Tag Archive for resultaat

Facilitators voegen waarde toe

“Facilitators kosten gewoon te veel”
Als ik een taal spreek, is het Watzlwickiaans – pragmatisch. De meeting industrie gaat over geld verdienen. Iemand die iets anders beweert, is dom, verkeerd ingelicht of begrijpt heel goed hoe het werkt.

Facilitators inhuren lijkt niet noodzakelijk en gaat dus ten koste van de winst. Dat het niet noodzakelijk lijkt, komt door het vrijwel universele gebruik van een metafoor over communicatie die gemakkelijk werkt, maar te eenvoudig en eenzijdig is: de “conduit metaphor” ofwel de “leidingsmetafoor”. Deze metafoor valt samen met het fenomeen van leiding geven als mensen vertellen wat te doen. Communicatie is een vorm van zenden, in deze metafoor. Facilitator hanteren niet alleen een andere taal (klik op deze link voor meer onderzoek). Faciliteren gebruikt impliciet een andere metafoor voor communiceren: de “gereedschapsmakersmetafoor“. In deze metafoor – kader of frame – bestaat communiceren uit conversaties, appriciative inquiry, dialoog en “stilte”. Leiding geven houdt dan in het overgeven van de leiding en het beheren van het kanaal. En dat gereedschap bestaat zowel uit taal (inclusief beeldtaal) als uit houding, toon en lichaamstaal. Maar eerst gaan we naar Helsinki.

Het “Helsinki principe” in Helsinki
Ik ben naar Helsinki gegaan, om op een wetenschappelijk congres de inleiders te begeleiden in workshops in plaats van presentaties. De feedback is bijzonder positief, door inleiders, chairs en deelnemers. Toch zullen we niet opnieuw uitgenodigd worden. Te duur. Ik herken het dilemma van onze klant. Hoe kan ik de noodzaak om geld uit te geven aan een facilitator verantwoorden? Er waren 2 technici aanwezig en zeker 3 “stand by”, en 4 hostesses bij een meeting die ik faciliteerde. En ik erbij is te duur. Ondanks dat zowel de presentatoren als de deelnemers zeer tevreden waren over mijn ondersteuning. Wat maakt, dat het investeren in huur van ruimte, meubilair, licht, geluid en technici wel verantwoord kan worden en begeleiding door facilitators van sprekers en deelnemers niet? Waarom menen we, dat we kennis kunnen overdragen door te zenden, te presenteren?

Dat komt door een impliciete aanname over waar betekenis huist. We zijn getraind – ik niet, ik heb die les gemist -, in het idee, dat betekenis in woorden (of beelden) zit. We verwarren het middel (medium) met het doel (message). Het betekent, dat betekenissen volgen uit relaties. We gebruiken niet voor niets het woord kennis voor kennis en kennissen.

We hanteren een impliciete aanname of afspraak dat de betekenis van wat we zeggen in de woorden en beelden zit die we zenden / ontvangen. De betekenis zoals die begrepen wordt, is de betekenis als bedoeld door de zender. Dit impliciete principe heet in de ICT – ik verzin het niet – Het Helsinki Principe: de betekenis van een boodschap volgt uit het correct gebruiken van de juiste taal, uit grammaticale en semantische regels. Een boodschap heeft maar één betekenis. Wanneer die niet begrepen wordt, komt dat door “ruis” in het kanaal, zie het plaatje verderop.

Het gaat er dan in communicatie om, om de ruis te verminderen, door het geluid te versterken, de zaal goed in te richten of van beelden te voorzien. Dat maakt tevens de ontvanger lui en dom. De zender moet het maar beter uitleggen en wanneer hij of zij het zelfs na 10 keer uitleggen niet begrijpt, laat maar. Het verklaart, waarom er maar zo weinig mensen reageren op conferenties: alleen zij, die het al begrijpen. Het verklaart waarom politici zenden, verzenden en herzenden.

Veel opdrachtgevers menen impliciet, dat facilitators de ruis van hun boodschap zullen verminderen en daarmee de weerstand. Ik hoor dan formuleringen als: “de boodschap verduidelijken” (alsof de duiding in de boodschap zit), “de neuzen dezelfde richting op” (kenmerkend voor het stromen door een kanaal) of “het verminderen van weerstand …” (een vorm van “ruis”). Dat leidt overigens ook tot een gevoel van onbekwaamheid bij de opdrachtgever, wat we tijdens de intake dienen te bespreken – maar dat is een ander verhaal.

Dit principe volgt uit het vrijwel universeel hanteren van de “conduit metaphor” of wel de “leidingsmetafoor” als metafoor voor het proces van communiceren. Ik noem het ook wel reïficeren, het tot een ding maken van een proces. Zoals we communiceren, vertrouwen, organiseren (en) vertalen in communicatie, het vertrouwen, de organisatie en vertaling.

De aannames zijn:

  • Concepten, gedachten, gevoelens en betekenissen zijn als objecten, dingen.
  • Woorden en zinnen zijn containers, die betekenis bevatten
  • Communiceren bestaat uit zenden en ontvangen van containers
  • Communicatie (let op het zelfstandig naamwoord) is ook een ding

Pragmatisch betekent relaties
Watzlawickiaans gaat uit van de pragmatische aspecten van menselijke communicatie: betekenis volgt uit relaties in conversatie. Dat houdt in, dat betekenis volgt uit gedrag en niet uit woorden of beelden. We gebruiken ze wel voor de overdracht, maar alleen in overdrachtelijke zin. “Metafoor” betekent ook niet voor niets letterlijk “over-dragen“. Meta betekent over en foor komt van *bher-, de stam van dragen, in het Engels, to bear. Alle gedrag (! let op dat woord) draagt over, is communicatie en alle communicatie is gedrag. Alles – ook elk woord – kan dubbelzinnig dubbelzinnig gebruikt worden.

Betekenis zit in jou, jij betekent! Betekenis huist in mensen, in onze hoofden en lichamen. Betekenis noemen we daarom “embodied“. Het hebben van betekenis, werkt anders dan het hebben van een auto. Je auto kan je uitlenen, de betekenis van je auto niet. Daarom hebben we een auto ook als een statussymbool, de betekenis van de auto, voor jou. Woorden kunnen we geven, betekenissen niet. Die betekenis volgt uit de relaties, zoals de status van de auto volgt uit onze onderlinge relaties. Ik rij zelf Peugeot, dus dan weet je het wel.

Uit onderzoek (van Michael Reddy – inMetaphor and Thought – Ortony, A. (ed)), blijkt, dat we meer en meer van de “leidingsmetafoor” gebruik maken – meer dan 70% van de communicatie in de jaren ’90 – en steeds minder van de “toolmaker metaphor” – zie plaatje. Een gevolg van het gebruiken van techniek, machines en computers.

De “gereedschapsmakersmetafoor”, gaat uit van het samenstellen van een boodschap uit de beschikbare materialen en deze overbrengen aan een ander. Dat materiaal kan van alles zijn: woorden, natuurlijk, maar ook beelden, intenties, opvattingen. Alles is materiaal. Je kan het vergelijken met twee kinderen, die in een zandbak zitten en zandvormpjes uitwisselen en versieren. De ontvanger vergelijkt het aangebodene met de daar beschikbare materialen. Uit de conversaties (letterlijk, “omzetten”) leiden we inzicht, betekenis, kennis af.

De leidingsmetafoor is efficiënt, meetbaar, effectief in eenvoudige situaties, schaalbaar en zo algemeen, dat we bijna niet meer weten, dat het ook anders kan. Bovendien heeft ze als voordeel, dat de beheersing bij de zender blijft. Deze “klassieke” benadering wordt dan opgedrongen aan de “innovatieve” benadering. “Waarom kan faciliteren niet meer zijn zoals “zenden en ontvangen”?“, zo vraagt men zich af, vanuit het perspectief van de leidingsmetafoor. Ik denk dan aan het verschil tussen een ambachtelijk product en een fabrieksproduct. Misschien zit daar een aanknopingspunt: faciliteren levert een ambachtelijk product – kunst – en geen industrieel te reproduceren kitsch.

Wat zijn de kosten van falen?
De meeting industrie, denk ik dan, verwart de boodschap van interactie – daar ben ik het mee eens – met het overbrengen door te zenden – dat tracht ik te vermijden. Je kan het zien, in deelnemers die zich tijdens presentaties geheel anders gedragen, dan tijdens de pauzes. En dat dat verschil niet besproken wordt, maakt het geheel zelfsluitend. De leidingsmetafoor leidt noodzakelijkerwijs tot een “double bind“. Deelnemers van de gefaciliteerde sessies zijn (doorgaans) buitengewoon tevreden; de klant, in de vorm van de ondersteunde mens, ook. De opdrachtgever twijfelt, was het de prijs waard? Blijven we wel binnen budget?

De “leidingsmetafoor” werkt, werkt goed. Maar dan ook uitsluitend in bekende situaties. Op onbekend terrein – ik denk dan aan innovatie, vluchtelingenproblematiek, financiële crisis, politiek, “genderissues”, veiligheid en ga zo door -, werkt de metafoor eerder tegen ons, dan met ons. De leidingsmetafoor werkt naar bekende oplossingen voor bekende problemen. We kijken dan alleen naar de kosten voor het behalen van een bekend resultaat, zoals we een voorwerp kopen aan een kraampje. De “leidingsmetafoor” is door haar aard fragiel. Kleine, bekende verstoringen kan ze aan. Maar kleine verstoringen die tot resonanties leiden of tot een hyperkritische situatie, kan ze niet aan. Eén vergissing kan alle besparingen bereikt door de “leidingsmetafoor” te niet doen. En meer dan dat. Dat komt overigens niet door de metafoor zelf natuurlijker, maar door de gebruiker, door ons gebruik van deze gebruikelijke metafoor.

Faciliteren gebruikt noodzakelijkerwijs de “toolmaker metaphor”: het gaat om relaties, interacties, ontdekken en uitvinden, fouten maken en leren. Facilitator werken als gereedschapsmakers. Facilitators verzamelen tools, methoden en technieken. Maar daar gaat het ons niet om. Het gaat om het toepassen. Faciliteren leert van fouten en is daardoor antifragiel. Faciliteren werkt versterkend. Aan een van mijn leraren – Louis de Swaaf – vroeg ik: “welk doel heeft de facilitator?”. “Het sterker maken van de klant”, was zijn onmiddellijke antwoord. Je investeert in mensen, in elkaar, door het laten faciliteren van een bijeenkomst

In de toekomstige wereld, kan u, de inleider, voorzitter of presentator uw eigen proces faciliteren. Het koste zoveel tijd en moeite om een expert op te leiden, dat we geen tijd en geld konden besteden aan het leren overdragen van zijn of haar expertise. We doen alsof de expertise verworven is door middel van de leidingsmetafoor. Het heet “opleiding”. Voor faciliteren bestaat geen opleiding. Iedereen leert het in de praktijk. We leren experts te faciliteren in hun praktijk. [reclameblokje voor Kunstmest XP; Faciliteren voor eXPerts]. Tot het zover, zullen we moeten investeren in het faciliteren van bijeenkomsten. Of anders veel geld efficiënt weggooien aan ineffectieve bijeenkomsten, kennisoverdracht en technische oplossingen. Penny wise, pound foolish.

Investeren in kennissen
Faciliteren biedt geen kant-en-klare formules. We werken met recepten in plaats van voorschriften, we improviseren op basis van ons programma. Faciliteren houdt ook opvoeding in. Faciliteren levert meer op, naar mate de klant beter begrijpt, dat hij of zij het belangrijkste ingrediënt vormt. Faciliteren betekent het maken van verbindingen, relaties, netwerken. Faciliteren voegt waarde toe door te investeren in kennis in relaties, in kennissen.

GROTE prijs winnen met faciliteren

Verplaatst naar volgend jaar

Hoe weet je, of je impact hebt gehad met je bijeenkomst? OK, je klant is tevreden. Maar echt, objectief? Zodat anderen het ook weten? Door deze te laten beoordelen door een onafhankelijke jury. Dat kan de IAF Facilitation Impact Award voor je doen.

Maar hoe win je zo’n prijs? Kom naar onze masterclass We’re going to win. BIG. Op 19 april aanstaande. Een innovatieve, interactieve MasteClass met Judith de Bruijn en Marcel Collignon. Winnen was nog nooit zo leerzaam!

Meer informatie staat hier:
Winning BIG prijswinnend faciliteren

Of stuur me een mail:

Ik heb interesse in deelname aan de MasterClass

Ik kan op dinsdag 19 aprilIk heb belangstelling, maar kan die dag niet

Dit formulier zal alleen gebruikt worden voor belangstelling voor onze trainingen en begeleiding.

Wil je Waardevol Faciliteren?

Deelnemers met certificaat

In twijfel ligt nochtans de zo gekoesterde vrijheid van de mens vervat. – Voltaire

De toestand is complex, onduidelijk, vaag en onzeker. En ondertussen moet je ook nog vernieuwen. En dan ook nog het fenomeen van een onduidelijke opdracht van een opdrachtgever die wel de indruk wekt het te weten, maar … twijfel. (zie Waardevol Faciliteren).

Hoe ga je daar goed mee om? Waar ligt je vrijheid? In de twijfel? Je hebt Kunstmest nodig – voeding in de kunst van het faciliteren van veranderingen met groepen. Door beter te faciliteren, omgaan met team, groepen en organisaties in transitie. Het zit in de manier van met elkaar omgaan – wie, waar, welke? – , minder in het wat en hoe. Dat laatste – hoe voer je een sessie uit? – komt zeker aan bod. Maar de nadruk ligt op met elkaar uitvinden wat voor jou en je organisatie wanneer het beste werkt.

We hebben nog twee deelnemers nodig voor de Tiende Leergang, Kunstmest XP; Faciliteren voor eXPerts. Neem contact met me op voor meer informatie of bezoek http://www.faciliteren-als-2e-beroep.nl/kunstmest-xp. Jij verdient Kunstmest!

Drie regels voor productieve bijeenkomsten

Active participationTaal maakt de mens, zoals mensen taal maken. Onze taal is van oorsprong een “command-and-control“-taal. “Pas op!”, “Doe dat!”, “Hoe gaat het?”. Communicatie bestaat dan uit éénrichtingsverkeer.

In principe verstaan we een boodschap, zoals deze door de zender is bedoeld. Dit heet ook wel het Helsinki-principe, naar een afspraak op een conferentie over computers in de jaren ’50 in Helsinki. Generaliserend vormt het nog steeds de basis van onze bijeenkomsten en conferenties. Na de presentaties weten de deelnemers waar het over gaat. Eenrichtingverkeer.

Is het niet duidelijk? Dan moet het duidelijker gebracht worden. De spreker beter leren presenteren. Of neem een groter scherm, een illustratie of een (teken)filmpje. Niet verkeerd, maar het gaat voorbij aan een elementair principe: communiceren bestaat uit informatie delen. Minder mededelen, meer medeleden.

In bijgaand artikel geeft Dr Ravn duidelijk aan waarom en hoe we informatie daadwerkelijk moeten delen om tot resultaten te komen.

In bijeenkomsten moeten
(1) mensen autonoom (zelfstandig) informatie uit presentatie verwerken door
(2) betrokken (in kleine groepen) hun kennis te delen
(3) gericht op door hen bereikbare resultaten.

Meetings must transform (1) information delivered in presentations, through (2) knowledge sharing into (3) action that creates results.

Professionals moeten leren bijeenkomsten te faciliteren. Begrepen?

from_one-way_communication_to_active_involvement_0, White paper published by by Ib Ravn, Ph.D., Associate Professor, Aarhus University, 2015

How to recognize a CPF?

I’ve added my thoughts on branding the facilitator in a Linked-In group discussion. It illustrates chapter 8 of my book. I’ve added here a few uses of this tension.

Pinning down
I’ve just received my CPF-pin (with the old IAF-logo, so I guess it is already a collectors item) and it brings back my old doubts on branding facilitation and/or CPF. Years ago in the Dutch board, I opposed developing a token – like a pin -, for a CPF. It is not that I don’t have pride on my achievements and our CPF-program. Wearing a pin, being recognized as a CPF, just somehow doesn’t fit our profession.

OVK-06 aangepastOne of the key issues in facilitating, is to remain on the “adult”-level with both the client and the participants, I’ve borrowed the TA-model with the three positions: Child (K) – Adult (V) – Parent (O). The “adult-position”, is between child-position (the group, being regressed) and the parent-position (the client, trying to take “care” of the group, usually called managing, implying the adult is a man* 🙂 ). The “adult-position” mediates between the two, connecting the creative, play-full, irresponsible “child”, with the over-responsible, superior, limiting “parent”. As a facilitator, I not only mediate between the two, I also learn them how to become more “adult”.

In my opinion, when I use a token, like a CPF-pin, I put myself in the “parent”-position. This is recognized, or acknowledged, and even demanded, by the client. He – most of the time a he – requires more and more certificates. We tend to see this as “good” and in support of a CPF. It recognizes its value. However, this disables him, the client, from having to search for a facilitator that fits him and the situation. It is making a selection a “paper exercise”: just checking the list.

Double pin
This is clearly a “double bind”, as both the client and I, the facilitator, cannot escape from this game. I cannot say “I’m not a CPF”, or “I’m a CPF, but please do not recognize me”. (You’re aware that I’m using the double meaning of recognizing here: acknowledging or confirming (in Dutch: “erkennen”) and identifying (in Dutch: “herkennen”). Here we’re having the paradoxes of “Belonging”). And he cannot say something like, “listen, I do not trust you” or “I feel weakened by having to ask for support”, or even “I feel threatened by your work with my group”.

Putting on a pin, creates a double bind between me and the group too. I’m in a position “above” the group and I have to pretend this is not the case. Participants in the group cannot discuss their frustrations or anxieties or whatever. Any attempt from my side, will be seen as part of the cover up. I cannot ask them to move into the “adult”-position, as I’m in the “parent”-position. I know what is good for them. I also cannot ask the to ignore my CPF, as I’m clearly wearing the pin or have been asked to facilitate them because of it. They cannot say: “listen, we don’t trust you!”, “we don’t need support, we just want our boss to listen to us”, or even “we feel threatened by you working with our manager”.

Prof Homan, mentions this is the foreword of our book on facilitation (Faciliteren zonder Omwegen) : “you can only hope that afterwards the participants and the client will say: ‘we’ve been facilitated'” . This is, I think, what he means by saying that most of the work has to be done before and after the meeting. And that we have to change the power structure, the structure blocking the change it requires itself. So I’m not against CPF or whatever promotes professional development. It is just that I cannot use it.

Implications for facilitators
In working with groups, I do not try to “solve” this issue, as it is inevitable. Use it as a source of energy. I do have some clues:

  1. overdress slightly, even more “powerful” than the client, while adding a twist using a spectacular shirt, tie, tie-pin**) or jewelery
  2. at a key moment, for instance, when planning actions, un(der)dress by removing you tie, jacket or shawl
  3. make mistakes,hesitate, do something clumsy and acknowledge these
  4. define “places” in the room, where you have a “child”, “adult” and “parent” position. For instance, a place the client uses, contains the “parent” position; your adult position is defined in the middle of the room and as a child, you sit with the group, or walk with them. When you feel stuck in either of the positions, just move over to another space. You can do this explicitly, but most of the time it is not necessary
  5. use a method or technique from the “Evaluative mode” (4th game level), like Story Telling, Dialogue, Force Field Analysis (Kurt Lewin), Moving to Where it Matters (! surprise, even for me) or Allocating Resources
  6. in the opening or introduction, use a question about “position”, like “where do you (we) want to be at the end of our meeting?”
  7. .
    *) Of course, you know that management comes from maintener: using your hands (“mains” in French) to steer horses.
    **) here we have a functional use of the pin: make it into a shawl or tie-pin! (Perhaps even overdo it). Then, when you remove you tie, you also remove the pin.

Ik herinner me

Kunstmest 6 -2 Bij een sessieverslag doe ik altijd foto’s van de deelnemers “in actie”. Dat heeft te maken met de werking van de hersenen: we communiceren via projecties, we projecteren ons lichaam op de situatie (en op de anderen). Dit worden door veel hersenwetenschappers, “spiegelneuronen” genoemd, maar het zijn volgens mij de “echte” neuronen. Dat komt omdat ze ervan uitgaan, dat de beleving in de hersenen geproduceerd wordt en dat we die gebruiken om een situatie te herkennen. Volgens mij werkt het anders om. Omdat we eerst hebben geleerd via begrijpen, (verlangen en verlengen komen uit dezelfde bron, zegt Ceciel ergens), via projecties en pas later taal hebben geleerd. Onze werkelijkheidsbeleving is altijd ook lichamelijk, zoals al blijkt uit de woorden die we gebruiken.

Het hele systeem met neuronen voor de taal, is daar een latere toevoeging op. Inclusief de delen die “doen als of” dit het echte “smart system” is. Onze hersenen overtuigen ons er ook van dat onze taal gelijk valt met de lichamelijke gewaarwording EN dat dat het is. Iedere herinnering – het woord zegt het al – is ook een innerlijke ervaring, die neuronen vervolgens weer (letterlijk en figuurlijk) vertalen naar een mentale beleving en een tekstuele inhoud.

Door de foto’s verbinden de deelnemers zich opnieuw met hun beleving, de lijfelijke aanwezigheid en herinneren de deelnemers derhalve gemakkelijker de gepresenteerde teksten. Een ander argument is, dat mensen dol zijn op foto’s van mensen en zich zelf (niet noodzakelijk in die volgorde).

Overigens is dit ook de reden dat mijn boek “vertekende” foto’s heeft. Ze ondersteunen het tot je nemen van de betekenis – hé, daar staat ook weer teken-ing. Tita heeft ze vertekend, omdat foto’s teveel “ruis” bevatten. Alle details dient ons brein te filteren, om tot de essentie te komen. Een contour met een enkele kleur is voldoende om te herkennen en te herinneren.

Synchroniciteit – 1

synchroniciteitGisteravond had ik een bijeenkomst met facilitators en project managers. De vraag was of en hoe we een komend congres konden ondersteunen met faciliteren. Het was mij al duidelijk geworden, dat we grote verschillen zouden moeten overbruggen, hoewel de stemming ontspannen was. Er werd ons gevraagd onszelf te introduceren en te vertellen wat onze expertise is. De mijne is werken met synchroniciteit. Dus tijdens het voorstellen – het was geen rondje, zoals één van de collega’s voorstelde – begon ik de Tarot-kaarten te schudden. Ik wacht dan op het moment dat ik uitgenodigd word. Iemand noemde “Gemini“, waarop ik zei: “Tweelingen?“, waarop hij zei: “Jan!“.

In een volgende bijdrage zal ik toelichten hoe dit werkt en dat het niets met geloven te maken heeft. Het is een spel van intuïtie en doen, van irrationeel –> bewust naar rationeel —> onbewust en vice versa. Het is een ongemakkelijke methode en niet iedereen heeft er gelijk vertrouwen in. Ook moet je kunnen afzien van logische verklaringen; die zijn er niet. Elke verklaring doet eigenlijk afbreuk, maar er zijn wel een aantal opmerkelijke aspecten.

Ik zei mijn naam, dat ik faciliteerde en dat ik met synchroniciteit werkte. Dat werkt als volgt: ik leg de kaarten en kijk wat er zich aandient. Vervolgens legde ik een kruis – ik wilde eigenlijk een Keltisch Kruis leggen, maar daar was te weinig tijd voor, dus maakte ik een christelijk kruis. Ik draaide de kaarten om, van links naar rechts en van boven naar beneden. Wie schetst mijn verbazing dat er zich het volgende toonde.
Introductie

Links, verleden. Pentagrammen 2, Ontdekkingsspel, nieuwe projecten opstarten, kinderziektes. Op internet vinden we onder meer: “de jongeman hanteert blijmoedig de wisselvalligheden van het element aarde. Het is een leerproces (jong-leren).” “De lemniscaat (liggende 8), symbool van het oneindige, benadrukt op de diepgang die in het speelse bestaan en in doodgewoon plezier schuilt en is ook een symbool van evenwicht en harmonie.” “Hoewel Pentakels 2 dus op het eerste gezicht op twijfel lijkt te wijzen, gaat het in wezen om balans. En vertrouwen.”

Centraal, hier en nu, hier gaat het me om. Bekers 8: Het Loslaten. Breken met idealen en waarden, op zoek naar het geluk; bewust afscheid nemen van een levensstijl. Let ook op dat 8 de lemniscaat is. Op internet: “Vanwege een gemis – de ontbrekende beker – op weg naar de bergen, de wijsheid.” “Deze man onderneemt dus bewust actie, om iets aan zijn gemis te willen gaan doen en de oorzaak van dit gevoel weg te nemen. Hij weet nog niet wat hij precies zoekt, maar dit wordt hem mettertijd wel duidelijk (gemaakt).”

Rechts: in de toekomst. De Keizerin 6: Ik verzamel. Staat voor ‎productieve waarden, weelde, evolutie, vruchtbaarheid; de zakenvrouw. Op internet: “In kaart III (een andere ordening, hier 2 keer 3) van de Grote Arcana wordt de Heilige 3-éénheid (lichaam, ziel en geest óf moeder, vader en kind óf het bewuste, onbewuste en bovenbewuste óf Vader, Zoon en Heilige Geest) voor het eerst verenigd. De Keizerin, de eerste III, is dan ook dé groeikaart van de Grote Arcana.” “De Keizerin => Moeder Aarde, groei, vruchtbaarheid, hoorn des overvloeds, koningin van het Leven en keizerin der Liefde. De lucht is geel: energiek, inspirerend en ruimtelijk. Alles leeft en bloeit: gewassen, graan, alles duidt op rijping en groei (van de Ziel). De energie van deze kaart is voortplantingsenergie, geestelijke ontwikkeling; groei van de Mens zelf.”

Boven, van boven: De Kracht 11: ik wil, volharding ondanks hindernissen. Moet ik nog op wijzen op de 8, kr8tig. (Hier heeft de kaart nummer 11, in andere Tarot-kaarten is het de 8). Op internet: “De Kracht maakt duidelijk dat het niet de bedoeling kan zijn onze instincten en diepste verlangens achter een net masker te verbergen, maar dat we ze moeten verwelkomen en op een goede manier leren gebruiken. In ons werk kunnen we ons met hartstocht aan onze taken wijden, dit is een fase van scheppingskracht en grote motivatie.” “In ons werk kunnen we ons met hartstocht aan onze taken wijden, dit is een fase van scheppingskracht en grote motivatie. Op het niveau van bewustzijn geeft de kaart een ingrijpende transformatie aan, ons beschaafd bewustzijn en onze dierlijke instincten vinden elkaar.”

Onder, van onder De Gematigdheid 13: ik ga over, bemiddeling ( = faciliteren). Verder zie ik een zekere overeenkomst met Pentgrammen 2: de asymmetrische houding, de wisselwerking tussen twee kanten, het evenwicht, de lichtvoetigheid… Op internet vond ik, nadat ik het voorgaande schreef: “Harmonie te midden van verandering. Wanneer Pentakels 2 en Matiging samen verschijnen versterken ze elkaar in grote mate.” Verder: “De Gematigdheid toont gevoelde vreugde wanneer we gezond zijn en in innerlijk evenwicht. De kaart symboliseert ‘de juiste maat’. Indien van toepassing vertegenwoordigt deze kaart ook genezing en beter worden.”

Gegrondvest in: Het Universum 21, de laatste, Ik ben het Al, beloning voor hard werken. De uitgang wordt gevonden. beloning voor hard werken. Op internet trouwens ook nog: “Op het terrein van gebeurtenissen staat De Wereld voor gelukkige tijden, waarin we van ons bestaan kunnen genieten. Deze kaart kan ook betekenen dat we internationaal contact hebben of (gaan) reizen.”

Autonomous

107-108-image January 30 we’re organising with Marc van Seeters an event called HSD Live in Den Haag with Judy Tal. I was reading about HSD Institute. HSD is founded by Glenda Holladay Eoyang and based on her model called CDE, Container (containing “agents”), Differences (between agents) and Exchanges (between the differences between the agents). It shows how adaptive behaviour can be influenced more effectively. By facilitating, off course.

I was reminded of the model Varela puts forward in “The Creative Circle1)”: based on M.C. Escher’s picture of the two hands drawing each other (= outline, container), he proposes that any living system does the same. I looked up his article and found a reference to Spencer-Brown (he is hardly ever referred to) and noticed that Varela had added to this logic / arithmetic a third element, he called “autonomy”. It is interesting to note that this autonomous state is both invariant to the system and an attractor (or result). Watzlawick – i had completely forgotten about this – adds in his epilogue: “The world we know is constructed in order to see itself”. But in order to see itself, it must cut up itself and therefore can only partially (interesting word) see itself. Varela concludes:

“the observer draws distinctions wherever he pleases. … We, observers, distinguish ourselves precisely by distinguishing what we apparently are not, the world”

I would have said “reality” in stead of world, Wirklichkeit, but this suffices. Watzlawick also concludes that the autonomous state results from the paradox between object and subject.

The funny thing is, a few weeks ago I had a conversation with Ceciel and Daria and there we concluded that the “autonomous” results from the paradox between “female” and “male”, accepting and giving, the whole and the part. As autonomous also refers to “its own laws”, it hides also at the centre of every religion, as this (re)makes the connection between the world – the whole – and its part. It also neatly ties in with Nietzsche’s idea of “übermensch”,

On a site, humap.com, they’ve exchanged “creativity” for “exchange” and added Human to the CDE model, “the autonomous”. Technically, this is a tautology. Off course, the same is true for the use of words: I can choose my own words but, unlike Humpty Dumpty, I cannot make them mean exactly what I want. The listener is alos an author. However, by “paying” enough (attention), we might make some progress.

Four times, there is a pattern here.

1) Watzlawick, P. ed. (1984) The Invented Reality

Master class “faciliteren voor dagvoorzitters”

DagvoorzitterWORKSHOP: Masterclass faciliteren voor dagvoorzitters

VERZORGD DOOR: Jan Lelie van mind@work – Samen Beslist Beter Besluiten

KORTE INHOUD: Faciliteren: hoe en wat van welke en wie?

OPZET / WERKWIJZE: Jan Lelie ontwikkelde een aanpak over faciliteren op basis van vier kleuren. Uit deze “kaart” kan afgeleid worden hoe faciliteren zich verhoudt tot voorzitten. Deelnemers krijgen inzicht welke werkvorm waar het beste past en hoe in welke situatie het beste gereageerd kan worden.

De workshop is ook een inleiding op zijn boek “Faciliteren als Tweede Beroep” en de leergang “Kunstmest; Faciliteren voor Professionals” (i.s.m. Instituut Maatschappelijke Innovatie en Verbeek Verbindt). Zie http://www.mindatwork.nl of http://www.faciliteren-als-tweede-beroep.nl

U begrijpt de verbanden tussen voorzitten, faciliteren, interviewen, panel discussie, interactie met de zaal en parallel sessies. U leert welke werkvorm het beste passen bij welke situatie.

DUUR TRAINING: Eén dagdeel.

AANTAL DEELNEMERS: 4 tot 40

KOSTEN: € 225 – excl. BTW, per deelnemer, maximaal € 2250. Deelnemers ontvangen twee exemplaren van het boek “Faciliteren zonder Omwegen – 24 praktijkvoorbeelden”.

DATA: in overleg

Gebruiken van tests

MöbiusBij het boek hoort ook een zelftest, een vertaling van de test ontwikkeld door Will McWhinney. Een terugkerende vraag is dan: “wat is de betrouwbaarheid van deze test?“. Zoals ik ook in het boek bespreek, heb ik een onderzoeksrapport waarin meer dan 100 tests bekeken zijn op onder meer de betrouwbaarheid en voorspelbaarheid. Kolb, MBTI, Nedd Herrmann, Belbin en andere bekende tests horen hierbij. Over het algemeen blijkt dat de consistentie en betrouwbaarheid maximaal tussen de 60% en 70% ligt. Verklaring hiervoor is onder meer dat mensen zich zelf waarnemen en kunnen leren. Dit leidt ertoe dat mensen “sociaal” wenselijke antwoorden kunnen geven en het afnemen van een specifieke test leidt tot ervaringen met die test, die de volgende keer de score weer beïnvloeden.

Eén van de conclusies luidt dan ook dat tests eigenlijk een metafoor zijn voor een bepaalde benadering. Van mensen, doelen of van situaties. Tests hebben als belangrijkste functie het verschaffen van een jargon voor de gemeenschap die die test gebruikt. We kunnen natuurlijk ook de Kaart van de Werkelijkheidsopvattingen op de tests los laten. Vanuit de verschillende perspectieven kunnen we dan verschillende beoordelingen van tests vragen.
– Analytisch: hoe betrouwbaar zijn de test resultaten, met name bij herhaling?
– Assertief: in hoeverre zijn tests consistent, met name over de tijd gezien?
– Beïnvloedend: in welke zin overtuigen tests mensen van hun eigenschappen?
– Evaluerend: in welke mate hebben mensen wat aan de scores, scores die bij hen passen?
– Ondernemend: in hoeverre leert de test de deelnemers iets nieuws?
– Emergent: hoe verhouden de testscores van verschillende deelnemers zich met elkaar?

De door mij gehanteerde test is een voorbeeld van een mythische test. U wordt gevraagd even een beeld (= mythisch) te laten opkomen van een ontmoeting (= sociaal), daarover een verhaal te schrijven (oproepend) en vervolgens vragen te beantwoorden die vaak gaan over de gevoelens en emoties (faciliterend: u wordt ook expliciet gevraag “in relatie” met uw ervaringen te blijven. U hoeft geen punten te geven (unitair, absolute schaal), maar antwoorden op volgorde te zetten (evaluerend, sociaal, relatieve schaal). Vaak vinden deelnemers de antwoorden erg op elkaar lijken, wat voor mij duidt op een gelijkwaardigheid van de antwoorden.

Tenslotte is er nog een soort “halo-effect”: mensen hebben de neiging datgene uit een testre¬sultaat te halen dat hen aanspreekt. We kunnen onmogelijk objectief kijken naar ons eigen resultaat. Vaak ziet een ander beter wat er wel en niet klopt dan wij zelf. Zoals ik de test han¬teer, gaat het me meer om het gesprek over de resultaten, dan de resultaten zelf. Alleen in de conversatie, ontstaat de betekenis, het inzicht in jezelf in relatie met de groep waarin je op dat moment verkeert. Deelnemen aan een andere groep, zal dan ook een ander resultaat kunnen geven.