Tag Archive for taal

Powerpoint

Van alle paradoxen is de paradox van macht – power – voor facilitators de meest belangrijke. Het gaat namelijk om je zelf “uitdrukken” – expression -, (voor jezelf) te spreken. Daarom noemde MicroSoft, onbewust wellicht, haar presentatie applicatie “powerpoint“: met kracht een punt drukken.

Onder deze paradox vallen

  1. Autoriteit, het proces waarin je al dan niet door de groep geautoriseerd wordt
  2. Afhankelijkheid, het proces waarin je je (on)afhankelijk kunt opstellen
  3. Creativiteit, het proces waarmee (nieuwe) resultaten tot stand komen
  4. Moed, het vermogen om te spreken, tegen de druk van de groep in

De paradox heeft natuurlijk één op één te maken met leiderschap. Iedereen heeft geleerd dat een leider autoriteit moet uitstralen, onafhankelijk de afhankelijkheid van de groep accepteert en uitleg moet geven dat de destructie van de anderen of de andere groep eigenlijk het scheppen van een nieuwe toekomst inhoudt. Sterker nog, dat het zijn (meestal zijn) plicht is om dat te doen. Poetin liet daar op 18 maart jongstleden een onvervalst staaltje van zien. Zijn frame, vanaf het binnenkomen tot en met zijn vertrek, perfect voorbeeld van omgaan met macht, vanuit het “linker” perspectief. Het zou een mooie show zijn geweest, wanneer het niet zo serieus bedoeld is.

Het leiderschap van de facilitator, de begeleider, staat daar diametraal tegenover. De autoriteit ligt bij de groep, de deelnemers. Zij dienen te kiezen. Als facilitator scheppen we zowel keuzes als de vrijheid om te kiezen EN om het met elkaar oneens te zijn. Afhankelijkheid maakt hier geen éénheid, maar juist diversiteit. Daarbij scheppen we een sfeer waarin niet alleen de creatieve, mooie, kant van de groep naar voren komt, maar ook de destructieve, negatieve kant, gezien wordt. En we moedigen de deelnemers aan om te spreken, te tekenen, mee te doen. Het resultaat, tenslotte, is niet een mooie show, maar “het samen meemaken”. Zo werd het gisteren in een workshop over project professionals en faciliteren gezegd: “het gaat bij faciliteren om het mee maken”. Bij faciliteren gaat het om het perspectief van de “rechter” kant.

Mijn Punt, opnieuw: de dubbelzinnigheden van taal en woorden wijzen de weg.

Dealing with information bias

It is a bit like the joke from Weick on the three base ball referees discussing how the call a ball, in or out. The first one says: “ I calls them as I sees them”. The second one says: “ I calls them as they are”. The third one says: “They ain’t nothing until I call them”. We call the balls.

The question by Judith was: how do we deal with this problem of “Information Bias”; our apparent need of more and more information on available choices, our desire to rule out risks, to know. In answering this question, I concluded that we cannot solve this problem on the level of the content of information. We can only resolve it in the process of relating to each other, aptly called “relationships”. In facilitating decision making we have to deal with relations first and content second.

Information bias can not be overcome, as it seems to be inherent in the way I, you, we, this world work, the way we deal with data. I’ve called it a metaparadox, for lack of a better word, as it appears to be a paradox about a. paradox. (For readers of Smith and Berg’s “Paradoxes of Group Life”: it is in the interplay of the part-part and whole-whole paradoxes. You may have noticed the use of the word “dealing”)

Meaning – in my opinion, after a lot of reading and studying – is an emergent attribute (Dutch: “eigenschap”) of interacting. Meaning is a process and not a thing or an entity. You might call it a by-product. “Au fond” it is unintentional. Any meaning also always refers to the reader/writer. And I mean that literally: meaning is “written” or “read” into reality, real objects and processes BY ITSELF. Meaning both refers to itself and to something else, but not at the same time. This is the fundamental, first paradox. Meaning as an emergent attribute of interacting, like when two stones are being rubbed together – by a landslide, ice, water, or wind. There will be marks on both of them, depending on their shape, the length of the interaction, their hardness, the conditions. This we can call data or information. It contains meaning, it is there to be discovered, read.

The noticing, the reading of information is also a kind of interacting. When the marks on the stones are “read”, there are again interacting process. Our brains do not contain the rubbed stones, nor have we stored pictures on a kind of hard drive. We, with our brains, do not compare, we interpret. We’ve learned, with our eyes and brains, to read the marks.

The reading itself is an interacting with the stones and with “our selves”. This is the second paradox, the metaparadox which both refers to the first and to itself. So these processes also generate meaning. We read meaning into a situation and have the meaning of meaning. We use our brain for a lot of the work here. Our brain contains meta-information. Our brain doesn’t contain information (on stones, on marks, on signs), but informs about the informing processes. We have access only to the last or highest of the informing processes: a kind of conscious awareness of what we call the meaning. (This is by the way the reason we use the very word “ informing”: information is continuously being formed).

The intentionality of information comes from reading it, our processing. We are intentional being, we need to have intentions, so we “read” reality and find intentions. These are not in the data, perhaps even not in the information, but in the informing. So information and meaning are made. They are “facts”. The very information we use – in fact, we are our information – is biased. As we are biased to survive. To this we can add the uncertainty of the processes of becoming meaning, because I, you, we have no access to the processes which generated the meaning and I have no access to your meaning or information and vice versa. We have to trust ourselves in this and – this is Murphy’s law – when we can be wrong, there will be a time when we will be wrong.

My suggestion to deal with this as facilitators is to . . . facilitate. It is not in the content, the meaning, the security of the information, it is in the process, the relationships. What people really want (# really, really want #) is to know whether they can trust the other, if they can depend on one another. They need to know if, when they are vulnerable, open of have made a mistake, a miscalculation, they will not be taken advantage of, or punished. And at the same time are reluctant to ask this, because this makes you vulnerable. Basically, they don’t need the bias to go away, they want to know how to handle, live or deal with it. So we, as facilitators, have to be congruent in our behaviour. We have to be open, patient, remain confused when needed. We have to be able to accept bias as a given, not check our conclusions, but check our assumptions. After all, we’re only common people. We resolve the issues.

PM: “information” is an example of reification: making a thing out of a process, like reification. We do this a lot, as in “communication”. It seemed handy at the time, but it hides the fact that these are processes and no entities. There is no See Reïficeren on pages 30, 100, 242

Lichamelijke representatie

Bij familie en organisatie opstellingen maken we gebruik van representaties. Dat houdt in dat we deelnemers vragen om in een houding een positie in te nemen die de situatie representeert. Representeert is het juiste woord, omdat de houding altijd in het hier en nu is “present” en een boodschap presenteert, die door onze eigen lichaam in samenwerking met onze hersenen tot betekenis gemaakt wordt: gerepresenteerde betekenis. Alle expressieve kunst, van tekening tot opera, is gebaseerd op ons vermogen om lichamelijke houdingen te interpreteren. Vandaar dat ik tegenwoordig de term “vertegenwoordiging” hanteer.

Lichaamstaal (houdingen) en gearticuleerde taal (uitspraken) vullen elkaar aan. Deze twee talen vormen samen een geheel. De talen hebben echter verschillende kenmerken.

Lichaamstaal Gearticuleerde taal
Drie deelnemers, een man, twee vrouwen, overleggen met elkaar. De man legt iets uit wat op een papiertje staat; de rechter vrouw lijkt het niet met hem eens, de linker lijkt het met hem eens.
Analoog Digitaal
Geheel Onderdelen in een structuur
Relaties, verhoudingen Inhoud
Onmiddellijk Achteraf
Weinig precies Zeer precies
Kan niet ontkennen Ontkent met “niet”

Toneel, dans, drama, opstellingen, representaties etc. werken omdat onze lichamen onbewust de houdingen van anderen spiegelt. Het brein “leest” de situatie en vertaalt deze naar bewuste, gearticuleerde taal. Bij het maken van een opstelling gebruiken we deze onbewuste vaardigheid intentioneel: de bedoeling dat het spiegelen van een houding het hoofd informeert over de situatie. Omgekeerd, denk ik, dat de uitdrukkingen die we hanteren ook op het lichaam geprojecteerd worden; dit uit zich in gebaren die de gearticuleerde taal ondersteunen. Daarnaast zijn we in staat om waar te nemen wanneer de gebruikte woorden en de gehanteerde houding niet met elkaar overeenstemmen.

We verstaan (tegenwoordige tijd = lichaamstaal) met ons verstand (voltooid verleden tijd van verstaan = gearticuleerde taal).

Lichaamstaal kent geen ontkenning (je kan niet “niet” uitdrukken, nooit geen houding aannemen), terwijl de gearticuleerde taal wel kan ontkennen (“dat is niet waar”). Deze dichotomie veroorzaakt de paradoxale spanning waaruit de betekenis voortkomt.

We hebben beide talen nodig om te begrijpen waarover we het hebben, maar de nadruk ligt meestal op de gearticuleerde taal (voorgrond), die we ook wel “bewust” noemen. Deze is immers “duidelijk”. Lichaamstaal vormt meestal de achtergrond, ook omdat deze ambigue is. Wanneer we werken met houdingen (acteurs, drama, dans, opstellingen) zetten we de lichaamstaal op de voorgrond. Omdat deze weinig precies is, vragen we vaak om “verduidelijking”. De werking, het effect van opstellingen etc. komt voort uit deze omkering. Ik ga ervan uit dat de lichamelijk taal altijd – op haar manier – waar is. Ze kan immers niet ontkennen. De lichamelijke boodschap “overvalt” (of neemt over) de articulatie en deze vertelt op symbolische wijze wat er “echt” speelt. Dit uit zich in samenhang met wat sterkere expressie van emoties en meestal onverwacht.

Voor de verklaring van de werking van opstelling is dus geen wetend veld nodig, geen collectief onderbewuste of morphogenetische velden. Opstellingen werken omdat we een lichaam hebben dat weet, een weten met een eigen taal.

Wie zegt er wat?

Van voorwerpen, dieren en mensen nemen we gedrag waar. Voorwerpen gedragen zich bij een interventie altijd op een voorspelbare en aan de interventie proportionele wijze. Hoe harder je tegen een steen schopt, hoe verder hij weg vliegt. Dieren reageren op minder voorspelbare en niet proportionele wijze. Wanneer je tegen een hond schopt kan deze bevriezen, vluchten, vechten.

Mensen hebben via taal het vermogen ontwikkeld om zelf over hun gedrag te reflecteren. Een mens, indien geraakt, is in staat te bevriezen, te vluchten of te vechten EN zijn of haar gedrag van een verklaring te voorzien. Het vinden van verklaringen, verduidelijken, inzicht of kennis – inclusief het verklaren van “een zelf”, “geest”, “mind” of “ziel” – is een wezenskenmerk van menselijk gedrag. Zowel dieren als mensen beschikken over hersenen of een brein. Het vermogen tot zelfreflectie van mensen gebruik dat brein. Het brein, als bron of oorzaak van zelfreflectie, reflecteert over zich zelf. Wanneer we spreken over een brein, spreken we ook over een mens . Brein – bijvoorbeeld in de titel ” We zijn ons brein” – is een pars pro toto. Dit opent de mogelijkheid van een mereologische drogreden (p. 35): een deel van een verschijnsel gebruikt als verklaring van een geheel. De hersenen vormen een deel van het brein, het deel dat denkt dat het denkt. Echter, om te denken heeft het brein het lichaam nodig.

Met behulp van ons brein nemen wij mensen onze omgeving waar. Aanvankelijk leren we waarnemen in termen van gedrag: naar gedrag (“warmte”, “voedsel”) dat ons bevalt willen we toe en van wat niet bevalt (“hitte”, “honger”) willen we weg. We projecteren ons lichaam op de omgeving. Geleidelijk aan leren we onze waarnemingen in te delen, bijvoorbeeld in “warm” en “koud”, “goed” en “slecht” of “man” en “vrouw”. Op basis van een indeling in categorieën baseren we de verklaringen voor ons gedrag. “Ik koop voedsel omdat ik honger heb”. We projecteren onze woorden op de omgeving.

Ons brein deelt noodzakelijkerwijs de werkelijkheid in, categoriseert of herkent daardoor. Maar geen enkele indeling betreft echte attributen van die werkelijkheid. “De kaart is niet het landschap” en “het woord is niet datgene waar over we spreken”. Daarbij kunnen we geen indeling maken die in alle gevallen altijd iets of iedereen in één van twee (of meer) categorieën indeelt. We maken onderscheid tussen man en vrouw, op basis van allerlei kenmerken. Toch blijkt ongeveer 1 op de 1500 mensen niet in te delen. De indeling is “handig”, maar niet objectief.

The world does not speak – only we do.
Rorty R. – Contingency, Irony, and Solidarity

Verder veroorzaak een indeling de neiging om iets in één categorie in te delen, wanneer het niet tot de andere behoort. Bijvoorbeeld, wanneer we mensen indelen in “man” en “vrouw”, hanteren we de definitie dat “man” niet-vrouwelijk inhoudt en bij de definitie van “vrouw” niet–mannelijk. Omdat we impliciet uitgaan van een tertium non datur (een derde is niet gegeven), zijn we niet instaat “niet-man” en “niet-vrouw” als aparte categorieën naast “man” en “vrouw” te zien. Het kunnen gebruiken van het woordje “niet”, is zowel de sterkte van taal – we kunnen met niet iets ontkennen – als haar zwakte – we kunnen, in termen van gedrag, niets ontkennen.