de eigen boodschap begrijpt. Ik zelf zeg altijd, dat ik pas weet wat ik denk, wanneer ik mezelf hoor praten. Met andere woorden, er is een feed-back loop waarin ik ook op mijzelf het Helsinki-principe toepas. Verder zal de ontvanger begrijpen dat dit het geval is, of doet alsof dat niet het geval is. “Als je begrijpt wat ik bedoel” (overigens een mooie naam voor deze paradox).

Escalatie en stagnatie
In je vraag beschrijf je de paradox en haar “oplossing”: elke communicatie “veroorzaakt” escalatie (symmetrische situatie noemt Bateson dit) en stagnatie (complementaire situatie). “Veroorzaakt” tussen “”, omdat het niet de communicatie is, die dit veroorzaakt, maar de paradoxen van Expressie. Alleen in de beweging van de ene situatie naar de andere – wat jij “in-between” noemt en wat Hannah Ahrendt aanduidt met de “inter-esse“, het “tussen-zijn” – vindt betekenis overdracht plaats. (Merk op, dat ik hier de betekenis tussen – – zet). Dit fenomeen wordt wel “coupling” genoemd.

Wat het zo lastig maakt om dit te begrijpen, is deze “coupling” een proces is. Dit proces vindt plaats in het tweedimensionale (ofwel “complexe”) vlak, waarbij wij, door de aard van onze materiële existentie, alleen zichtbaar toegang hebben tot de reële as. De andere – de “irrationele” of beter “laterale” as – ervaren we wel, maar ze manifesteert zich niet concreet. We kunnen haar alleen in de realiteit representeren, door een tekening. Stel je een spiraalbeweging voor, waarvan je alleen de afbeelding in het platte vlak of een doorsnede ervaart. Dit is een cirkel. Ontbindt de cirkel in twee assen en je hebt een kruis in een cirkel. “Als je begrijpt wat ik bedoel”

Begrip en onbegrip
Een (waargebeurde) anekdote: tijdens een van de uitvoeringen van onze Leergang Kunstmest, zie op de derde dag Carolien – een van de meest intelligente vrouwen die ik ken – tegen me:
“Jan, ik begrijp niets van wat je bedoelt met je uitleg (over mijn boek)”.
Waarop ik haar bij de bovenarm “begreep” en zie: “ik begrijp je Carolien”.
“Nee”, zei ze, “ik begrijp je echt niet”.
Ik begreep haar weer en herhaalde “ik begrijp je Carolien”. Ze zei het nog een derde keer en ik herhaalde mijzelf opnieuw.
Een paar uur later bleek – uit haar gedrag – dat ze me volkomen begrepen had.

Paradox
appel peer paradoxWellicht ten overvloede: paradox vormt de grond voor betekenis. Betekenis vat ik op als een emergente eigenschap van wisselwerken. Je kan wisselwerking opvatten als gebruiken van spanning uit de complementaire tegenstellingen Vergelijk “appel” en “peer”. Een “peer” is geen “appel” en “appel” is niet “geen appel”. Een peer is ook niet “geen appel” en niet “geen peer”. Maar iets wat niet “geen peer” is, is nog geen “appel”. In onze pogingen om te begrijpen, gebruiken we de verschillen en scheppen we daarmee (vandaar “eigenschap”) de gewaarwording die we als “betekenis” ervaren. Betekenis is dus niet alleen contextueel, ze is ook subjectief en “imaginair”. De reële kant daarvan is het voorwerp – laten we zeggen “de appel” – de appel die we zien. De laterale of imaginaire kant vormt zich tot het symbool, betekenissen van “appel”. En dat kan van alles zijn, daarom gebruik ik ook bewust “appel”. (Merk op, dat je een appel kunt verschillen :-)). De “echte” betekenis van de appel, zit in het opeten. Maar dan houden we alleen een klokkenhuis over.

In de paradoxale tegenstelling is altijd sprake van een, of ander (=twee), een en ander en noch een noch ander. In communicatie is altijd sprake van begrip, of onbegrip, begrip en onbegrip en noch begrip, noch onbegrip. Merk overigens op, dat dit onafhankelijk van het bestaan van (gesproken) taal is.

Wat is mis met de facilitator?

Kunstmest 6 - Impressie door een dochtertjeEen steeds terugkerend fenomeen duidt op een paradox. Steeds opnieuw komt de vraag op (ook bekend als “kwestie”): wat verstaan we onder “facilitator”? Wat is faciliteren? Hoe definieer je “facilitator”? Wat is een goede (lees; betere, andere) naam voor “facilitator”? Welke paradoxale krachten maken het ons onmogelijk om te spreken van “de facilitator”? Wat is er mis met “facilitator”?

Deze dingen overdacht ik mijzelf, terwijl ik weer eens in “Pragmatics of Human Communications” van Paul Watzlawick, Janet Bavelas and Paul Jackson zat te lezen.

Een inkoppertje. Faciliteren betekent verbinding maken.
1. Alle gedrag is faciliteren en alle faciliteren is gedrag (het is onmogelijk om niet te faciliteren)

Dan:
2. Al het faciliteren betreft een inhoud en een relatie, waarbij de relatie de inhoud classificeert. Faciliteren is dus ook meta-faciliteren.

Vandaar dat een definitie van faciliteren door de relatie, betrekking geclassificeerd wordt, ofwel: de definitie zegt ook iets over de subjecten, over de onderlinge betrekkingen. De definitie van faciliteren hangt af of je praat met je partner, deze geeft aan je klant, je te maken hebt met een opdrachtgever, de probleemeigenaar; betreft het een deelnemer die dwars ligt? een deelnemer die mee doet? etc. En tegelijkertijd kan die betrekking veranderen: het is niks mis met faciliteren, tot het mis gaat. En omgekeerd.

Voor u als lezer van deze site, betekent faciliteren een “tweede beroep”. Dat is voor iedereen wat anders en daar ik u niet ken, weet ik niet eens wat u nodig heeft als beschrijving. Zo komen we op de volgende paradox.

Als de betekenis niet in de inhoud, maar in de relatie zit, hoe dragen we de inhoud dan over? Via de interpunctie, zeggen Watzlawick et al. – in ons geval de interventies. De manier waarop je met iemand spreekt over de definitie van facilitator bepaalt (mede) de definitie van faciliteren. Hard of zacht, eerst zuchten (daar gaan we weer..) of juist recht op gaan zitten, je naar de ander toekeren en – daar had ik het met Larissa over – het aanraken van de ander (“begrijpen”), allemaal elementen van wat er mis kan gaan met de definitie van facilitator.

3. De aard van de relatie is afhankelijk van de interventies tussen de partijen (hieruit volgt dat faciliteren pragmatisch is: het gaat om de handeling, gedrag en het verwachtte effect en niet op de juistheid ervan)

Natuurlijk hoort (!) daar een talige uitleg bij (= de inhoud), maar er is ook de betrekking. Zo komen we op het grote schisma in de facilitator wereld: gaat het om de geschreven geeltjes of de tekstuele input in een computer, het brein of gaat het om de beelden, houding, het lichaam. In het eerste geval produceren we heel veel, maar gebeurt er niks (mee), in het tweede geval gebeurt er van alles, maar weten we niet waar het over gaat. Willen we een serieus resultaat, of gezellig met elkaar bezig zijn?

Hier is de volgende paradox:

4. Faciliteren gebeurt zowel digitaal als analoog. Digitaal is via gesproken en geschreven taal, heeft een logische syntax (structuur), maar onvoldoende betekenis geeft ten aanzien van de relaties, terwijl analoog (“lichaamstaal”, “beeldtaal”) voldoende van deze semantiek biedt, maar een adequate syntax ontbeert.

We hanteren beiden, maar kunnen maar aan een van de twee aandacht geven. Daardoor frustreren ze elkaar ook: “als ik zit te bouwen,” zei iemand vorige week in een sessie met LEGO, “kan ik niet nadenken. Ik wil denken, dus ga ik niet bouwen”. …. Vijf minuten eerder had hij tegen mij in de groep gezegd: “wanneer gaan we eindelijk eens wat doen?”. (let op de interpunctie!)

Tenslotte, waar komen alle oplossingen op neer en problemen vandaan? Ze komen tot uiting in elkaar uitsluitende en elkaar aanvullende oplossingen. De kiem van het probleem zit al en de vrucht van de oplossing. Centraliseren of decentraliseren? Marktwerking of solidariteit? Concurreren of samenwerken?

5. Faciliteren kan symmetrisch of complementair zijn. In het eerste geval bestaat er gelijkwaardigheid, die goed aanvoelt, en wat kan leiden tot escalatie, concurrentie en ketterij; in het tweede geval bestaat er ongelijkwaardigheid, waarmee we elkaar aanvullen, en die kan leiden tot stagnatie, tegenwerken en schisma’s.

Zijn we als facilitator gelijkwaardig aan de groep, dan horen we erbij, zijn we één. Maar wat is dan nog onze toegevoegde waarde? Dan kan de groep het zelf ook. Vandaar ook, dat een opdrachtgever zal aarzelen om een facilitator in te huren: het team, de mensen, de groep moet het zelf kunnen!

Zijn we als facilitator een aanvulling op de groep, dan kunnen we iets brengen, maar ontstaat er weerstand omdat we
– nodig zijn, want blijkbaar zijn we als groep niet goed genoeg, dat we iemand nodig hebben
– iets toevoegen wat de groep niet begrijpt (“meditatie”, “met LEGO spelen”)
– iets gaan bespreken, wat we nu juist niet wilden bespreken,
….
Vandaar, dat een opdrachtgever zal aarzelen om een facilitator in te huren, omdat hij of zij het idee heeft het eigenlijk zelf te moeten kunnen.

Dus, wat is er nou mis met de facilitator? Hetzelfde als met een groep. We kunnen niet met groepen leven en we kunnen niet zonder, maar we zijn de groep niet. Een persoon is een ander (logisch) type dan een relatie. Een man (“husband“) met een vrouw (“wife“), is niet hetzelfde als een huwelijk. Maar wanneer je een huwelijk definieert als een relatie tussen een man en een vrouw, heb je een probleem met een zogenaamd “homohuwelijk”. En een relatie heeft verschillen nodig, waarbij een relatie een andere dimensie is, dan een verschil. En tegelijkertijd roepen ze elkaar op. Zo gaat het ook met facilitators (of leiders). In de groep is een facilitator (leider) nodig, en de facilitator is de groep “niet”. De facilitator is iemand die een groep nodig heeft, maar “is” de groep niet. De spanning die daarin bestaat, daaruit bestaat het faciliteren.

How to recognize a CPF?

I’ve added my thoughts on branding the facilitator in a Linked-In group discussion. It illustrates chapter 8 of my book. I’ve added here a few uses of this tension.

Pinning down
I’ve just received my CPF-pin (with the old IAF-logo, so I guess it is already a collectors item) and it brings back my old doubts on branding facilitation and/or CPF. Years ago in the Dutch board, I opposed developing a token – like a pin -, for a CPF. It is not that I don’t have pride on my achievements and our CPF-program. Wearing a pin, being recognized as a CPF, just somehow doesn’t fit our profession.

OVK-06 aangepastOne of the key issues in facilitating, is to remain on the “adult”-level with both the client and the participants, I’ve borrowed the TA-model with the three positions: Child (K) – Adult (V) – Parent (O). The “adult-position”, is between child-position (the group, being regressed) and the parent-position (the client, trying to take “care” of the group, usually called managing, implying the adult is a man* 🙂 ). The “adult-position” mediates between the two, connecting the creative, play-full, irresponsible “child”, with the over-responsible, superior, limiting “parent”. As a facilitator, I not only mediate between the two, I also learn them how to become more “adult”.

In my opinion, when I use a token, like a CPF-pin, I put myself in the “parent”-position. This is recognized, or acknowledged, and even demanded, by the client. He – most of the time a he – requires more and more certificates. We tend to see this as “good” and in support of a CPF. It recognizes its value. However, this disables him, the client, from having to search for a facilitator that fits him and the situation. It is making a selection a “paper exercise”: just checking the list.

Double pin
This is clearly a “double bind”, as both the client and I, the facilitator, cannot escape from this game. I cannot say “I’m not a CPF”, or “I’m a CPF, but please do not recognize me”. (You’re aware that I’m using the double meaning of recognizing here: acknowledging or confirming (in Dutch: “erkennen”) and identifying (in Dutch: “herkennen”). Here we’re having the paradoxes of “Belonging”). And he cannot say something like, “listen, I do not trust you” or “I feel weakened by having to ask for support”, or even “I feel threatened by your work with my group”.

Putting on a pin, creates a double bind between me and the group too. I’m in a position “above” the group and I have to pretend this is not the case. Participants in the group cannot discuss their frustrations or anxieties or whatever. Any attempt from my side, will be seen as part of the cover up. I cannot ask them to move into the “adult”-position, as I’m in the “parent”-position. I know what is good for them. I also cannot ask the to ignore my CPF, as I’m clearly wearing the pin or have been asked to facilitate them because of it. They cannot say: “listen, we don’t trust you!”, “we don’t need support, we just want our boss to listen to us”, or even “we feel threatened by you working with our manager”.

Prof Homan, mentions this is the foreword of our book on facilitation (Faciliteren zonder Omwegen) : “you can only hope that afterwards the participants and the client will say: ‘we’ve been facilitated'” . This is, I think, what he means by saying that most of the work has to be done before and after the meeting. And that we have to change the power structure, the structure blocking the change it requires itself. So I’m not against CPF or whatever promotes professional development. It is just that I cannot use it.

Implications for facilitators
In working with groups, I do not try to “solve” this issue, as it is inevitable. Use it as a source of energy. I do have some clues:

  1. overdress slightly, even more “powerful” than the client, while adding a twist using a spectacular shirt, tie, tie-pin**) or jewelery
  2. at a key moment, for instance, when planning actions, un(der)dress by removing you tie, jacket or shawl
  3. make mistakes,hesitate, do something clumsy and acknowledge these
  4. define “places” in the room, where you have a “child”, “adult” and “parent” position. For instance, a place the client uses, contains the “parent” position; your adult position is defined in the middle of the room and as a child, you sit with the group, or walk with them. When you feel stuck in either of the positions, just move over to another space. You can do this explicitly, but most of the time it is not necessary
  5. use a method or technique from the “Evaluative mode” (4th game level), like Story Telling, Dialogue, Force Field Analysis (Kurt Lewin), Moving to Where it Matters (! surprise, even for me) or Allocating Resources
  6. in the opening or introduction, use a question about “position”, like “where do you (we) want to be at the end of our meeting?”
  7. .
    *) Of course, you know that management comes from maintener: using your hands (“mains” in French) to steer horses.
    **) here we have a functional use of the pin: make it into a shawl or tie-pin! (Perhaps even overdo it). Then, when you remove you tie, you also remove the pin.

Grenzenloos faciliteren

cropped-hoofdstuk-1-verandereninwerkelijkheid-11.jpgDit is het thema van de facilitator conferentie 2015: “Grenzenloos Faciliteren“.

Samenvatting
Grenzen bepalen ons gedrag. Grenzen en relaties horen bij elkaar, als een echt-paar. We kunnen niet zonder en we kunnen niet met grenzen. En daaruit ontstaan de fenomenen van vechten/vluchten, veiligheid, schaarste en de vraag aan een facilitator, om ons daarvan te bevrijden. Jammer dat alleen een groep zichzelf kan bevrijden. Daar liggen de grenzen van faciliteren.

Vergrenzen
Tot hier en niet verder. Daar ligt de grens. Van jongs af aan leren we waar onze grenzen liggen. En daar binnen te blijven. Een paar jaar geleden had ik deze conversatie:
“Lelie, je gaat over grenzen”.
“Dat weet ik, maar hoe kan ik weten waar de grens ligt, zonder er overheen te gaan”.
“Je bent een professional, dat hoor je te weten”.

Grenzen, begrenzen, is een paradoxaal fenomeen. Met paradoxaal bedoel ik een schijnbare tegenstelling. Begrenzen – het maken van een binnen en buiten, die aansluiten en elkaar uitsluiten -, maken paradoxen mogelijk. Onderscheid in ruimte, voor, achter en naast. Onderscheid in tijd, voor en na. Alleen het hier-en-nu is onbegrensd, want altijd. In een sociale context bepaalt de groep de grenzen. Van gezin en familie, via stam en kerk tot organisatie en natie.

Onderscheid maken is een noodzakelijke en voldoende voorwaarde voor paradoxen. Spencer Brown toont in Laws of Form zelfs aan dat niet alleen logica, maar zelfs het hele universum op dit principe gebaseerd is. Leven is paradoxaal, zoals blijkt uit Paradoxical Life. En ook bij leven vormt de grens, het celmembraan, de cruciale stap. Leven in groepen is inherent paradoxaal, immers een groep begrenst en opent. Deze paradox hoort tot de klasse “Behoren“, samen met Identiteit, Inzet en Individualiteit. (Zie “Smith en Berg, Paradoxes of Group Life“).

In het faciliteren komen we talloze grenzen tegen. Te behalen resultaten vormen een grens. De opdrachtgever schrijft im- en expliciete grenzen voor. Daarnaast begrenzen de muren en de tijd plaats en handeling. Zelfs papier heeft grenzen. We trekken een grens rond een cluster.

We kunnen niet zonder grenzen. En tegelijkertijd vraagt een opdrachtgever van een facilitator om een “doorbraak”, een oplossing, het verlost worden van een grens. In het meest neutrale geval wordt het “een innovatie” genoemd. Hoe gaan we daarmee om? Dat geen we met elkaar onderzoeken. Hier alvast een voorschot.

Oproepen en erbij horen
Het praten over een groep roept grenzen op. Of wellicht is het andersom: maken groepen door hun bestaan geluid, praten en taal. Mensen en dieren herkennen elkaar aan hun geluiden. De grens bepaalt wie erbij horen en wie niet. Let op het gebruik van “horen“. Bij mensen staat de taal zo op de voorgrond, dat wat er gezegd wordt soms belangrijker is dan wat er gedaan wordt. Maar ja, “actions speak louder then words“.

Grenzen bepalen je identiteit. Elke groepsidentiteit bepaalt een persoonlijke identiteit en deze wordt ook een groepsidentiteit. Zo ben ik een man en hoor bij de groep “mannen”, die vervolgens bepaalt hoe ik me dien te gedragen als “man”. Grappig woord, in dit verband, “bepalen“: het gebruiken van palen om iets te begrenzen. Het woord geeft het dilemma al aan: is er ruimte tussen de palen? De paradox wordt compleet, wanneer we mannen ook laten bepalen wie wel en wie geen echte mannen zijn. Of moeten we dat aan vrouwen overlaten? Wie bepaalt, betaalt. Begrenzen heeft ook een prijs.

Groepen ontstaan spontaan, uit verschillen die zoeken naar overeenkomsten. De overeenkomsten vormen de grens, de criteria, de kenmerken. Een groep biedt veiligheid – ook wel solidariteit genoemd. Laat eens zien hoe dat gaat.

Veiligheid
Ik kan niet alles alleen. Daarbij voel ik me alleen en incompleet. Ik ga bij een groep, om met elkaar meer te doen, om me minder alleen te voelen en omdat ik iets kan brengen wat de groep niet heeft. Ik heb de groep nodig en de groep heeft mij nodig. Zo biedt een groep veiligheid, geborgenheid en mogelijkheden. Toch?

Een groep organiseert zich in eerste instantie niet op basis van verschillen, maar op overeenkomsten. Mannen bij mannen, vrouwen bij kinderen, familie bij familie, achtergrond bij achtergrond, organisaties op doelstelling. Dus ik moet meedoen aan een gezamenlijk doel – niet mijn doel. En ik moet me gedragen, zoals de anderen zich gedragen. Verder is een groep groter dan ik alleen, maar daardoor wil de groep eerst iets van mij, voordat ze zal voorzien in iets wat ik nodig heb. Dat begint bij een organisatie al met “de goede vooropleiding”.

Types
Wat een en ander zo ongrijpbaar maakt, is het verschil in wat wel genoemd wordt “logische types“. Om een klasse of verzameling elementen te beschrijven, hebben we andere concepten nodig dan de concepten die we gebruiken om de elementen te beschrijven. Kort gezegd: een groep mannen is geen man. We kunnen wel bepalen wat een man is. Op basis van allerlei eigenschappen die we dan kenmerken noemen. We noemen dat een typische man. Vervolgens kunnen we mensen met gelijke kenmerken samennemen tot een groep en deze “mannen” noemen. Die doen mannen dingen, zoals voetbal kijken, bier drinken … . Dat is een typische groep mannen. Maar de kenmerken van de groep zijn niet “mannelijk” en vaak ook niet dezelfde kenmerken als die van een typische man. Iedere keer weer lopen we in discussies tegen deze grens op: hier ligt de grens van ons begrip. We zeggen dan: “ik begrijp die mannen niet”. Ik kom straks nog even terug op de begrenzende werking van taal.

Heel lang werd gedacht dat gebruiken van “logische types” dit soort problemen zou oplossen. Maak onderscheid tussen wat een man is, iemand die zijn baard scheert, en wat een klasse van mannen is, degenen die hun baard scheren. We moeten die niet over één kam scheren, zogezegd. Maar strijk en zet liepen de redeneringen vast. Totdat Gödel bewees, dat er geen oplossing voor is. Iedere grens is onhoudbaar of open. In het eerste geval, moet de grens doorbroken worden. Maar dat kan alleen met nieuwe grenzen. In het tweede geval voldoet de grens niet en moeten er nieuwe grenzen komen. Dat houdt ook in, dat we niet zonder grenzen kunnen. En dat ook grenzen hun beperkingen hebben, zogezegd.

Over en onder de grens
Om bij een groep te horen, moeten we “een grens over”. We moeten iets van onze individualiteit opgeven, een stukje identiteit inleveren en er zal van ons gevraagd worden ons in te zetten voor de groep. Vandaar de noodzaak van een paspoort om over de grens te gaan. Kijk maar: het uitschrijven er van (vroeger een laissez-passé, een laat door), het gebruik om iemand ermee te identificeren (wat niet zo is, want je gezicht bepaalt wie je bent, niet je paspoort), de vraag of iemand meer dan één paspoort mag hebben (natuurlijk) en het intrekken ervan, wanneer je “over een grens gaat”. Illegalen is dan ook het verkeerde woord voor de groep. Het zijn mensen zonder papieren, die zonder papieren een grens overschreden hebben. Ergens moet een grens liggen.

Tegelijkertijd heeft een groep nu juist dat andere nodig, om zich te ontwikkelen, om verder te komen, ja zelfs, om over haar grenzen te gaan. Wanneer ik me aanpas en niet mijn eigen stem laat horen, krijgen we wel een eenheid. Tegelijkertijd beperkt het zowel mijn mogelijkheden – ik doe niet wat ik kan – als de mogelijkheden van groep om van alle beschikbare mogelijkheden gebruik te maken. Nou heb ik daar persoonlijk niet veel last van, maar ik merk wel hoe sterk de druk is om te conformeren. We zien het terug bij het verbreken van de relatie.

De relatie met de grens
Grenzen zijn noodzakelijk om een relatie te vormen. Of eigenlijk, ze roepen elkaar op. De relatie, de verbinding, bepaalt de grens en de grenzen bepalen de relatie. Ze horen bij elkaar, zoals liefde en een huwelijk. Wanneer we trouwen, stellen we elkaar een grens. De man is dan geen echte “man” meer, onder meer gesymboliseerd door de vrijgezellennacht. Deze grens schept spanning, want relaties zijn altijd open en meervoudig. “Een huwelijk maakt je niet blind”, zei eens een goede vriendin van me. Deze spanning kan je zien als een beperking. En deze spanning kan je ook ervaren als mogelijkheden.

Relatie, verbinding of overeenkomst, en grens, scheiding of verschil, zijn twee verschillende logische types. Hieruit ontstaat het hele fenomeen van groepen, hun grenzen en problemen. Wanneer we een grens overgaan, verbreken we dan ook de relatie? Verlaten we dan ook de groep? We hebben het dan over fight/flight, vluchten of vechten. Moeten we vechten voor onze relatie, of door scheiden, vluchten? En hoe zit dat dan met een “vechtscheiding”. Dit dilemma komt dus rechtstreeks voort uit het fenomeen van (be)grenzen. Hier komt de hele groepsdynamiek vandaan, die ons steeds nieuwe grenzen en steeds andere perspectieven biedt.

Het verlaten van een groep, versterkt paradoxaal genoeg de cohesie binnen een groep. Zo zullen zowel vrouwengroepen als mannengroepen meer cohesie ervaren uit een echtscheiding. En zelfs een huwelijk zal zich gesterkt voelen door een scheiding van een ander. Tegelijkertijd benadrukt een scheiding de band. “Ik ben meer bezig met mijn ex, dan met mijn huidige partner”.

De paradox wordt wellicht duidelijker vanuit het ontstaan van een onderbreking in de grens of de patronen. Een doorbraak of innovatie is nodig, wanneer er iets ontbreekt. Er “ontbreekt” iets of iemand. Ontbreken betekent letterlijk “beginnen (=ont) te breken”. Het is dus geen ontkenning in de letterlijk zin, geen “niet” of “on”, want dan noemen we het onbreekbaar. Een ontmoeting is dus ook het begin van een “meeting” en niet de ontkenning van moeten. Het is een ont(!)kenning in de figuurlijke zin. Meer een vorm van ontwaken, bekend worden van een “opening”. Hier is een interventie nodig, die heel veel groepen lastig vinden om uit zich zelf te doen. De groep of organisatie streeft nu eenmaal naar continuïteit.

Faciliteren begrenzen
Faciliteren betekent verbinding maken. (In het woord “gemakkelijk”, het Franse “facile“, staat ook het woord maken centraal). Een verbinding verbindt gescheiden entiteiten. Verbinden gaat over grenzen. Met groepsfaciliteren doen we interventies in groepen. De facilitator stelt een vraag of onderbreekt een spreker. Hij of zij begeleidt een discussie, gesprek of dialoog door “ertussen te komen”. Soms met het brutale “mag ik u even onderbreken?”. Hier spreekt de paradox. Aan de ene kant komen we ergens tussen, stellen facilitators een grens, terwijl we aan de andere kant verbinden we. Faciliteren is een dubbelzinnig beroep. Ik bedenk het nu pas.

Facilitators maken en maken gebruik van grenzen. We richten de ruimte in, bepalen de agenda en de volgorde. We stellen vragen en interveniëren, al dan niet actief. Daarbij, zorgen we ook voor verbindingen. Door in een kring te gaan zitten, te vertragen wanneer mensen dreigen af te haken. We vragen door, vatten samen. We geven opdracht om in kleinere groepen te werken – scheiden -, ook omdat dat makkelijker praat.

Facilitators gebruiken de grenzen, ze zoeken ze op. Met de opdrachtgever, de probleemeigenaar en de deelnemers zoeken we binnen de ruimte naar de zwakke plekken in de grens. Waar gaat het eigenlijk over? Wat mag er niet gezegd worden? Hoe ziet de olifant in de kamer eruit? Dit gebeurt vaak al voor de bijeenkomst en soms na afloop. En soms niet.

We wachten op de mogelijkheid om te interveniëren, over de grenzen heen te gaan, het onbespreekbare bespreekbaar te maken en zo een doorbraak te forceren. Want, zoals prof Homan ook aangeeft in het voorwoord van Faciliteren zonder Omwegen, een facilitator breekt patronen, intervenieert. Groepen lopen altijd tegen hun grenzen aan en zijn vrijwel niet instaat hun eigen systemen en werkwijzes zelf te doorbreken. Ze kunnen wachten op oorzaken van buitenaf, of van binnenuit zoeken naar een oplossing. En er is een derde mogelijkheid: het vragen van een facilitator.

Hier doet het fenomeen zich voor, dat een facilitator niet bij de te faciliteren groep hoort. Hij of zij is een buitenstaander, soms van binnen dezelfde organisatie, soms een externe professional. Daar vraagt de situatie om (zie de check list in Faciliteren zonder Omwegen). De facilitator loodst een groep door voor haar onbekende wateren naar een oplossing. Laura ten Ham noemt dat in haar beschouwingen in onze boeken, niet voor niets “het elixer”, dat is een ander woord voor “oplossing”. Die bevrijding, de doorbraak of – heel neutraal – innovatie is tegelijkertijd iets wat de groep zelf moet doen. Een groep dient zich zelf te bevrijden.

Tegenspraak
Grenzeloos faciliteren is dus een oxymoron, twee woorden die elkaar letterlijk tegenspreken. Dat vormt ook de essentie van faciliteren: omgaan met tegenspraak. Inspraak, uitspraak, samenspraak. De grenzen scheppen de dynamiek die we nodig hebben om ons te ontwikkelen. En gelukkig houdt het ook in, dat er nooit een einde zal komen aan faciliteren. Op die manier is het toch fijn “grenzeloos faciliteren”.

Niets bestaat zonder grenzen; alles heeft grenzen, komt tot een einde. Deze letters kan je alleen lezen, omdat ze grenzen hebben. Alle gedachten zijn eindig, punt. Iedere groep of organisatie kan alleen bestaan door het trekken van grenzen, alleen (!) staan we er niet bij stil. Zelfs de oneindige liefde kan alleen als eindig ervaren worden. Tenzij je op de grens blijft, maar dat is maar weinigen gegeven. Daar ga ik het een andere keer over hebben. U bent aan het eind van dit verhaal.

PS.
Heel vaak denkt mensen dat paradoxen een gevolg van denken of taal is, of dat het een vorm van onbegrip is. Dat er een uitleg of begrip mogelijk is, waardoor een paradox verdwijnt. Die zijn er, een soort uitleg of een model; met dien verstande, dat elke uitleg weer een nieuwe paradox oproept. Paradoxen roepen elkaar op. Varela wijst er op dat iedere paradox een “emergent” fenomeen inhoudt. “Leven” en ook “taal” lijkt mij daarvan de meest in het oog springende.

Taal maakt het mogelijk om over paradoxen te spreken, maar kan ze niet oplossen. Het lijkt mij dat taal ook zo’n manier van oplossen van een paradox is, de paradoxen van Expressie of “Speaking”, zoals Smith en Berg ze noemen. Taal ontstaat uit de paradoxale spanningen, ontspant even, lijkt een opening in de grens te bieden. Sommigen menen dat we ons moeten beroepen op de letterlijke betekenis van het woord. Maar een woord in een taal die we niet begrijpen? Dan blijkt ook taal haar grenzen te hebben, zoals Wittgenstein al inzag. Taal dient noodzakelijkerwijs de illusie van begrip te behouden.

Juist omdat paradoxen samenhangen met grenzen en we ons vrijwel altijd aan één kant van een grens bevinden, lijkt het alsof er maar één kant aan de zaak zit. Wetenschap tracht paradoxen uit te bannen, maar komt niet verder dan te doen alsof er geen paradoxen meer zijn. Er bestaan ook overzichtelijke niet-talige paradoxen, zoals een aantal van de plaatjes van Escher, muziek van bijvoorbeeld Bach of de smaak van ketchup.

On meeting design

Collega Pieter van Dijk van luisterrijk (pieter”at”luisterrijk.nu) stuurde me deze video. Mijn enige bezwaar is het gebruik van teveel significante cijfers. 1250 miljoen verspilde uren was al emotioneel genoeg geweest.

Past overigens precies in de paden op de Kaart van Werkelijkheidsopvattingen: altijd beginnen op de grens van concreet en sociaal (zaalinrichting!, ontvangst) en eerst in de richting van “verlies van betekenis” (visualisatie, brain stormen, …), dan naar prioriteiten op basis van “last” (gevoel, emotie, niet kosten of opbrengsten) en door naar acties. Vervolgens afsluiten met de emotionele lading van die acties en deelnemers bedanken.

Ze geeft ook aan hoe onze resultaatgerichte cultuur precies dat bereikt wat ze niet wil: gebrek aan resultaten. De verklaring hiervan (Argyris, Defensive Routines) is natuurlijk te lastig om te bespreken, maar de oplossing is dezelfde: “meaningfull conversations” of wel “dialoog”.

Principles of emergence

Continuing the discussion on the Linked-In group, I have to add:

cropped-mannen1.jpgBoth facilitating and learning are “emergent processes” or “autonomous phenomena” or “experiences”. They kind of emerge from distinctions made, created as principles, by our mind. It is not that they are not true: they are no things, nor a thing, only our mind makes them into these to get “a grip”. You experience them in the process of working, dealing with the day to day reality. Just as you cannot not communicate, we cannot not facilitate and learn. That explains what each and every model (Kolb, 4mat, Bloom, MBTI, Herrmann, DeBono, …) shows: this universe is about learning and facilitating and learning facilitating and facilitating learning.

In order to talk about these things, we have to “call” them, give them a “name” and “refer” to them. But the words spoken about the process are a process, the process spoken about, processing, but not processing itself. As The White Knight explains:

220px-Knight2

The song’s name is called Haddocks’ Eyes
The song’s name is The Aged Aged Man
The song is called Ways and Means
The song is A-sitting on a Gate

None of this, however, is singing a song.

Then our brain reverse engineers (note that this is the same word as referring) reality, by using principles, projecting them on reality and thereby “invent reality“. But – as in the chapter in Alice is called: “it is my own invention“: they’re inventions, made up.

As they work – they do – we assume these principles are true, real attributes of reality. To U they are, I’ve invented my own. We invent the from “archetypes”. And to quote Groucho Marx: “These are my principles. If you don’t like them…. Well, I’ve got others.”