Tag Archive for probleemdefinitie

Ons vastgeroeste denken

Toets je aannames. Dit stukje heeft het helaas niet gehaald in hoofdstuk 7, maar is belangrijk genoeg om hier te bespreken. Ook omdat ik in het tweede deel van deze post een interessante onderbouwing geef.

We hebben de neiging om op basis van aannames – motieven, waarden, normen, gevoelens, ervaringen – conclusies te trekken uit de gegevens en de conclusies te verifiëren. Dit heet wel ‘the ladder of inference’ van Chris Argyris: we handelen op basis van conclusies die we trekken uit een selectie van de gegevens, waarbij we de achterliggende aannames – voor het gemak – vergeten. Selecteren doen we op basis van onze werkelijkheidsvoorkeur. Dat is de gekleurde bril waardoor we kijken. Je werkt altijd vanuit een perceptie of beeld van de werkelijkheid en je moet je eigen wereldbeeld kennen om even pas op de plaats te maken. In een gesprek goed luisteren, betekent ook luisteren naar je eigen innerlijke stem.

Mensen hebben de neiging hun conclusies te verifiëren en niet hun aannames. Patronen, gewoontes zijn geweldige hulpmiddelen in het overleven, maar ze beperken ons vermogen om te innoveren, te scheppen en te veranderen. Ik las het volgende bij Michalko, onderzoek naar (het gebrek aan) creativiteit, wanneer we iets hebben wat werkt.

Wanneer we weten wat werkt, kunnen we maar moeilijk iets anders bedenken. We hebben ook de neiging om wat we hebben geleerd NIET kritisch te onderzoeken. De Britse psycholoog Peter Watson, gaf mensen de volgende reeks cijfers:

2… 4… 6…

Hij vroeg ze vervolgens om hem zo veel mogelijk vragen te stellen om de regel achter deze volgorde van cijfers te ontdekken. Ze moesten dat doen door steeds drie cijfers te noemen. Vragen stond vrij, het ging niet om aantallen goede of foute antwoorden.

In vrijwel alle gevallen vroegen mensen in eerste instantie: “4, 6, 8” of daarmee vergelijkbaar. Watson zei dan “ja, dat is een voorbeeld van de regel”. Daarna zeiden de meesten mensen iets als: “20, 22, 24″ of “50, 52, 54″, steeds het cijfer met twee ophogend. Na een aantal pogingen waren de deelnemers er zeker van dat de regel was: “ophogen met twee”, zonder verdere alternatieven te onderzoeken.

De regel die Watson hanteerde was veel eenvoudiger: de getallen liepen op. Het had ook 1, 2, 3 of 10, 20, 40 of 400, 678, 10944 kunnen zijn. Het testen daarvan zou bijvoorbeeld met 1, 2, 3 kunnen, wat volgens Watson correct was. Ook viel op dat vrijwel niemand een aflopende reeks probeerde, bijvoorbeeld 6, 4, 2 om te kijken of dat fout was. Ook probeerde niemand een willekeurige reeks cijfers, ondanks dat die informatie veel meer over de achterliggende regel zou zeggen.

Watson ontdekte dat de meeste mensen keer op keer naar dezelfde informatie zoeken, zonder te zoeken naar alternatieven, zelfs niet wanneer een vraag met een negatief antwoord niet bestraft zal worden. In honderden experimenten vond hij, ongelofelijk maar waar, nooit iemand, die spontaan een alternatieve hypothese uitprobeerde, keek of de veronderstelling NIET waar was. Niemand ging op zoek naar een eenvoudigere, onderliggende regel. Dit is, aldus Michalko, volgens Einstein het verschil tussen hem en een gewoon mens: bij het zoeken naar een naald in een hooiberg, stoppen gewone mensen met zoeken, wanneer ze er één gevonden hebben. Einstein zou niet rusten voor hij de hele hooiberg doorzocht had op alle naalden.

Hou bij de intake en het ontwerp van je sessie dus rekening met de neiging – ook bij jezelf – om in oude patronen te vervallen en niet te zoeken naar echte informatie: informatie die verwart, ontkend, onduidelijk is of gewoon verkeerd. Het woord “verkeerd” is in dit verband grappig: verkeerd is wanneer we niet keren.

Dit is, denk ik dan, waarom we bijvoorbeeld in een kredietcrisis raken. Iedereen zoekt de oplossing op de plaats waar we de huidige oplossing gevonden hebben en niemand stelt onze aannames ter discussie. Pas wanneer er helemaal niets meer werkt, of wanneer we een vergissing maken, laat ik dat niet uitsluiten, komen we er achter dat de oplossing al die tijd al voorhanden was. Zo simpel, dat we later niet kunnen verklaren waarom we haar niet zagen.

Sneller tot resultaat komen

Een van de vragen van de afgelopen samenscholing was: “Hoe met groepen sneller tot een resultaat of gezamenlijk beeld te komen?“. Daarop zijn verschillende antwoorden mogelijk.

In “Change” geven Watzlawick, Fish en Weakland één van hun belangrijkste aanwijzingen: “go slow“. Wanneer een groep “sneller” wil, kan het zijn dat ze niet bereid of in staat is wat haar beweegt te bespreken. Er is iets – een schaduw, twijfel, woede, verdriet – wat maakt dat de groep een gezamenlijk beeld zoekt. De oplossing ligt dan in het bespreekbaar maken van wat de groep doet bewegen.

In andere gevallen bestaat het probleem uit het gezamenlijke beeld. Een beeld dat niet meer werkt, te veel van het goede, meer van hetzelfde. Er bestaat de aanname dat een gezamenlijk beeld een groep richting, een doel heeft gegeven. Een beeld zoals vroeger, zoals bij de anderen. Dat “is” ook zo, want we maken doorlopend projecties, beelden, intenties en verlangens. En iedere succesvolle groep ZEGT een gezamenlijk beeld te hebben. Succes maakt dat we verschillen vergeten, veronachtzamen, verkleinen of zelfs vergeten. Succes maakt veel goed. Pas wanneer succes uitblijft, ontstaat de behoefte aan een gezamenlijk beeld. Want het zijn immers de succesvolle groepen die een gezamenlijk beeld hebben. We merken echter alleen maar de helft van deze cirkelredenering. Succes (p 267), geeft een positief zelfbeeld en geeft gas aan onze pretenties. Succes is echter gevaarlijk, weet zelfs Bill Gates:

Success is a lousy teacher. It seduces smart people into thinking they can’t lose.
Bill Gates

Iedereen heeft beelden, want we communiceren via projecties. Ons lichaam “verbeeldt” doorlopend wat ons bezig houdt (p. 96). We verbeelden ons heel wat en werken met beelden werkt razendsnel. Dat is één van de lessen uit het werken met paarden. Onze taal is een commentaar op onze beelden. Dat we een gezamenlijk beeld nodig hebben om tot resultaten te komen, is het verwarren van het resultaat (succes) met het proces (het op elkaar afstemmen van de beelden en bepalen wat werkt). Vandaar, denk ik dan, dat het eerder zin heeft om de noodzaak van een snel of gezamenlijk beeld te bespreken, dan snel tot een gezamenlijk besluit te komen.

Wanneer de vraag naar een gezamenlijk beeld in het allereerste begin van de intake gesteld wordt (p. 302), zal ik voorstellen om in de sessie een gezamenlijk beeld te maken van de (probleem)situatie. Dat kan door te laten tekenen, MindMapping, het gebruik van voor-beelden, zoals foto’s, ansichtkaarten of de beeldkaarten van Twijnstra. Over enige tijd verschijnen beschrijvingen van de werkvormen. In sommige gevallen kan het maken van een opstelling een mogelijkheid zijn, bijvoorbeeld op basis van Satir, waarin de onderlinge verhoudingen besproken worden. In al deze werkwormen laat ik deelnemers met elkaar hun beeld bespreken, conclusies trekken en verschillen erkennen.

Hier is ook de uitspraak “een verkeerde oplossing voor het goede probleem, is te prefereren over een goede oplossing voor het verkeerde probleem” op van toepassing. Liever een gedeelde probleemstelling waarin we weten wie het waar niet eens is met de ander, dan een gezamenlijk beeld waaraan iedereen mee doet “omdat de baas het zegt” of “omdat de anderen het willen” of “omdat het nu eenmaal altijd zo gaat” of …. .

Bij het faciliteren van groepen, spreek ik wel steeds concrete resultaten af. Mensen zijn het gelukkigst wanneer ze naar concrete en haalbare resultaten streven. De wens tot een gezamenlijk beeld vertaal ik dan bijvoorbeeld naar: drie tot zes gezamenlijke conclusies of doelen.