Tag Archive for Peter’s Principle

Wetten en mensen

4C-modelMedecollega Henri stelt voor om de Wet van Murphy (“if there’s any way he can do it wrong, he will“) te gebruiken om de Wet van Parkinson (“Work expands to fill the time available for its completion.“) te doorbreken. Deze laatste maakt dat dingen altijd “te laat” komen of zijn. Dat we meer werk lijken te hebben dan we aankunnen, dat we het altijd druk hebben.

Ik neem aan, dat ik hem moet teleurstellen. Want de Wet van Hofstadter staat in de weg. De derde wet, die ik in mijn boek bespreek, is de Wet van Hofstadter, in mijn variatie: “It always more complicated than you expect, even when you take into account Hofstadter’s Law.

Wetten zijn, zo zegt het woord, wetmatig. Zouden er uitzondering zijn, dan zijn het de spreekwoordelijke bevestigingen van de wet. Uitzonderingen zijn er dus niet. De wetten vormen geen uitzonderingen op elkaar, want dan zou er een meta-wet moeten zijn die dat voorschrijft. Ook begrenzen ze elkaar niet, ze zitten elkaar niet in de weg.

Deze drie wetten zijn ook zelfrefererend, niet iedereen zit dat in. We zien alleen de wet en niet het proces waarvan de wet het resultaat is. Natuurwetten houden zich zelf in stand, ook een letterlijke betekenis van re-fereren, her-maken. Dat houdt ook ik dat ze zich zelf maken.

In de Wet van Murphy staat het woord “hij”. Dat kan ook verwijzen naar de wet zelf. Natuurlijk bedoelen we dat niet zo, maar toch. De Wet van Parkinson is gebaseerd op het fenomeen dat mensen werken. Je kan ook het fenomeen “werk” zien als wat “werkelijk” gebeurt. Werkelijkheid vult de tijd en ruimte beschikbaar. Aan alles komt een eind, alles is eindig. De Wet van Hofstadter is expliciet zelfrefererend, als grappig bedoeld voorbeeld van een paradox. Maar deze bedoeling maakt hem niet minder waar.

Misschien is dat wel het grote verschil tussen natuurwetten en menselijke wetten: natuurwetten zijn van nature zelfrefererend, ze maken zich zelf. Ze vormen een autonoom – zie hier ook het woord “eigen (auto) wet (nómos, (νόμος))” – fenomeen en daarmee een teken van een paradox. Menselijke wetten zijn dat niet, op een paar echte uitzonderingen na (bijvoorbeeld: “wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”). Dat komt, simpel gezegd, omdat de meeste wetgevers buiten de wet staan, of zich zelf buiten hun eigen wetten stellen. Tegelijkertijd schept dat het inherente probleem van het toetsen van de wet: wie zal de wetgevers de wet geven? Van wetten eisen we dat ze ondubbelzinnig zijn. Terwijl, wanneer ik het goed zie, echte wetten nu juist de uitdrukking vormen van een paradoxale dubbelzinnigheid.

Een voorbeeld van een wetmatigheid is deze: Ik heb bij AT&T onderzoek gedaan naar de klantenvraag en ons afleverpatroon. Dat bleken exact dezelfde verdelingen te zijn: hetzelfde gemiddelde, dat lijkt me geen verrassing; Maar ook zelfde, heel verrassend, dezelfde spreiding: in 3 significante cijfers. En 15% was te laat. Mijn conclusie: iedereen heeft een gelijkaardig proces en alle pogingen om “op tijd” te leveren leveren hetzelfde resultaat: een percentage is altijd te laat.

Betekent dat nu, dat we niet hoeven te plannen? Zeker niet! Het houdt in, dat we plannen als een zelfrefererend (= steeds opnieuw makend) proces moeten beschouwen, waarbij een plan het beste op ons zelf betrokken kan worden. En niet, zoals gebruikelijk, op een ander. De essentie van plannen zit niet in het plan, maar in de manier waarop we ermee omgaan: een conversatie voeren over onze betrokkenheid, ons vertrouwen (of wantrouwen). Het gaat om het communiceren van gevoelens, emoties, belangen.

Een ander voorbeeld: de gemiddelde reistijd naar het werk en de spreiding daarin sinds onheuglijke tijden drie kwartier. Al in Romeinse tijden waren er files, parkeerproblemen, tolpoorten,… . Bredere wegen maakt alleen maar dat mensen verder weg gaan wonen (van die hinderlijke autoweg). Het problematische van de file is niet de file, maar de onvoorspelbaarheid van het specifieke geval. Steeds wanneer ik op tijd moet zijn, is er file! Ook tendeert de reistijd via de hoofdweg (file!) en de sluipwegen naar hetzelfde gemiddelde. Ook hier geldt, dat er geen “oplossing” bestaat in de vorm van een werkbaar alternatief. Uiteindelijk blijkt een file het zo broodnodige rustpunt in een werkdag.

Ik denk dat het systeem een combinatie van de Wet van Parkinson is met de Wet van Murphy en de Wet van Hofstadter. De Wet van Hofstadter leert dat je het maar het beste kan nemen zoals het is. Onze verlossing komt uit het Peter’s Principe: er zijn competente mensen in iedere organisatie en daar moeten we het maar mee doen.

PS: het verklaart overigens ook waarom we steeds minder tijd lijken te hebben, ondanks steeds efficiënter werken en allerlei gadgets, tools en hulpmiddelen. Het is nooit anders geweest: het zit in de onvoorspelbaarheid van het incidentele geval en de illusie van controle. Sneller werken maakt alleen maar dat we meer incidenten per tijdseenheid kunnen verwerken. Je kan het ook positief uitleggen: het ultieme bewijs dat we allemaal tot hetzelfde systeem behoren. #let it be”.

Theorie en praktijk

Theorie en praktijk kunnen niet zonder elkaar. En ze kunnen niet met elkaar. Het lijkt wel een huwelijk. Vanwege de kinderen blijven ze dan maar bij elkaar, begrijpelijk.

Met de door mij – en Will – gepresenteerde Kaart van Werkelijkheidsopvattingen dekken we het hele veranderlandschap af; net zo als Quinne en Lohrbach, de MBTI, de leercyclus van Kolb, het vier fasen model van Hardjono, .. etc . Theorievorming maakt onderdeel uit van het landschap en alle theorieën claimen (im- of expliciet) universaliteit. Sterker, wanneer dat niet het geval is, volgen aanvullingen (met eventuele andere theorieën) tot het wel universeel is. Tegelijkertijd wil elke theorie ook van praktisch nut zijn. Maar geen enkele theorie “is” de praktijk. Daarom staat er ook ergens de quote van Einstein:

“In theorie is er geen verschil tussen theorie en praktijk; in praktijk wel”

Omgekeerd geldt ook: “In praktijk is er geen verschil tussen praktijk en theorie; maar in theorie wel!” Dat is de paradox waaruit we weten scheppen: wetenschap. Wetenschap is dus volgens mij het resultaat van een emergent proces. Ik heb het ook wel eens geformuleerd als: “wetenschap is het vervangen van de ene verzameling paradoxen door een andere en volhouden dat dat niet paradoxaal is”. Daarmee wil ik wetenschap niet diskwalificeren – ik ben wetenschapper -, maar we mogen wel onze beperkingen kennen. Bovendien geeft het aan dat wetenschap zich altijd zal blijven ontwikkelen.

Alle problemen komen voort uit onze strijd met de praktijk, de werkelijkheid. Dat verliezen we – op termijn – altijd. Maar dan ook altijd. In mijn tekening met de figuurtjes, staat rechtsboven “Gegeven Situatie” (Presenting Situation) omdat het volgens mij gaat om de manier van “aannemen”. Het interessante deel van elke theorie zijn de aannames (!). We maken het elkaar lastig omdat we op basis van de aannames conclusies trekken (= de theorie) en vervolgens de conclusies willen bewijzen, anderen gaan overtuigen of de theorie gaan implementeren. Maar de ontwikkeling van een theorie zit in het falsificeren van de aannames. Het gaat, neem ik aan, om het aannemen van de aannames. En dat noem ik een metapraxis. Daarom staat er ook de quote van de Daodejing (Tao): wanneer je iets grijpt om te veranderen, zal je niet slagen. Datzelfde geldt voor “be”grijpen. In mijn optiek is het helemaal niet nodig om een situatie te begrijpen om te kunnen interveniëren, te mogen veranderen. Ik werk zelfs omgekeerd: de interventie kan heel goed het begrijpen van een situatie zijn. “Aha, nu zie ik het. U houdt de tekening onderste boven”, zoals de man aan de telefoon zegt in de cartoon van Peter van Straten.

Ik bied geen alternatieve theorie, maar een beschrijving van de praxis. Of, anders gezegd, theorievorming als fenomeen plaats ik als onderdeel op de kaart in de “unitaire” werkelijkheidsopvatting. Als gezegd bestaat daar elke verandering uit een (her)interpretatie van regels. Een ander kenmerk van theorieën is het indelen in hiërarchieën. Het plaatsen van een theorie is dan ook een oordeel. Echter, ik plaats een theorie wel op de kaart, maar dat houdt geen oordeel in over de werking, of het succes, of de toepasbaarheid. Vanuit de Unitaire werkelijkheid zijn er drie veranderpaden:

  • analytisch, testen in de praktijk van je bedachte, ontworpen theorie of model: je krijgt dan gelijk
  • beïnvloedend, overtuigen van anderen van de theorie waar je je toe bekeerde: je krijgt dan volgers
  • bevestigend, assertief vaststellen van een geïnspireerde theorie: je krijgt dan “establishment”

Veel intuïtieve denkers (het psychologische voorkeurstype) hanteren een gemengde strategie. Je ziet dat heel mooi bij bijvoorbeeld Goldratt – Theory of Constraints – De Lerende Organisatie – Systeem denken en Theory U. Nogmaals, er niets mis of verkeerd aan deze theorieën. Ze werken. Alleen in sommige situaties even niet.

Mijn impliciete model is eigenlijk het volgende:

Goede vent + Goede theorie ==> succesvolle verandering
Verkeerde vent + Goede theorie ==> weinig succesvolle verandering
Verkeerde vent + Verkeerde theorie ==> geen succesvolle verandering
Goede vent + Verkeerde theorie ==> succesvolle verandering

(een vrouw kan ook een vent zijn; en succesvol houdt in op lange termijn. Er zijn verkeerde venten die iedere keer net op tijd weg zijn; eigenlijk is dat mijn verklaring voor het feit dat er zoveel personeelsmutaties zijn. Peter’s Principle)

De paradox bestaat hier uit: wanneer je een succesvolle verandering tot stand gebracht heb, wil dat niet zeggen dat je theorie deugt. Het enige wat relevant is, is dat u uw eigen theorie bemerkt (zelfkennis) plus de verschillen tussen je (handelings)theorie en de praktijk.

Wanneer u mijn model als een theorie beschouwt, dan dekt deze inderdaad 100% af. Ik ken er tot nu toe maar één die er buiten valt en die is dan ook volgens mij een hoax, oplichterij. In handen van een goede vent lijkt die te werken, maar de meesten komen er achter dat het niet aan die theorie ligt.

Maar, nogmaals, het enige waar ik naar streef is bewustwording van de door u gehanteerde theorie en daar op een adequate wijze met anderen over overleggen. Het enig zinnige doel is vooruitgang.

Het keuze probleem van de passende technieken en instrumenten is het onderwerp van het laatste hoofdstuk. De techniek die ik daar propageer, een vorm van opstellingen, is er niet één die in dezelfde omstandigheden hetzelfde resultaat geeft. En dat is fnuikend voor elke theorie.